is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 3, 17-01-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

TEGEN DE REVOLUTIE?

De staking bij „De Ommelanden” te Groningen was voor ons indertijd aanleiding om in dit blad enkele opmerkingen te plaatsen over de samenwerking tussen de algemene en de protestants-christelijke vakorganisaties.

In ons artikel „Enkele kanttekeningen bij een staking” deelden wij iets mede omtrent het ontstaan en het verloop van de staking bij deze „coöperatieve” zuivelfabriek, de enige in ons land, die niet bij de Koninklijke Nederiandse Zuivelbond is aangesloten.

Het niet meewerken van het C.N.V. aan de staking heeft direct geen invloed gehad op de staking, omdat het ledental van de bij het C.N.V. aangesloten bonden op het moment, dat de staking uitbrak, vijf percent van het totaie personeel van de fabriek bedroeg.

Indirect is de houding van de confessionele bonden wel van invloed, omdat de openbare mening mede hierdoor gevormd wordt en het verloop van dit conflict overal in het land met belangstelling wordt gevolgd. Bovendien ontstaat verwarring en misverstand onder de arbeiders, die worden aangezocht om bij „De Ommelanden” te gaan werken.

De directeur van deze fabriek, die als gevolg van zijn houding het conflict heeft veroorzaakt, maakt van deze gelegenheid dankbaar gebruik door de schijn te wekken alsof hij vanuit een christelijk beginsel strijd voert tegen een revolutionnaire arbeidersbeweging.

Het gevaar is niet denkbeeldig, dat vele arbeiders voor zichzelf zullen concluderen, dat al wat christelijk is het natuuriijk weer voor de werkgever zal opnemen. De verhouding kerk en arbeiders kan door dit conflict ongunstig worden beïnvloed.

Het is om deze reden, dat wij omtrent de houding van het C.N.V. en de betreffende directeur nog enkele opmerkingen willen maken.

De houding van het C.N.V.

Het C.N.V. heeft in „De Gids” van September 1952 de directepr van „De Ommelanden” voorgesteld als iemand, die door zijn geweldige drijfkracht de kleine fabriek in enkele jaren heeft uitgebouwd tot een grote financieel gezonde onderneming. Welke methoden door hem zijn toegepast werd daarbij niet medegedeeld.

Voor de arbeiders, in groten getale georganiseerd in de A.N.A.B. (aangesloten bij het N.V.V.) werd gewaarschuwd, omdat zij in 1945 en 1946 lid zijn geweest van de E.V.C. Deze afkomst zou men in de gaten moeten houden en het feit, dat de A.N.A.B. met de mentaliteit van dergelijke mensen rekening wil houden, om het ontstaan van het conflict te kunnen verklaren.

Erkend werd, dat de directeur geen gemakkelijk heer is, maar alle wegen voor de vakbeweging om tot een vreedzame oplossing te geraken, waren niet uitgeput, omdat de Arbeidsgeschillenwet er ook nog is. Voor een staking was dus nog geen aanleiding, aldus het C.N.V.

Omtrent de houding van genoemde di-

recteur tijdens de Duitse bezetting werd in het betreffende artikel van het C.N.V. niets medegedeeld.

De publicaties in de dagbladen zijn thans op dit punt duidelijk genoeg geweest, om te weten welk vlees we hier in de kuip hebben.

Een aantal van de stakende arbeiders is inderdaad in de eerste periode na de bevrijding van ons land lid geweest van de Eenheidsvakcentrale. De overgang naar het N.V.V. heeft evenwel reeds plaats gehad, voordat algemeen bekend was, dat de E.V.C. geheel onder communistische leiding kwam te staan.

Het is een valse voorstelling van zaken door daarom die arbeiders in 1952 als onbetrouwbaar aan te wijzen en hen van een E.V.C.-mentaiiteit te beschuldigen. Vele duizenden arbeiders zijn indertijd lid geweest van een zgn. eenheidsbond, wel of niet aangesloten bij de E.V.C. met de bedoeling om tot één algemene vakbeweging te komen. Men behoeft hun houding van die jaren niet te bewonderen, om toch te kunnen begrijpen hoe zij na de bevrijding als gevolg van de bezetting en het gebrek aan voldoende voorlichting er toe gekomen zijn om de E.V.C. te kiezen.

Het aantal leden van het C.N.V., dat aanvankelijk (en in vele gevallen heel wat langer dan tot 1947) lid is geweest van de E.V.C. kunnen wij niet bepalen, maar naar onze stellige overtuiging is dat aantal niet gering.

De A.N.A.B. had reeds voor de staking een onderzoek laten instellen naar de door het C.N.V. genoemde Arbeidsgeschillenwet. Het bleek daarbij, dat deze wet ten eerste geen toepassing meer vindt en ten tweede tot basis had de bereidheid van conflicterende partijen om tot overeenstemming te komen.

