is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 62, 13-12-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De onkerkelijkheid

Het wordt tijd, dat de kerken het verschijnsel der onkerkelijkheid opnieuw en openhartig onder de loupe nemen. De voornaamste gebeurtenissen op kerkelijk erf buiten de r.k. sector zijn: de Invoering van de nieuwe kerkorde in de Hervormde Kerk, de consolidering van de oecumenische beweging en de langzame, zeer langzame veranderingen, die er in de Gereformeerde Kerken plaats vinden.

Over alle deze drie verschijnselen zou veel te zeggen zijn. Er is over de nieuwe kerkorde véél voor en tegen geschreven en juist een dezer dagen is er, als pendant van „Zwingli”, aan de rechterzijde een groep predikanten samengekomen, die het „verval” van de Hervormde Kerk wil tegengaan. Verval, dat zich dan volgens hen manifesteert in hantering van de kerkorde 1951. De oecumene komt steeds meer „in het nieuws”. Nu weer door het rapport van Visser ’t Hooft, de secretaris-generaal over de rassenkwestie in Zuid-Afrika. Straks door de grote conferentie van de christelijke jeugd in Tavencore, India. En over de Gereformeerde Kerken lazen wij, dat het vrouwenkiesrecht werd mogelijk gemaakt en dat de Ssmode van Rotterdam weigerde zich bij de reactionnaire anti-oecumene, de I.C.C.C. aan te sluiten.

Achter dat alles zit véél en wat er achter zit is heel belangwekkend.

Een van de nijpende vragen, in alle drie sectoren, is deze: hoe zien wij de voortgaande ontkerkelijking? In zekere zin staat het voornaamste werk van alle kerken ook al wordt dat niet zo uitgedrukt, met die vraag in verband.

Wij zijn geen pessimist, als wij realist zijn. En wie realist is, zal moeten vaststellen, dat de ver ontkerkelijking in snel tempo verder gaat. Althans in West-Europa. Hij zal tevens vast moeten stellen, dat de antwoorden, die er op gegeven worden, ieder op zichzelf onvoldoende zijn.

Tijdens de laatste wereldoorlog en vlak daarna scheen het alsof de kerken wind in de zeilen kregen. Het was duidelijk, waarom zij toen bij velen in het centrum van hun belangstelling kwamen te staan. Zij kregen opnieuw een maatschappelijke functie (protest èn voedsel) en zij deden een perspectief leven, waar millioenen naar hunkerden: een wereld waarin liefde en gerechtigheid leid-sterren zouden zijn.

Na de oorlog is er in vele kerkelijke kringen aandacht besteed aan de goede methode van „evangeliseren”. Men ging er daarbij van uit, dat de methoden van vroeger het niet meer deden. Men kon niet meer met goed fatsoen tractaatjes verspreiden.

op hoeken van straten preken, tenten vullen met opgewonden sprekers. Men begreep, dat de benadering van de mens, die geheel van de kerk en het geloof vervreemd was, „totaal” moest worden aangepakt. Dat woord en liefdevolle aandacht, onbaatzuchtige hulp en solidariteit tegelijkertijd moesten functionneren. Men begreep tevens, dat zowel de sociologie als de psychologie niet-religieuze motieven van kerkelijkheid en onkerkelijkheid konden onthullen en ten slotte vatte men, dat de kerken-zelf opnieuw hun waarheid onder de loupe moesten nemen en zich af moesten vragen wat in werkelijkheid houdbaar was en wat niet.

Men is daarmee begonnen. Het werk van „Kerk en Wereld” maar ook de nieuwe bezinning op de liturgie vloeide daaruit voort. Het verlangen naar eenheid, ook naar eenheid van kerkelijke actie, kwam op en het IKOR is daar, op een belangrijke sector, de uiting van.

Maar wat zien wij nu gebeuren?

In de eerste plaats, dat de afwending van de kerk géén halt houdt. Het blijkt, dat het niet de fouten, de mislukkingen, de overwonnen standpunten zijn, die de mensen uit de kerk houden, maar dat het verzet veel dieper zit. Aan de diaconale werkzaamheid behoeft niemand zich meer te ergeren; de nieuw-gebouwde kerken zijn vaak juwelen van moderne bouwkunst; de strakke binding van kerkelijke leidende figuren aan een conservatief-sociaal beleid is in beginsel opgeheven; de opleiding van predikanten is op een betere leest geschoeid. Men kan niet meer zeggen, dat de kerken een beschimmeld zaakje zijn, conserverend wat in het verleden van waarde was, maar vijandig tegenover het heden. Nochtans: de tekenen van wederkeer van grote groepen, die in een vroegere generatie de kerk verlieten, worden niet waargenomen. Men is er nog niet aan toe om na te gaan, hoeveel mensen „uit het heidendom” werkelijk tot een regelmatig meeleven met de kerk zijn gebracht en nog veel minder om te bestuderen of deze mensen werkelijk „heidenen”, dan wel uiterste-randbewoners waren. Het kon wel eens blijken, dat een groot aantal van de betrekkelijk weinigen, die in de laatste jaren tot de kerk toetraden, ergens nog slapende bindingen hadden en eigenlijk nog tot de kerk behoorden.

