is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 4, 24-01-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

(Vervolg van pag. $)

Wanneer nu evenwel bij zulk huisbezoek blijkt dat er in het gezin zelf spanningen zijn van allerlei aard en voortkomend uit onderscheiden oorzaken? En wanneer, zoals de werkelijkheid aanwijst, dergelijke gevallen geen uitzondering zijn maar regel? Waar haalt de jeugdleider (ster) dan de tijd vandaan om die gevallen grondig te onderzoeken, te behandelen, contact op te nemen met diverse instanties en vooral regelmatig dat gezin te blijven bezoeken om het met raad en daad terzijde te staan? Want laat men niet gering denken over wat er dan allemaal aan de orde komt. In volkomen onvolledige, bonte volgorde noem ik enkele zaken; pro juventute, bouw- en woningtoezicht, personeelschef en afdeling sociale zaken van het bedrijf waar de vader werkt, afdeling school-maatschappelijk werk van het gemeentelijke bureau jeugdzorg, kinderpsycholoog, sexuele voorlichtingsbureau, enz. enz Nog eens: waar haalt de jeugdleider (ster) de tijd vandaan om zijn (haar) zorg voor de groepen en clubs en programma’s en materialen en wat dies meer zij te combineren met deze regeneratieve gezinssteun, die heel veel tijd en energie vergt?

Ik wil hier nog niet eens wijzen op de veelszins onvolledige opleiding van de leiders en leidsters in deze arbeid, waardoor zij ook vaak technisch gesproken niet in staat zijn om sociaal werk in boven aangegeven zin te verrichten. Trouwens; de opleiding van deze krachten is een punt op zich zelf, dat ook nog eens ter sprake moet komen. Het gaat er voor nu, bij de helaas noodzakelijke versimpeling van deze aangelegenheid, om; wanneer men inziet (en wie zou dat niet?) dat de zorg voor het gezin een integrerend deel is van alle jeugdzorgwerk, dan moet men tevens de vraag stellen wie die zorg voor het gezin ter hand dient te nemen.

In het reeds meermalen aangehaalde rapport wordt de verwilderde jeugd o.a. omschreven als „een uit geordende levensverhoudingen weggezakte persoon”. Alle hulde voor deze omschrijving, maar als zo’n jongen of meisje niet eens uit die geordende levensverhoudingen is weggezakt, omdat die geordende levensverhoudingen nooit voor hem of haar bestaan hebben? Wat dan? Men moge dan gerust aankomen met de onderscheiding tussen sociaal-labiele en a-sociale gezinnen, maar intussen kómt zo’n jongen, zo’n meisje in een jeugdhonk of clubhuis en er ontstaat dus een, zij het soms uiterst dunne, verbinding met dat gezin en... moet dan de leider van het jeugdhonk proberen die verbinding niet alleen vaster te maken, maar ook dat gezin door zijn sociale zorg te helpen? 0f... moet dat gedaan worden door iemand, wiens, of wier taak dat alleen is, natuurlijk in voortdurend overleg en in samenwerking met de jeugdhonk-leiding? De vraag stellen is de vraag beantwoorden, mits we (en hier komt de in de aanhef aangeduide samenhang aan het woord!) tevens aanvaarden, dat die sociale taak niet beperkt blijven kan tot regeneratieve steun in het gezin alleen, maar zich uitstrekken moet tot voorlichting en ontwikkeling in het kader van het clubhuiswerk, waaraan het kind uit zo’n gezin verbonden is. Alle sociale arbeid immers, die niet tevens is een poging tot volksontwikkeling, tot overdracht van cultuurwaarden in de ruimste zin van het woord, blijft steriel. En deze volksontwikkeling, toegepast op zulke gezinnen als thans bedoeld, kan alleen enigermate worden ter hand genomen als zulke gezinnen komen onder de regelmatige beïnvloeding van een geheel van activiteiten, zoals deze van het clubhuis uit kunnen worden bedreven.

De leiding van een clubhuis zal ongetwijfeld in zijn programma ook altijd plaats inruimen voor avonden waarop de ouders welkom zijn, maar zulke avonden zullen, incidenteel opgezet, weinig baten opleveren, tenzij dat de ouders in kleine groepen deel kunnen nemen aan het werk van allerlei aard. En de aard van dat werk in zulke kleine groepen kan slechts worden bepaald door een intensief verkeer met de gezinnen, een verkeer dat beter en grondiger tot stand gebracht en gehandhaafd kan worden door een speciaal daarvoor aangestelde kracht dan door de leider(ster) Nu is het wel heel erg jammer dat deze noodzakelijkheid om een sociale werker (ster) te verbinden aan een clubhuis practisch niet kan worden geëffectueerd, omdat het... geld kost. En het is heel erg jammer dat er binnen het kader van de huidige subsidieregeling geen ruimte is voor dergelijke krachten. Maar dan moet hier herinnerd worden aan het artikel van V. d. Weg in Vrij Nederland in October 1952 naar aanleiding van de te Amsterdam in September 1952 gehouden jeugdzorgdagen

vanwege de Herv. Jeugdraad. V. d. Weg wees daar met enige hartstocht op de dringende urgentie van samenwerking tussen alle instanties die aan jeugdzorgwerk doen. Dit werk blijft fragmentarisch zolang men niet de handen ineenslaat o.a. om te komen tot een gemeenschappelijke actie om ook de sociale werker (ster) als noodzakelijke kracht te accepteren in het geheel van het massajeugdwerk. Als men dan daarbij zich zou kunnen vrijmaken van enige vorm van „jacht op de staatsruif”, en deze kwestie zuiver zou stellen vanuit het principiële gezichtspunt om jeugdzorgwerk te zien als een deel van het volksontwikkelingswerk, zou er ook t.a.v. de onderlinge verstandhouding en samenwerking iets zeer belangrijks zijn gewonnen.

