is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 2, 10-01-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Maatschappelijke verwildering der jeugd

2

In aansluiting op het vorige artikel over bovengenoemd onderwerp, willen wij nu graag iets schrijven over Hoofdstuk 111 van het rapport over bovengenoemd probleem. En dan vooral over de kwestie van de samenwerking tussen de verschillende jeugdzorginstanties, een aangelegenheid, die o.a. ook al in het uitstekende r.k. tijdschrift Dux aan de orde is gesteld, en waaromtrent binnenkort in dat tijdschrift een nadere discussie volgen zal. Het is geen wonder dat de discussie vooral gevoerd zal worden tussen twee groepen, waarvan de ene zeer samengesteld is en de andere niet. De eerste groep is die van het protestantse en humanistische front. Ik bedoel hiermede niet te zeggen, dat tussen deze twee sectoren van dat front niet ook bespreking nodig en overleg noodzakelijk is. Integendeel. Maar gezien hun instelling en vooral gezien de wijze waarop deze beide sectoren het probleem van de massajeugd benaderen, is er toch meer openheid voor onderling overleg enerzijds en een min of meer gelijke houding tegenover r.k. anderzijds, dan dit het geval is van r.k. zijde. Deze laatste toespeling is in geen enkel opzicht een devaluering van het r.k. standpunt. Immers: we zullen rekening moeten houden met het feit, dat het r.k. standpunt vanzelfsprekend meer omlijnd is dan dat van de eerstgenoemde sectoren. De vraag waar het om gaat is alleen deze: of het mogelijk is om gezamenlijk, dus van neutrale én van humanistische én van protestantse én van r.k. zijde, te komen tot werkelijk overleg en zo ja, in welke vorm dat dan zal kunnen geschieden. Binnen de protestantse sector zijn er natuurlijk ook nog verschillen; ik denk aan hervormd en gereformeerd. Maar als ik het wel zie is het verschil daar nog niet zó toegespitst, dat we al van deelsectoren kunnen spreken. En moge dat ook nimmer het geval worden! Ik besef heel goed, dat bijv. ten aanzien van de godsdienstige beïnvloeding van de massajeugd er binnen de protestantse sector op onderscheiden wijze kan worden gedacht over de religieuze waarheidsvraag en derhalve over de methodiek dier beinvloeding. Aangezien ik daarover al eens schreef in T. en T., ga ik daarop hier nu

niet nader in. Ik meéh alleen te kunnen constateren* dat de kwesties zich (nog?) niet zó hebben voorgedaan, dat verregaand overleg uitgesloten geacht moet worden.

Wat evenwel steeds meer een punt van overleg, en soms zelf van zorg uitmaakt, is: is het gewenst en mogelijk om tot vergaande samenwerking te komen tussen r.k. en de eerstgenoemde groep? Ook al worden in het onderhavige rapport de zaken natuurlijk niet bij de naam genoemd, in feite betrekt zich dat wat op de blz. 58 v.v. gezegd wordt wel degelijk op de aangegeven controverse. Het rapport spreekt in dat opzicht duidelijke taal en ik kan er niet aan ontkomen enkele aanhalingen te doen uit dat gedeelte:

„Met alle erkenning van de noodzakelijke differentiatie der beschikkingen, zodat de financiële voorzieningen niet dwingen tot organisatorische en ideologische stereotypie, zal de overheid toch tot goede gemeenschap moeten manen en tot vindingrijkheid in samenwerking moeten opvoeden, wil zij niet verhinderd worden haar elementaire plichten te vervulien. Te zeer staat in ons land van tevoren reeds vast, dat gemeenschappelijke arbeid uit den boze is, en dat de overheid slechts de dienares te zijn heeft van iedere groepering die haar daartoe brengen kan. Hoe waardevol 'particulier initiatief 00/c zijn moge, het mag zich niet ten detrimente van de gemeenschap uitleven. Zowel in het economische als in het ideologische is dit zeker geen ondenkbaar gevaar

Ideologisch particularisme is geen denkbeeldig gevaar in Nederland. De strijd om de openbare middelen zoveel mogelijk aan te wenden tot vergroting en versterking van de eigen greep op het leven van ons volk wordt niet zelden opgevat als de strijd op leven en dood om een geestelijk goed zijn plaats onder de zon te geven. Aldus bereidt op zijn tijd ieder, die de behartiging der belangen onwillekeurig en in daden zo blijkt op te vatten, een monopolisering der openbare middelen voor, die in wezen neerkomt op een gewraakte staatspaedagogiek...

Willen wij in zake de bestrijding der maatschappelijk verwilderde jeugd niet tot verregaande samenwerking komen, dan zal de maatschappelijk verwilderde jeugd niet te bestrijden zijn.”