Tegelijkertijd doet het merkwaardige verschijnsel zich voor dat men volstrekt niet kan spreken van een verheviging van anti-godsdienstige gevoelens. Integendeel. Degenen, die vér buiten de invloedssfeer van de kerk staan, plegen gereserveerd hun

bezwaren te uiten. Zij hebben vriendelijke woorden over voor het geloof. Het schijnt wel, of er zeer velen zijn, die contact zouden willen zoeken, wanneer zij maar wisten hoe. Want de besten onder hen zien ook wel, hoe erg het geestelijk gesproken met de wereld staat. Zij zién ook wel, dat te velen geleefd worden en niet leven. Te velen staan onder de felle suggestie van gebeurtenissen en emoties. Dat de kerken dit óók zien, geeft hun een zeker gevoel van verwantschap met deze instituten. Maar, o wee, zodra zij met de kerk-zelf te maken krijgen, begrijpen zij er niets meer van. Dan horen zij een preek, maar die sluit nergens bij hen aan. Dan lezen zij een synodale brief, maar die begrijpen ze niet. Ze ontmoeten dominees, die hen willen bekeren en ze ontmoeten ouderlingen, die tegen hen gaan betogen.

En hier duikt de vraag op, of de kerk die geen doel in zichzelf heeft niet véél radicaler zich zelf moet herzien en veel eenvoudiger moet worden, veel minder pretenties moet hebben dan zij nu steeds ziende op een volstrekt voorbije tijd nog meent te moeten voeren.

Het gevolg echter van het geringe „succes” is, dat de krachten, die innerlijk nooit in een verandering der wereld en der kerk geloofd hebben, die al het nieuwe met wantrouwen tegemoet traden, zich sterker gaan voelen. Zij dringen aan op verscherping van de leertucht, zij gaan van het standpunt uit, dat wie nu maar de „waarheid” flink verkondigt, het wel redden zal. Zeker, wie zo doen, kunnen trots zijn op hun eigen stoere taal. Zij kunnen zich vermeien in de toejuichingen van hen, die de geformuleerde waarheden zekerder vinden dan de weerloze Waarheid, waarmee anderen in solidariteit met het warrelige heden leven. Dat hiermee de onkerkelijkheid niet wordt tegengegaan, beseffen zij niet. Zij beseffen evenmin, dat de onkerkelijkheid in de kerkelijke gelederen-zelf (onder de dekmantel van getrouwe aandacht) evenzeer voortgaat. En deze is oneindig veel gevaarlijker voor karakter en geloof, dan de openlijke afwijzing van contact met de kerkelijke organen.

Wij staan nog maar aan het begin van het proces der ont-kerkelijking.

De aanloop om deze tegemoet te treden is gedaan. Meer dan een aanloop is het niet. Het zal blijken, dat de kerk zelf grondig moet veranderen, wil zij opnieuw èn op nieuwe wijze het evangelie aan hen die het niet kennen, kunnen verkondigen.

Elke terugbuiging naar oude patronen is zonder uitzicht.

Degenen, die verantwoordelijkheid hebben voor het kerkelijke leven zullen de moed moeten hebben, voort te gaan en de verleiding om achterom te zien, moeten weerstaan.

L. H. RUITENBERG

hebben geschonken. Het is immers voor velen zo gesteld, dat, toen zij de S.D.A.P. als geestelijk thuis verloren, in het geheel geen geestelijk thuis meer hadden. Dat is een ernstige zaak.

Maar nooit zullen wij dit probleem mogen oplossen door weer opnieuw van de socialistische partij een geestelijk thuis te maken. Daarmee zouden wij afbreken wat wij uit volle overtuiging hebben opgebouwd.

De doorbraak betekent, dat een politieke partij geen geestelijk thuis kan zijn en ook geen geestelijk thuis mag zijn.

Wat wil een politieke partij dan zijn?

Een politieke partij, niets minder, maar ook niets meer!

J. J. BUSKES Jr.

Gij, trouwe lezer,

Enige weken geleden herdachten we het 50-jarig "bestaan van „De Blijde Wereld”. Nu gaan we, als feestelijke erfgenamen, ons bezinnen op onze toekomstige taak.

Te Bentveld zullen wij op 24 en 25 Januari bijeen zijn, de Redactie, vele ï'ara onze regelmatige medewerkers, en ... onze lezers.

Het wordt belangrijk, ernstig en gezellig.

Kom u ook en noteert alvast de datum! Nadere aankondiging volgt.