En... laat ik nu bij deze laatste opmerking maar wegdrukken de opkomende wrevel over het „zuilensysteem”, dat nog al te vaak een dergelijke verstandhouding en samenwerking belemmert. Wellicht dat de harde werkelijkheid nog eens de zuilen breekt... A. A. W.

Een tocht naar Kefar Nachoem ( Capernaum)

Tiberias, snikheet in de zomermaanden, begint te leven in de winter. Als de wintermaanden met hun regens komen in Israël, als de mensen zeggen dat ze het koud krijgen bij een temperatuur van boven de 20°, dan trekken de badgasten naar Tiberias om genezing te vinden voor hun rheumatische klachten en kwaaltjes in het water van de warme bronnen van de stad. Waarvan men in Tiberias in de zomer leeft, weet ik niet, in de winter leeft men er van de badgasten, die komen kuren. Men, dat zijn de hotel- en pensionhouders, de winkeliers, de schoenmakers, de eigenaren van de twee schuren die hier bioscopen genoemd worden en de particuliere doktoren die in de winter genoeg verdienen om in de zomermaanden niet te behoeven te werken of met vacantie naar Europa te gaan. In de wintermaanden vaart er ook een motorbootje op het prachtige meer van Tiberias rond, ten gerieve van de toeristen. Taxiondernemingen organiseren van tijd tot tijd tochtjes naar het nabijgelegen Nazareth of langs de Jordaan, maar een tochtje op het meer van Tiberias behoort tot het vaste programma van vele badgasten.

Het bootje zou een tochtje maken naar het aan de overzijde van Tiberias gelegen Kefar Nachoem, ofwel het uit het Nieuwe Testament bekende Capernaum. Het bootje was vol met badgasten en toeristen. Russische Joden, jaren lang reeds in Israël, troffen er een pas aangekomen andere Russische Jood. De Jood uit Marokko was die ochtend juist bij de dokter op het spreekuur geweest en trof de dokter eveneens op het bootje. Een paar soldaten van het Israëlische leger, een paar zakenlieden uit Tel Aviv, enkele kinderen uit een „kiboets” maakten eveneens deel uit van het gezelschap in het bootje.

De tocht op het mooie, gladde, blauwe meer, met in de verte het prachtige uitzicht op de berg Hermon, die al op Syrisch grondgebied ligt, met rondom de kleine bergen die samen de kom vormen waarin het meer van Tiberias ligt, bood veel natuurschoon. De bergen met hun zachte fijnrode kleuren, met de schaduwen der wolken als stemmige verduistering, het blauwe, hemelsblauwe water, de heldere blauw witte lucht boven het meer, vormen een combinatie van kleuren die iedere toeschouwer steeds

blijft boeien hoe vaak hij het kleurenspel ook moge zien.

Na een tochtje van drie kwartier kwamen we bij een steigertje. Een weggetje ontbrak, langs ruwe stenen klommen we naar boven. Een groot huis, met kruisen versierd. Een Franciscaner monnik verscheen, in zijn bruine pij, met wit koord. In mooi Hebreeuws heette hij het gezelschap welkom. Hij zou onze gids zijn door de ruines van wat eens de grote synagoge van Capernaum was.

Vreemd land, dit kleine Israël. Een Franciscaner monnik leidt Joden rond langs de ruines van een oude synagoge op de plaatsen waar de stichter van het Christendom een groot deel van zijn openbare leven heeft doorgebracht.

Zwart geblakerde stenen, verdroogde lava, resten van de synagoge is alles wat is overgebleven van het oude Kefar Nachoem. In de tijd van de stichter van het Christendom en later nog, was Capernaum een belangrijke stad, een kruispunt van wegen van oost naar west. Een aardbeving, vermoedelijk eveneens een vulkanische uitbarsting, verwoestte de stad. Slechts de ruines van een synagoge getuigen van het feit, dat hier eens, duizenden jaren geleden de Joden gewoond hebben. In een tuin liggen nog enkele geblakerde stenen, molenstenen van wijnpersen of van graanmolens, stukken van pilaren, of van beeldhouwwerken die de leeuw van Juda voorstellen.

In 1925 richtten Franciscaner monniken een studiecentrum op naast de synagogeruïnes. Zij kochten het stukje grond waarop de ruïnes staan en met veel liefde en ijver brachten zij resten van de synagoge te voorschijn, herstelden zij soms half verwoeste pilaren, restaureerden zij beeldhouwwerk. Capernaum heeft voor hen grote betekenis en door sommigen van hen wordt wel aangenomen, dat de stichter van het Christendom, Jozua, de timmerman uit het nabijgelegen Nazareth, in de synagoge, waarvan nu nog slechts enkele resten overgebleven zijn, heeft geleerd en gepredikt.

Soms zijn er 8 of 10 Franciscaner monniken in Kefar Nachoem, allen zich bezig houdend met archeologische studies. Nu was er slechts onze gids, een oude monnik van Italiaanse afkomst. Hij was al 30 jaar in Israël vertelde hij ons, en 14 jaar was hij