Wij kunnen niet anders dan dankbaar zijn voor de klare taal die hier gesproken wordt. Er is opgemerkt, dat „ideologisch particularisme” een volksdemagogische term is en een gevoelstoon bezit waartegen men bezwaar kan maken. Natuurlijk, en men kan dat bezwaar meer kracht bijzetten door bijv. te wijzen op de noodzaak om levens- en wereldbeschouwelijke beïnvloeding der jeugd voor te staan en dat de overheid juist als overheid tot taak heeft ook die beïnvloeding te steunen. Maar zo eenvoudig ligt de zaak niet. Immers: bij de verscheidenheid van inzichten die er in ons land heerst, kan, juist onder het devies van de geestelijke vrijheid het ogenblik komen waarin ieder over ieder ander heersen gaat, zoals terecht in het rapport wordt

opgemerkt. En dat ogenblik komt te eerder (het rapport zegt zelfs: komt onherroepelijk!) naarmate van de een of andere zijde de wezenlijke samenwerking wordt afgewezen en men slechts genoegen zou nemen met bijv. federatief overleg. In het rapport wordt het stichten van een overkoepelende organisatie voorgesteld, op democratische beginselen gegrondvest. Dit sluit vanzelfsprekend in, dat er een meerderheid en een minderheid kan zijn. Werkelijk democratisch is het, dat de meerderheid niet ideologisch zijn wil oplegt aan de minderheid, maar het kon wel eens gebeuren, dat verwerping van een dergelijke overkoepelende organisatie neerkomt op het opleggen van zijn wU door een minderheid aan de meerderheid! En is dat democratisch? En vooral is het democratisch dat dan een minderheid in een isolement treedt om van dat isolement uit de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid te maken tot een lege leuze? Want alweer: het is helemaal niet denkbeeldig dat die minderheid op grond van haar ideologie een vetorecht gaat toepassen, dat al even weinig vruchtbare arbeid teweegbrengt als in de UNO het geval is! En mogen we zulk een risico lopen, gezien het ontstellende probleem van de verwildering der jeugd?

Op gevaar af van lichtelijk onheus te worden, kan ik toch niet verzwijgen, dat het laatst gesignaleerde gevaar m.i. inderdaad aanwezig is, gezien de samenstelling van het ministerie van 0., K. en W. Zal de minister iets voelen voor een dergelijke overkoepelende organisatie? Of zal hier het ideologische gaan prevaleren boven de gemeenschappelijke taak?

Wij beleven nu al reeds het zeer onverkwikkelijke schouwspel van de run op de staatsruif en van de jacht op rijkssubsidie. Waarbij het subsidiabel willen zijn meermalen de principiële kwesties van massajeugdwerk dreigt weg te drukken. Moet dat zo voortgaan? Maar een dwaas kan veel vragen

En intussen bekommert zich de jeugd die wij grijpen willen, geen spat om de ideologie! En als men deze jeugd te dicht nadert met ideologische wapens, dan geeft ze resoluut niet thuis! Wanneer zal men toch eens de hele zaak gaan beschouwen en aanvatten enkel en alleen van deze jeugd uit? En wanneer zullen we de geloofsmoed (ja: peloo/smoed!) opbrengen om onze ideologische waarheden slechts te gebruiken als stimulans voor de arbeid onder deze jeugd, zonder dat we deze waarheden voor ons uit schuiven? Want doen we dit laatste, dan schuiven we de jeugd tevens van ons weg, zoals een sneeuwschuiver de sneeuw aan de kant van de weg! „Slechts een gesloten ■front kan de strijd aanbinden tegen de massificatie”, zegt het rapport. Als dót inzicht zich eens baanbrak

Ik wil maar zeggen: hoofdstuk 111 van het rapport over de maatschappelijke verwildering der jeugd geeft stof te over voor doordenking en voor samenspreking. Zal deze laatste er komen? Het is reeds zo vaak bewezen, dat federatieve samenspreking practisch weinig nut afwerpt. Het geeft een rompslomp van gevoeligheden, \an waken voor grensafbakeningen, en taakoverschrij dingen, waar men alleen maar dodelijk vermoeid van raakt. En we hebben meer nodig dan een gesprekpodium; we hebben een gemeenschappelijke werkplaats nodig! Of die er komen zal? Het antwoord op die -vraag kon wel eens negatief uitvallen door het isolement van een minderheid.

En de jeugd verwildert.

A. A. W.

interesse, vrije-tijdsbesteding, functionele democratie, radio, enz. enz. Hier moet gestudeerd èn geprobeerd worden. Niet alleen rapporten en congressen, maar ook proefnemingen eerst op kleine en dan op steeds groter schaal. Het kon bij dit werk wel eens blijken, dat de politiek wel de centrale, maar niet meer de allesbeheersende positie van de socialistische activiteit innemen zou. Mits de socialistische gezindheid levend blijft...

*) Ik dank prof. Polak voor zijn toelichting (zie T. en T. 3-1-53) bij zijn artikel in S. en D. Op het 2e deel kom ik volgende week terug.

J. G. B.