is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 1, 03-01-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

I den Heer \ behoort de aarde J en haar ■ volheid. j Psalm 24:1 /

Tyd en Taah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR. EVANGELIE 'EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR — 51STE JAARGANG WERELD”

Zaterdag 3 Januari 1953 Nr 1 Redactie: dsj. J. Buskesjr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. BomhofF Redactie-Secr.; Roerstraat 48® Amsterdam-Zuid Telefoon 24386 p/a dr J. G. Bomhofif Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet dsH.J. deWijs Mej. dr M. H. v. d. Zeyde e.a.

mnement per jaar ƒ 5,—; halfjaar/2,75; kwartaalƒ I,soplusf 0,15 incasso. Losse nrsf 0,15; Postgiro giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C;'Posthus\Boo

BEMOEDIGING

BIJ HET NIEUWE JAAR

W,. . , . , , eroep rondom Tijd en Taak – hebben m het afgesloten jaar 1952 ineer dan eens gelegenheid gehad om ons het verleden te binnen te brengen, en ons te reahseren wat het betekent erfgenaam” te zijn. Wij herdachten het feit dat een ha ve eeuw geleden „de Blijde Wereld” m het leven werd geroepen; wij stonden bij de baar van Henriette Roland Holst en E. C. Ehiappert, elk op eigen wijze pionierster voor een zaak, die ook ons leven gezegend heeft; wij droegen Lide Otte—Amolli mee ten grave, die zoveel heeft dóórgegeven van wat zij mede in Barchem en Bentveld in een reeks van jaren ontving. Nu ik mezelf tot bezinning buig, niet alleen oyer dit éne jaar dat voorbij is, maar over die geheimzinnige samenhang van de voortstromende tijd, komt óók naar boven een pijn om onze vluchtigheid en sleur, die zo gemakkelijk het gróte vergeten doen, het grote leed zowel als de diepe vreugde, en boven beide uit: de grote roeping en

Met innerlijke schaamte ben ik onlangs teruggekeerd van een verblijf in Berlijn; ik heb daar veel mensen gesproken uit de Oostzone, waar een verdrukking heerst tienmaal erger dan wij in de bezettingsjaren hier moesten ondergaan. lemand zei tegen me: „wij, achter het ijzeren gordijn, hebben het besef dat men in het Westen ons, achttien millioen Duitsers, eenvoudig heeft af geschreven”. Ik had niet de moed, hem tegen te spreken: een poging immers om de volken achter het gordijn te bevrijden, kan alleen neerkomen op een derde wereldoorlog wie durft daartoe de verantwoordelijkheid op zich nemen? Maar toen de werkelijkheid ineens zo schrijnend fel voor mij kwam te staan, werd mij plotseling opnieuw bewust, wat er was omgegaan in ónze harten in de jaren van de concentratiekampen der nazi’s, hoe wil

toen waarachtig hebben gebeden, dat onze kinderen nooit zó naar de vrijheid zouden behoeven te hunkeren als het was het lot generatie – en dat, terwijl wij zekerheid die de Oost- Duitsers, de Tsjechen, de Hongaren enz. herinnering te voorschijn een vers uit de bezettingSijd, de dichter bidt:

„Maar als ik leven mag tot de bevrijding, en juichen op het overwinningsfeest, God, doe dan dit mij weten: wat voorbijging aan nood en leed is niet vergeefs geweest..

Levend werd opnieuw het gróte leed en <ie gróte strijd dier jaren, waarin wij geloofden, dat de martelaars voor de vrijheid de bodem bereidden voor een nieuw volk en een nieuwe toekomst... En nu ga ik niet bitter schimpen op de „anderen”, die ontrouw werden aan visie, verwachting en droom; ik ontdek met schaamte in mijzelf, hoe gemakkelijk ik me heb gevoegd, en me verontschuldigde met mijn werk, waarin ik vluchtte... Ik zie nu, aan het einde van het jaarl9s2, aan het begin van een nieuw jaar, dat wij ontvangen mogen, levensgroot de vraag voor mij staan: wat draag je mee van de grootheid der visie, van de verwachting en de geloofskracht der pioniers, die je in het afgelopen jaar hebt herdacht? Als „men” de cynische, verbitterde, honende „men” die óók in je zelf huist ergens in een donkere hoek van je ziel als „men” je toevoegt: woorden, woorden, al maar wóórden, wat is dan het eerlijke antwoord van je hart?

De „herdenking” van feiten en van personen die wij als onze pioniers eren, heeft het is mij in het afgelopen jaar telkens scherp bewust geworden enorm gevaarlijke kanten. Natuurlijk: wij zijn hartelijk en dankbaar, soms feestelijk gestemd. Maar we verkijken ons o zo gemakkelijk in zelf-

overschatting. Als Ik lees, dat men in Leeuwarden bij de herdenking van de Blijde Wereld-oprichting een 120 mensen bijeenkreeg, dan is dat in feite de registratie van ons falen. En als in Bentveld en Kortehemmen bij uiterst belangrijke en boeiende onderwerpen dezelfde paar honderd mensen zeg duizend komen profiteren, dan is dat in feite de voortzetting van onze armoede. En als het aantal abonné’s op Tijd en Taak blijft schommelen om de vaste kern, dan kan ik me daar wel mee troosten bij buurman is het ook niet beter —, maar dan is dat meer stilstand in een vijvertje, dan stroom en storm in lentetijd. En als Henriëtte Roland Holst door een jonge generatie niet eens meer gelézen wordt, om te zwijgen van verstddn worden, dan is dat een armoedig geval... armoedig niet voor haar, maar voor ons volk en voor de toekomst. Het was, en is, ons om niet minder te doen dan om deze worsteling: dat de ziel van ons volk, en in het bijzonder van het socialistische volk, weer zou leven uit de aanbidding van de grootheid en de heiligheid van de Liefde van God. Omdat alleen door deze aanbidding, die gehoorzaamheid en dienst tevens is, een mens waarachtig mens wordt. Omdat alléén door de stuwende, rebellerende kracht der Liefde de wereld waarachtig vrij wordt. Men kan dat een „kreet” noemen best, van een bepaald gezichtspunt uit is het ook niet meer. Maar het kan ook, voor wie er in zijn leven door gegrepen en gedragen wordt, de concrete taak van het heden zijn, waaraan alle concrete taken: de socialisatie en de werkloosheidsbestrijding, de onderwijshervorming en de belastingpolitiek, de Ronde-Tafelconferentie en de integratie van Europa, hun wezenlijke glans ontlenen; het kan ook de Bron van bezieling zijn, waaruit allen drinken die ergens op eenzame posten ploeteren en zwoegen om gerechtigheid en menselijkheid.

Het terugzien op het werk der eigen beweging en groep wordt tot zelfmisleiding, wanneer wij deze isoleren van de tegenkrachten en de nood der wereld. Het is geen stichtelijk zinnetje, wanneer ik zeg vurig te hopen dat God ons daarvoor bewaren moge in het nieuwe jaar. Ik kan ook proberen mezelf daarvoor te bewaren, door nuchter, zakelijk en critisch te blijven en dat is zeker nodig. Maar als God er ons voor bewaart: de Bron waaruit alle levenskracht ons toevloeit, het Vuur waaraan onze bezieling wordt ontstoken, en de Rust waarin onze angst en onrust wordt gestild, dan blijven wij warm en strijdbaar en diep-in dankbaar. De heiliging van het leven, voor persoon en gemeenschap, komt tot stand door de verborgen omgang met God. Daarom, makkers: bij de ingang van het nieuwe jaar moge God ons „bewaren”.

W. B.