is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 3, 17-01-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een Utopie voor het Socialisme

Als prof. Polak in Socialisme en Democratie (Oct. 1952) en later nog eens in Tijd en Taak (3-l-’53) de noodzaak betoogt van een utopie voor het socialisme dan kan ik me op practische gronden heel gemakkelijk van zijn bewijsvoering afmaken. Ik kan zeggen: „Goed, laat mij uw utopie maar eens zien! De vage bewoordingen, waarin u aan het einde van uw artikel in S. en D. deze utopie aanduidt, kunnen me moeilijk bevredigen. Daarenboven, strikt persoonlijk gesproken, heb ik er voor mijn socialisme geen behoefte aan. Ais ik naga, wat mij inspireert tot socialistisch enthousiasme, is dat een veelvoud van motieven; allereerst een aandrang van mijn geweten, versterkt door het voorbeeld van onze voorgangers en medestrijders, versterkt door de resultaten, die zij bereikt hebben, versterkt door de uitzichten, die zij op korte termijn bieden. Ik denk aan boeken uit de laatste tijd die mijn socialistisch hart verwarmd hebben, boeken zo ongelijk als „Policy for the West” van Barbara Ward en „In place of fear” van Aneurin Bevan. Ik kijk rond en als ik politiek wil meedoen dan moet ik kiezen tussen communisme, liberale reactie, al of niet in confessioneel kleed gehuld, en socialisme. Ik weet dan waar ik staan moet. Kortom, ik heb geen behoefte aan een utopie en ik kan me ook niet goed voorstellen, wat ik er mee beginnen moet. Ik heb veel critiek op de maatschappelijke toestanden van vandaag; die critiek gaat uit van wat ik ethisch wel en niet toelaatbaar acht en van wat ik meen dat economisch, sociaal en politiek verbeterd dient te worden. Mij leidt daarbij geen socialistische staat der toekomst, maar naar gelang gelegenheid en noodzaak, wens ik dat mijn partij doet, wat haar hand te doen, vindt. Ik ben dankbaar voor haar „Weg naar vrijheid” maar nog dankbaarder als ze doortastend haar plannen uitvoert. En als men nog vragen zou: „Waaraan meet ge uw maatschappelijke verbeteringen af?” dan zou ik zeggen: „Aan de mate, waarin een beetje meer rechtvaardigheid, gelijkheid en vrijheid verwerkelijkt wordt! Aan de vraag, of er wat ellende en gebrek is weggenomen; of de menselijke persoonlijkheid wat meer kans tot ontplooiing krijgt, of de haaien en hyena’s in onze maatschappij wat teruggedrongen worden in hun naargeestige bedrijvigheid.’.’ En wie dan nog niet tevreden is, zou ik toevoegen: „Let er eens op, of de arbeid in ere hersteld, of het arbeidsloos inkomen beperkt wordt.” Persoonlijk heb ik nog wel andere wensen en ik zou gaarne zien, dat het moderne socialisme meer ernst maakte met

de bestrijding van het arbeidsloos inkomen door middel van kapitaal-rente, dat ik op ethische en bijbelse gronden veroordeel. Neen, ik heb geen behoefte aan een utopie”. Dat zijn echter slechts(?) practische beschouwingen, die niet verder reiken dan tot de conclusie, dat voor een bepaald type socialist de utopie overbodig is. Maar ik ga verder en beweer, dat ze ondoelmatig en niet ongevaarlijk is.

Het komt me voor dat prof. Polak de neiging heeft om plan en utopie te verwarren. Hoe kan hij anders op mijn bewering, die ik na Den Uyl stelde, dat de maatschappij van vandaag te ingewikkeld is en te veel onvoorspelbare elementen bevat, antwoorden met te verwijzen naar zijn opstel „Prognose der prognose” in zijn boek „Om het behoud van ons bestaan”, waarin

als ik goed lees niet anders betoogd wordt dan mogelijkheid en wenselijkheid van maatschappelijke planning. Ik doe niet mee aan een discussie hoe groot de termijn moet zijn, wil een maatschappelijk plan waarde hebben, wijs er slechts terloops op, dat naarmate een plan zich over een grotere tijdsruimte uitstrekt, de contouren vager zullen zijn en algemener. Een utopie echter is iets anders dan een plan. Het is de projectie van een wensdroom. Het weerspiegelt de verlangens van de maker en van zijn geestgenoten en zij is vaak bedoeld om enthousiasme te wekken voor een groep of een program, onder de voorspiegeling dat mits men meedoet, men datgene zal beleven dat het spiegelbeeld in uitzicht stelt.

Thomas Morus was verstandig. Hij projecteerde zijn utopie niet in de toekomst, maar op een verafgelegen eiland. Hij hanteerde het niet als politiek agitatiemiddel, maar wist heel goed zo antwoordde hij immers aan Hythlodaeus, die uit Utopia zogezegd naar Engeland was aangekomen dat de boodschap van Utopia aan dovemansoren gebracht werd.

