is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 1, 03-01-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

MAATSCHAPPELIJKE VERWILDERING DER JEUGD

Het onder bovengenoemde titel verschenen „Rapport betreffende het onderzoek naar de geestesgesteldheid van de massajeugd” is reeds enige maanden oud. Maar tot nu toe is het merkwaardig stil rond dit rapport gebleven. Het is niet onmogelijk dat dit samenhangt met het feit dat er een tweede, afzonderlijk rapport verwacht wordt van R.K. zijde. Het Mgr. Hoogveldinstituut zal nl. binnenkort iets dergelijks op tafel leggen, speciaal de zuidelijke provincies betreffende. We kunnen de machteloze verzuchting slaken waarom een dergelijke verbrokkeling helaas weer nodig is gebleken en we mogen de vraag stellen of de van rijkswege beschikbaar gestelde gelden op de meest efficiënte wijze zijn besteed, maar ach... op deze vragen komt geen antwoord! Intussen zal het te verwachten R.K. rapport ongetwijfeld zeer degelijk zijn, mede vanwege het feit, dat meer dan 50 pet van de ministeriële „potvoor-dit-onderzoek” aan R.K. zijde is toegevallen. Men kan nu eenmaal met 65 pet meer doen dan met 35 pet, of hoe de percentages dan ook verdeeld mogen zijn. Het is en blijft jammer dat wij ten aanzien van de zuidelijke provincies dus alleen van R.K. zijde zullen worden ingelicht, want het zou uiterst interessant zijn geweest juist van protestantse of neutrale kant een rapport te verkrijgen over dit probleem. Het is nl. niet onmogelijk dat de levens- en wereldbeschouwing der enquêteurs en rapporteurs een hartig woordje meespreekt, zowel bij de diagnose als bij de aanwijzing van de maatregelen tot tegengaan van de verwildering. Maar zeker spreekt het levens- en wereldbeschouwelijk element een woord mee, als het gaat om het vraagstuk van de samenwerking tussen de verschillende instanties die aan massajeugdwerk doen. Met deze laatste opmerking zijn we eigenlijk al toe aan één van de kernpunten van de in het onderhavige rapport aangegeven maatregelen voor oplossing van het probleem van de verwilderde jeugd. Er liggen in dit rapport zoveel gegevens die nadere discussie vragen, dat we voor T. en T. natuurlijk wei een keuze moeten doen, en dan lijkt het aangewezen om eerst iets te zeggen over het rapport in z’n geheel. Evenwel: naar mijn mening zal de bespreking vooral dienen te gaan over hoofdstuk 111 van dit rapport, omdat we ddar terecht komen op het terrein van de practijk.

Eerst enkele opmerkingen over het rapport in z’n geheel. Bij de grote waardering die dit geschrift verdient mogen critische opmerkingen niet achterwege blijven. En dan valt het allereerst op dat het tweede deel van de opgegeven taak, nl. „een onderzoek in te stellen naar... de beïnvloeding van de mentaliteit der zg;n. massajeugd” nauwelijks aan de orde is gekomen. Het eerste deel van de toegewezen taak was het ontstaan der massajeugd na te gaan en te schetsen. Ongetwijfeld is dit gebeurd, hoewel we ook daaromtrent wel enige vragen te stellen hebben. Maar de geestelijke beïnvloeding is eigenlijk niet getrokken binnen de kring van de studie. Of... moeten we er genoegen mee nemen het „geestelijke” alleen aangeduid te zien als het „culturele”, een enkele keer als „het ethische”? Ik besef volkomen dat het uiterst moeilijk was voor de zes samenwerkende instituten te komen tot een eniger-

mate aanvaardbare omschrijving van „het geestelijke” en met een of andere grootste gemene deler zouden we al zeer weinig geholpen zijn. Maar de grote angstvalligheid die de rapporteurs betonen in het aangeven van ook maar de geringste kwalificatie op dit gebied, is toch wel erg jammer. Zou het mogelijk zijn dat van bepaalde zijde, ik denk bijv. aan de synodale herv. jeugdraad, daaromtrent een nota gericht wordt aan de minister van 0., K. en W?

Een aridere kwestie is; dit rapport is samengesteld mede op grond van 106 deelrapporten. Deze deelrapporten zullen gelukkig t.z.t. ook wórden gepubliceerd en dan zullen we dus pas definitief ons oordeel kunnen geven. Maar wat nu uit deze deelrapporten soms is aangehaald maakt ons toch wel wat huiverig t.a.v. de waarde van deze gegevens. Hoe zijn deze gegevens verzameld? Waren de ondervragers deskundig genoeg? En... waren de ondervraagden deskundig genoeg? We zullen niet al te veel nadruk leggen op het feit dat sommige instanties en personen, die geacht mogen worden enig inzicht in deze materie te hebben, in het geheel niet zijn ingeschakeld, maar... als dan zij, aan wie wél hun mening gevraagd is, deze ook maar goed konden formuleren, ten minste... als zij een mening hadden! De algemeenheden die in dit rapport voorkomen zijn nl. nog al groot in aantal; en sommige concrete zgn. „gegevens” zijn zó apert onjuist, dat men te recht vragen mag of er met voldoende oordeel des onderscheids is gevraagd en evenzeer: of men met voldoende critische scherpte de toegevloeide meningen heeft onderzocht op hun juistheid. De opmerking bijv. op blz. 43 over de prostituée’s en hun vestigingen gaat ten aanzien van Amsterdam zeker niet op. En als men met een voorbeeld als Veenendaal wil aantonen dat er correlatie bestaat tussen maatschappelijke verwildering en industrialisatie, dan moet men daar eenvoudig in margine enkele vraagtekens plaatsen. Immers: betekent correlatie dat het één er is gekomen dóór het andere? 0f... zijn er andere factoren die maatschappelijke verwildering in de hand hebben gewerkt en waarbij dan de industrialisatie een factor van procesversnelling kan geweest zijn? En is maatschappelijke verwildering niet ook

