is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 2, 10-01-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dat een reeks weerstanden kon worden opgeruimd. Maar daarbij is het veelal ook gebleven.

Even iets te scherp geformuleerd, zouden we kunnen zeggen; voor het besef van veel arbeiders is de kerk van een verschijnsel met een groot minteken er voor herleid tot een nul. Slechts hier en daar kwam het tot een plusteken.

Wat zijn hiervan de oorzaken? Misschien is één daarvan, dat de kerk te veel waarde aan de „inhaalwedstrijd” heeft gehecht, ’t Is natuurlijk erg mooi, dat de kerk zich ook verklaart tot kampioene van sociale gerechtigheid en zich solidair verklaart met de arbeiders in hun strijd voor deze gerechtigheid, maar zij moet wijselijk nuchter zien, dat de arbeider haar althans voor zijn eigen besef daarvoor niet nodig heeft. Daarvoor heeft hij genoeg aan zijn vakbond en zijn partij, die in het verleden de kastanjes voor hem uit het vuur hebben gehaald en dat nog doen. De in het verleden gemiste kans keert in dit opzicht niet terug. Het enthousiasme en de daarmee annexe verwachtingen in kerkelijke kringen over eigen vondsten zijn daardoor niet altijd reëel, ’t Heeft soms iets weg van de houding van iemand, die voor het eerst Beethoven „ontdekt” en nu tegen een Beethovenkenner zegt: „Nu zal ik je eens duidelijk maken hoe mooi de muziek van Beethoven wel is.”

Om even een voorbeeld op een ander terrein te geven: de Ned. Herv. Kerk heeft een mooi stuk over het huwelijk gepubliceerd. Inderdaad een waardevol stuk en alleszins de moeite van het lezen waard. Maar juist op de punten, waar het een -- voor de kerk heilzaam, nieuw geluid laat horen, is het voor de moderne mens allerminst verrassend. Dat vermindert niet de waarde, maar wel het effect.

Een andere oorzaak ligt misschien in het feit, dat zeer veel arbeiders het gevoel moeten hebben, dat de kerk (d.w.z. in dit geval de dominees en de publicaties in kerkelijke tijdschriften) meestal praat over andere mensen dan zij zijn. ’t Gaat telkens over de mensen, zoals Sartre die schildert of over de mens uit het „25ste uur” of over de spoken van Onveil of over de „vierde mens” (Hoekendijk) enz. D.w.z.: over door bepaalde intellectuelen geconstrueerde beelden van de arbeider, in welke beelden voor een flink deel deze intellectuelen hun eigen problematiek hebben geprojecteerd. Men leze ter vergelijking eens de artikelen van ds Dippel in „Wending”. Hoewel hij o.i. ook niet geheel aan het genoemde gevaar ontkomt, is het toch een verademing te lezen wat hij schrijft.

De Koningen onderweg. Houtsnijwerk uit Miinchen.

Voor een werkelijke ontmoeting tussen kerk en arbeider zal meer bescheidenheid en minder romantiek nodig zijn. ’t Belangrijkste is o.i. echter, dat de kerk de moed en de kracht zal moeten opbrengen om pionierster te zijn en geen aanhangwagen. De kerk zal vooraan moeten staan, waar het gaat om de nieuwe vragen. Het voorgaande is namelijk niet geschreven uit defaitisme. Het aan de kerk toevertrouwde evangelie is een „kracht Gods”, een „bron van levend water”, ook voor de uitgeputte en uitgedroogde maatschappij van nu.

Daarbij zal de kerk moeten zien, dat het nu gaat om de mens als mens te redden uit de greep van allerlei collectivismen en materialismen.

De kerk kan daarbij nooit volstaan met napraten, wat anderen ook al hebben gezegd. Zo zal de kerk bijv. duidelijk moeten maken, dat de leus van „sociale gerechtigheid” niet zonder meer zaligmakend is. Ook in naam der „sociale gerechtigheid” kan de mens uitgeleverd worden aan een

niet-ongevaarlijk collectivisme. Dat gevaar kan nl. niet alleen dreigen van de zijde van communisme en fascisme. Het kan zich ook openbaren binnen instellingen in een democratische staat. De kerk zai duidelijk moeten maken, dat sociale gerechtigheid meer is dan een economische categorie en een organisatiekwestie. De kerk zal een correctief moeten zijn naar alle zijden. Het gelijk ligt niet altijd automatisch aan één kant. In concreto bijv. noch bij de werkgevers- noch bij de werknemersorganisaties. Daarnaast zal de kerk ook de moed moeten hebben om eens een streep te halen door al dit gedoe, de betrekkelijkheid er van scherp moeten uitspreken en kunnen zeggen: „Je gaat met al je sociale en economische bedrijvigheid, idealen en vooruitgang naar de ondergang, indien je met je leven niet komt tot de ontmoeting met God. Want de mens ook de arbeider van nu heeft bitter weinig aan een kerk, die zich solidair met hem verklaart, zich uitslooft om hem aan te tonen hoe sociaal-progressief ze wel is, maar onder al die bedrijvigheid vergeet hem eerlijk te zeggen, dat hij met zijn leven in de knoei en de mist blijft zitten als hij niet de weg vindt tot God. j. h.

ANTWOORD AAN MR HOGERZEIL

„Heeft spreken nog zin?” heb ik in het nr van 22 Nov. gevraagd. Ik stelde die vraag met het oog op wat na de Christelijk-Sociale Conferentie vooral van gereformeerde zijde was geuit. Ik citeerde een zin uit het congresverslag, zoals ik het in „Trouw” vond en ik haalde een nabeschouwing van prof. Brillenburg Wurth uit het „Gereformeerd Weekblad” aan, waarbij ik wees op de afwezigheid van Hervormde theologische hoogleraren.

Twee punten dus. Nu zegt mr J. P. Hogerzeil: ik zie dat heel anders. De conclusie van de plenaire zitting houdt juist alle mogelijkheid open en daarom moet men niet zo negatief staan tegenover de resultaten. Juist de Hervormden moeten hun verantwoordelijkheid kennen, mede, omdat vele gereformeerden inderdaad hunkeren naar een gesprek. Wat het eerste punt betreft: hier hebben wij op een verrassende wijze allebei gelijk gekregen. Ik ging uit van het „Trouw”-ver(Vervolg pag. 6)