Het is overigens het C.N.V. heel goed bekend, dat speciaal door de A.N.A.B. gedurende jaren om overleg op basis van de door het college van rijksbemiddelaars voor de zuivelindustrie vastgestelde regelingen van lonen en arbeidsvoorwaarden is gevraagd, maar dat de directeur van „De Ommelanden” dit overleg niet wil.

Zelfs nadat, geruime tijd vóór de staking in 1952, bij deze directeur door genoemd college aandrang was uitgeoefend, heeft hij dit overleg onmogelijk gemaakt.

Nu is het niet onze bedoeling om aan te tonen, dat een vakbeweging, die zich christelijk noemt, onjuiste voorlichting geeft en blunders maakt. Erger is, dat men ondanks alles, doorgaat op deze weg en sommige bestuurders van het C.N.V. zich niet ontzien om de directeur voor besprekingen te ontvangen en medewerking te verlenen om arbeiders te animeren in deze fabriek te gaan werken.

Dan kan men niet meer spreken van fouten of blunders, maar van een welbewuste tactiek. De arbeiders vragen wat er nu specifiek christelijk is aan een vakbeweging, die een dergelijke tactiek voert en die kennelijk bereid is een werkgever te helpen het werkelijke doel waarvoor hij deze staking nodig heeft te bereiken.

De staking als middel

Er is veel gediscussieerd over de vraag of staking een verantvroord middel is om conflicten tussen werkgevers en arbeiders op te lossen.

Thans blijkt, dat de staking bij „De Ommelanden” voor de werkgever een middel is om een strijd tussen producenten te kunnen voeren.

Kort na het uitbreken van de staking voerden de melkwagens van deze fabriek het opschrift „Tegen de revolutie”. In circulaires aan de boeren wordt het eveneens zo voorgesteld alsof de directeur slechts strijd voert tegen de revolutie. Kennelijk wordt gespeculeerd op de gevoelens van arbeiders en boeren, die enige voorliefde hebben voor de anti-revolutionnaire verkiekingsleuze „tegen de revolutie het evangelie”.

Tevens is in deze circulaires medegedeeld, dat de A.N.A.8.-bestuurders er op uit zijn op Stalinistische wijze de fabriek te socialiseren. In vergaderingen van arbeiders, waar helaas ook christelijke arbeiders en jongeren aanwezig zijn, zouden deze bestuurders zich te buiten gaan aan reeksen van vloeken en een taal bezigen, passend in een pornografisch vuilschrift.

Meent deze directeur, dat de boeren dat allemaal geloven? Volgens publicaties in de „Nieuwe Provinciale Groninger Courant” heeft de directeur in een personeelsvergadering medegedeeld, dat hij zijn grondstoffen wil betrekken in eigen omgeving rechtstreeks van de boeren, die thans hun meik leveren aan andere fabrieken, daarom zou de staking nog enige tijd moeten voortduren. „De Ommelanden’” betrok namelijk de helft van zijn melk van fabrieken in Gelderland en Overijsel.

De staking heeft voor deze directeur dus tot doel om boeren, die bereid zijn „de revolutie het hoofd te bieden”, van hun fabrieken af te troggelen. Wat denken de christelijk georganiseerde arbeiders van die andere fabrieken van dit plan van de directeur van „De Ommelanden”?

Een deel van het leidinggevend personeel heeft daarop ontslag genomen, ook een vorm van staking!

De directeur heeft een poging gedaan, de consistoriekamer van de Gereformeerde kerk te Kootstertille te huren om een vergadering van werkwillige arbeiders te beleggen. Alweer om het te laten voorkomen alsof hij het christendom verdedigt. Gelukkig heeft de kerk zulks voorkomen, maar de confessionele bonden dragen wel een grote verantwoordelijkheid in dit conflict niet alleen voor het welzijn van hun leden, maar ook voor de naam christelijk, waarmee zij zich zo uitdrukkelijk tooien.

Ten slotte is er dan nog de vraag wie er nu tegen de revolutie strijdt: de directeur van „De Ommelanden” of de stakende arbeiders.

Van een revolutionnaire actie is naar onze mening pas dan sprake als de actie tot doel heeft de bestaande rechtsorde omver te werpen of op een bepaalde plaats te doorbreken.

Welnu, de stakende arbeiders eisen slechts toepassing van de onder verantwoordelijkheid van onze wettige overheid door een daarvoor bevoegd college vastgestelde regeling van lonen en arbeidsvoorwaarden. Deze werkgever wenst die regeling niet toe te passen ondanks het feit, dat het een overeenkomst is, die tot stand is gekomen in overleg tussen de vrije organisaties van werkgevers en werknemers en voor de ongeorganiseerde zuivelfabriek „De Ommelanden” door de overheid is verbindend verklaard. Wie strijdt nu werkelijk tegen de revolutie?

Den Haag J. VAN DER PLOEG