opgetreden terwijl er gunstiger factoren ook wel degelijk aanwezig waren? Deze vragen blijven onbeantwoord en dat is wel heel erg jammer omdat de „industrialisatie” maar al te spoedig dreigt te worden het ezeltje op wiens rug alles gepakt kan worden. M.a.w. ik vind het rapport t.a.v. dit punt niet compleet, oppervlakkig, onduidelijk.

Maar zeer teleurstellend vind ik het op blz. 27 v.v. vermelde in zake jaet ontstaan (en voorkomen) van de maatschappelijke verwildering. Nadat er in de inleiding enkele opmerkingen over zijn gemaakt, zou men verwachten hier althans een enigszins samenvattende beschouwing te lezen, die teruggrijpt op de vorige eeuw en de toen ontstane maatschappelijke verhoudingen en spanningen, de strijd om sociale gerechtigheid en menswaardig bestaan, de botsing tussen liberalisme en socialisme, het uiteengroeien van volksleven en geestesleven in z’n breedste én diepste aspecten. Maar... van dit alles nagenoeg niets. Hangt dit samen met het feit dat men de „mentaliteit” der massajeugd alleen heeft geschetst met betrekking tot de maatschappelijke aan-de-dag-treding en niet of althans te weinig als resultante van de strijd van vorige generaties? Waarom heeft men dit toch zó aangepakt in het rapport? Waarom heeft men nu juist niet t.a.v. het ontstaan der massajeugd ons een gedegen stukwerk voorgelegd, dat wellicht allerlei pijnlijks zou hebben opgeleverd, maar dat zeer zeker weer opnieuw de ogen zou hebben geopend voor de collectieve schuld die hier ligt? In dat gedeelte over het ontstaan van de massajeugd had ik een klemmend, een fascinerend betoog verwacht, een appèl tevens, 0f... is zo iets in een rapport aan een minister misplaatst? Er is hier en daar al wel gesproken over dit rapport als een„studeerkamer-product” en daar zal wel veel waars in liggen. Maar dan is dat slechts te betreuren, want alleen het hartstochtelijke confronteren met de realiteit van vandaag, zoals deze ontstaan is uit het barre verleden, zal in staat zijn hier werkelijk tot stand te brengen wat tot stand gebracht móet worden : een gespannen aanvatten van het probleem van de verwildering der jeugd, los van de concurrentie en los van allerlei dat doet denken aan hokjes en schotjes en zuiltjes. Mijns inziens zou het hier de plaats geweest zijn voor een betoog dat uitliep op een méér profetische oproep tot samenwerking dan er nu uit de pen is gevloeid.

Maar... hoofdstuk 111 over de voorgestelde maatregelen dient aan de orde te komen. In een volgend artikel gaan we daar nader

op in. A. A. W.

Vervolg van pag. 5 „plezier” in het werk) bij de ongeschoolde arbeider, dat m.i. door dr Haveman op een uitstekende wijze is behandeld en waarin zeer duidelijk naar voren komt van welk een enorme betekenis de menselijke verhoudingen in het arbeidsproces zijn; de houding van de ongeschoolde arbeider tegenover de vakbonden; de betekenis van „buurt” en „bende” voor de ontwikkeling van de jongen en het meisje uit dat sociale milieu; het korte, maar bijzonder instructieve overzicht van de ontwikkeling van de werkloosheidszorg in ons land; het zeer verhelderende en van grondig onderzoek getuigende gedeelte over de D.U.W., de gevolgen van de vestiging van industrie op het platteland, enz. De verleiding is groot om over elk van deze onderwerpen een

aantal citaten uit het boek over te nemen. De ruimte laat dat niet toe. Wie belangstelling heeft voor de vraagstukken van de arbeid en de arbeiders, mag om een vrij afgesleten, maar oprecht gemeende uitdrukking te gebruiken dit boek niet ongelezen laten. We sluiten ons daarbij nogmaals aan bij de woorden van prof. Bonman, als hij aan het slot van zijn voorwoord de wens uitspreekt: „Moge men tevens leren begrijpen hoeveel de practici van velerlei soort uit het door de auteur bewerkte materiaal kunnen putten om hun sociale functie op verantwoorde wijze te vervullen. J. H.

*) Dr J. Haveman. De ongeschoolde arbeider. Van Gorcum en Co N.V., Assen 1952. Ing. ƒ7.65; geb. ƒ 8.50.