Het verbaast me, dat prof. Polak voor de utopie als politiek agitatiemiddel niet een andere naam kiest: ik bedoel „de politieke mythe”. Het Duizendjarig Rijk van Hitler, de droom van het Imperium Romanum van Mussolini, maar ook „Rusland” als gezien door de Moskou-gelovigen, dat zijn politieke utopieën in optima forma, en ik stel me voor dat het makkelijk te demonstreren is, welke gevaren er aan dergelijke utopieën vastkleven. Te weerleggen zijn ze niet, omdat ze buiten de geschiedenis liggen en slechts in los verband staan met controleerbare feiten. Als ze niet uitkomen, kun-

nen ze In een ver afgelegen toekomst geprojecteerd worden. Ze doen een beroep veel meer op het gevoel dan op het verstand, ja, zoals George Sorel (nog zo’n propagandist van de mythe!) uitstekend uiteenzet; ze onttrekken zich aan discussie. Ik ontken niet dat dergelijkp mythen geen uitwerking hebben, ik blijf sceptisch t.o.v. de weldadigheid hunner uitwerking. De mythe appelleert op de irrationele gevoelens van de volgelingen en de kans is te groot, dat de veranderingen die er het gevolg van zijn, uitgebuit worden door roekeloze politici. Het is zo heel en al tegen de grote traditie van het socialisme, dat wezenlijk rationalistisch en critisch is in zijn nastreven van maatschappelijke hervormingen.

Ten slotte, prof. Polak heeft goed gezien. Ook als christen voel ik een soort instinctieve afkeer van utopieën. Ik deel Polaks afkeer van een al te goedkoop cultuurpessimisme, maar kan daarentegen zijn optimisme niet delen. Wij, mensen, zo geloof ik, zullen er nimmer in slagen, de wereld tot een paradijs te maken en daarom doen wij goed geen utopieën te koesteren. De tegenstelling met de toekomstverwachting van het koninkrijk Gods ligt niet allereerst hierin, dat de utopie aards, het koninkrijk Gods hemels is, maar veel meer in het feit, dat we de utopie op eigen kracht te verwerkelijken hebben, maar het koninkrijk Gods als gave verwachten mogen. Een christen leeft, d.w.z. moet leven bij de belofte van het koninkrijk Gods. Dat inspireert hem tot werken in de tijd, maar steeds met de gedachte, dat hij een onnutte dienstknecht is, dat als de Heer het huis niet bouwt, de bouwers vergeefs zich inspannen. |

I Het kan wel zijn, dat we soms lastige mensen gevonden worden: immers we geloven aan God en Zijn openbaring in Jezus Christus, maar we geloven nu weer niet in een menselijke utopie. Daar zijn wij te critisch voor. J. G. B.

Onze „Tijd en Taak"-conlerentie

Onze lezers worden dus uitgenodigd tot de conferentie te Bentveld. Wij hopen zeer, dat velen, met wie wij de wekelijkse band via ons papieren contact hebben, aan ons beraad zullen deelnemen. Het lijkt ons dienstig te vertellen, waarom de redactie meende deze conferentie in deze vorm te organiseren. TXT.. T .j 7 j Wij leiden, als redactie, ee lijk weekblad Wij krijgen onze opdracht en enige digd, al wordt het beleid V .”J,. wel steeds besproken op de ja g van de Arbeidersgemeensc ap van brookers.

Wij houden eens per jaar eert medewerkersvergadering. Daar wordt ieder uitgenodigd, die geregeld in ons blad schrijft. Maar thans willen wij, nu wij de mijlpaal van 50 jaar achter de rug hebben, graag ook met onze lezers spreken. Wij, d.w.z. de redactie en de vaste medewerkers. Wij hebben het plan om alle vragen, die steeds weer een rol spelen, openhartig aan de orde te stellen. Opdat wij van onze lezers leren.

Daarom nemen wij er rustig tijd voor en vragen wij u op een weekeinde te komen. In Bentveld natuurlijk. Ds Buskes zal het punt aansnijden, dat buiten onze rijen nogal eens vragen opwerpt en ook ons vaak bezighoudt, nl. hoe

kunnen belijdende christenen en humanisten, vooral religieuze humanisten samen verantwoordelijkheid dragen voor een stuk geestelijk werk. Wij vonden het prachtig, dat juist hij dat deed. Er is vrijwel niemand in Nederland, die zozeer met zijn leven bewezen heeft, dat het mogelijk is.

Bomhoff zal spreken over het punt, waar wij eveneens in ons "blad veel aan-- dacht aan schenken, nl. aan de letterkunde, Hij zal, als christen en als socialist, vragen: welke verschuivingen hebben zich in de Nederlandse literatuur voorgedaan? Prof. Banning komt met ons bespreken huidige critiek binnen de socialistibeweging op het socialisme ons te zegheeft. Nergens kan dit beter dan juist „Tyd en Taak”-verband. Wij voelen ons in onze onafhankelijkheid, zeer verbonden, dus verantwoordelijk voor de beweging in Nederland en daar buiten,

yg„ slotte zal Korzelige Kes het zijne zeg-Het kostte moeite deze duisterling, die af en toe nogal scherp uit de hoek komt. j)ereid te vinden aanwezig te zijn. Wij worfjgn qj hieek bij de gedachte, dat hij nu ons „Ter Zake” zal voorwerpen. Maar enfin, wie onafhankelijk is, moet ook moedig zijn. Dit schrijven wij, om u, lezer, te zeggen, dat het niet zo maar een conferentie is. waartoe wij u uitnodigen, maar dat men, lezers, medewerkers en redactie, zu een ontmoeting nodig hebben. , „ p U komt dus ook?