is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 50, 1952, no 62, 13-12-1952

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

een zeer ernstige situatie in reformatorisch Nederland zijn geschapen en dan zou toch verwacht mogen worden, dat een zo zorgwekkende verhouding met ronde woorden klaar en duidelijk aan de orde zou zijn gesteld en niét door een zwijgend wegbiijven van de Chr. Soc. Conferentie. Dergelijke zwijgende demonstraties kunnen alleen maar verwarring wekken. Zij hebben dat ook verwekt. Speciaal onder de hervormden ter conferentie. Die hebben van dat wegblijven niets begrepen. Die gevoelden zich in de kou gelaten en in „het defensief” gedrukt.

De herv. hoogleraren hebben hééft ds R. gelijk m.i. bovendien vergeten, dat de discussies ter conferentie wel is waar tussen de vóórmannen werd gevoerd, maar voor het forum van een brede ~schare”, het ging dus niet alleen om de reactie en houding der gereformeerde leiders, maar in het bijzonder om de indrukken die de gesprekken bij de vele gewone gemeenteleden van beide kerken achterlieten!

Bij deze conferentie werd de discussie van de top, waar zij de laatste jaren te veel geïsoleerd bleef, naar de lagere regionen overgebracht! Dat hield vele mogelijkheden en kansen in. Die mogelijkheden en kansen zijn er nog.

Laten wij, hoogleraren, ambtsdragers en gewone gemeenteleden ons niets aantrekken van welk bolwerk van onaantastbaarheid ook, maar het aóntasten, zelf bereid blijvende ook ons zelf te laten aantasten.

De conferentie wil een begin zijn voor nieuwe gesprekken. Dat willen ook de Gereformeerden, althans velen hunner. Die wil moeten en mógen wij ernstig nemen. Reeds nu een vraagteken te zetten achter de zin van dit alles, kan de verwachtingen die gewekt zijn, de bodem inslaan nog vóór een redelijke poging werd gedaan ze te verwerkelijken.

Die poging vereist evenwel aller medewerking. Niet alleen ter wille van het sociale leven; maar ook ter wille van de verhouding der kerken. J. P. HOGERZEIL

DE GROET

El Greco (1548-1625) Mam-Boodschap

„Grüsz Gott”, zegt men in Oostenrijk en het Zuiden van Duitsland, wanneer men een voorbijganger groet. Het is moeilijk om de juiste betekenis van deze woorden te doorgronden. Naar alle waarschijnlijkheid betekent het „God laat u groeten”, God laat u door mij groeten, omdat wij samen in God verbonden zijn.

Wanneer mensen elkaar groeten, is een zekere openheid gewaarborgd. Niet in de stad, maar wei op een eenzame weg komt men er vanzelf toe elkander te groeten. Het doet onaangenaam aan, wanneer een eenzame wandelaar u zonder te groeten voorbijloopt. De groet kan een zo grote openheid en vreugde teweegbrengen, dat wij de werking er zelfs lichamelijk van ondergaan. Zo was het in ieder geval, toen Elisabeth de groet van Maria hoorde.

Maria is op haar beurt ook op bijzondere wijze gegroet. De engel staat vóór haar en begroet haar met deze woorden: „Wees gegroet, gij begenadigde, de Heer is met u”. Eigenlijk verschilt deze groet niet zoveel van het gemoedelijke „Grüsz Gott”. Als de groet maar niet zozeer met slijtage te kampen had, kon daarvan voor het heil van de wereld veel grotere zegen uitgaan.

Maria is de begenadigde, daarom eren wij haar. Wij eren haar, wat nog iets anders is dan verering. Het is duidelijk, dat de ’Rooms-Katholieken in hun verering veel te ver gaan en dat dit gaat ten koste van de Zoon. Maar het is evenzeer duidelijk, dat de Protestanten in hun eerbied niet ver genoeg gaan en Maria alleen nog kennen als de bedeesde vrouw, die ook een rolletje speelt in de heilsgeschiedenis. Wij leggen wel sterk de nadruk op haar nederigheid en gehoorzaamheid, maar veel te weinig op haar hoogheid.

Wij eren in Maria de vrouw en de moeder. Elk geloof neemt in een bepaald beeld gestalte aan. In het Protestantisme overweegt het vaderbeeld dermate, dat het moederbeeld dreigt weg te vallen. De moeder is het beeld van veiligheid en rust, wie „moeder” zegt, zegt „thuis”. De moeder is ook het beeld van blijdschap en ontspanning, zij is het zonnetje in huis. Maar bovenal is de moeder het beeld van volharding en lijden, omdat zij als vrouw de smart van het baren in haar wezen draagt.

Zodra het beeld van de moeder in het geloofsleven verloren gaat, heeft dit verstrekkende gevolgen. Men verliest daardoor de rechte verhouding tot de kerk. Want zoals de moeder het beeld is van veiligheid en rust, van ontspanning en blijdschap, maar bovenal van volharding en lijden, zo laat zich dit alles terugvinden in datgeen, wat wij kerk noemen.

„Kerk” is een geheim, zo goed als „moeder” een geheim is. Wij hebben dit geheim verraden, in ieder geval aan een valse openbaarheid prijsgegeven. Wij hebben dingen van de kerk gezegd, die wij van onze eigen moeder nooit zouden gezegd hebben. Wij hebben haar als een hoer behandeld en willig aan spot en critiek het volle pond gegeven.

Nu komt het erop aan de weg terug te vinden. Daarbij kan Maria ons behuipzaam zijn, natuurlijk op een verantwoorde wijze. Maria is niet het hoofd, haar Zoon is het hoofd van het lichaam, dat wij in navolging van Paulus het meest doeltreffende beeld voor de kerk achten. Maar Maria is het geheim, waardoor dit lichaam zozeer ons vertrouwen wekt. Daarom kunnen wij zonder vrees voor de rozenkrans de engel toch nazeggen: „Wees gegroet, gij begenadigde, de Heer is met u”. A. F. L. VAN DIJK