is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 4, 24-01-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nu in het verlaten Capernaum. Vol trots zei hij, dat hij zeker veel langer in „het land” was dan de meeste Joden van het gezelschap. En inderdaad, in een land waarvan slechts weinige burgers kunnen zeggen dat ze er ook werkelijk geboren zijn, in een land waar iemands aanzien stijgt naarmate hij er langer woont, daar kon ook deze inwoner en burger van Israël met trots zeggen, dat hij er reeds 30 jaar woonde.

De monnik toonde ons op steenblokken de emblemen van Israël van duizenden jaren geleden, die in het Israël van heden weer levende symbolen zijn geworden. De zespuntige ster van David naast de vijfpuntige van koning Salomo. De menorah, de luchter uit de tempel, nu ook weer symbool van de staat Israël. Afbeeldingen van druiventrossen en granaatappelen, van leeuwen en muziekinstrumenten.

De synagoge was in Romeinse stijl gebouwd. De grote Romeinse pilaren met hun Jonische bovenbouw getuigen nog van de grootheid en rijkdom der Joden uit Capernaum. Romeinse wandelwegen leidden naar de synagoge. Een aparte boogvormige gang voerde naar de vrouwensynagoge, op het dak van de eigenlijke ssmagoge. De Heilige Arke was aan de ingang van de synagoge geplaatst, immers met de richting naar Jeruzalem. Van de deuren van de Heilige Arke heeft men nog resten gevonden. De indeling van de synagoge was vermoedelijk volgens die van de Tempel van Jeruzalem, de bouwstijf was Romeins. Het geheel deed nog het meest denken aan tempels in de ruïnes van Pompei.

De monnik vertelde met vreugde van het moeizame werk der opgravingen, zijn toehoorders stelden vele vragen, die hij graag beantwoordde. Hij was nu ook tevreden in het land, hij kende de problemen van Israël van heden even goed, zoals hij tegelijkertijd zich trachtte te verplaatsen in het denken en handelen van de Joden, die de synagoge duizenden jaren geleden gebouwd hadden. Het gebouw was stevig gebouwd, merkt hij op. Cement was er niet gebruikt. Solel Boneh, de bouwonderneming van de vakbeweging in Israël, bestond nog niet. De Joden kwamen te voet maar ook per schip naar de synagoge, vervolgde de monnik.

Door leden van het gezelschap werd gevraagd, of de monnik zich niet eenzaam voelde, nu hij zo heel alleen leefde te midden van de ruïnes van de oude synagoge. Zijn medestudiegenoten waren allen tijdelijk weg. Maar de monnik voelde zich nu niet eenzaam. Regelmatig kwamen nu toeristen uit Tiberias Capernaum bezoeken en hij was altijd blij als hij kon vertellen van zijn levenswerk, de opgravingen van het Joodse bedehuis.

Op de helling van de bergen achter hem waren blikken hutten zichtbaar, de woningen der ma’abaroth, de overgangskampen. Nog woonden er geen nieuwe immigranten, maar spoedig zouden ze komen, wist de monnik ons te vertellen. Dan zouden hij en zijn studiegenoten, na 14 jaren eenzaamheid buren krijgen. Joodse buren. Kefar Nachoem, het oude Capernaum, dat 2000 jaar geslapen had naast de ruïnes van wat eens een prachtige synagoge moet zijn geweest, zou gaan herleven dank zij de komst naar deze afgelegen streek van Joden, wier voorouders misschien wel 2000 jaar geleden aan de bouw van deze synagoge hebben gewerkt. Vreemd, vreemd land is Israël, waar oud en nieuw elkaar ontmoeten, waar een vertegenwoordiger van het Christendom met vreugde verhaalt van zijn werk aan een duizenden jaren oude s3magoge, waar nieuwe Joodse immigranten de dichtstbijzijnde buren zullen worden van vertegenwoordigers van die eeuwenoude kloosterorde der Franciscanen. j 2. baRUCH

Trautvetter en Niemöller

Het artikel van Trautvetter tegen Niemöller, dat wij vorige week in vertaling overnamen, vraagt thans een nadere beoordeling.

Wij schreven, dat het indruk op ons maakte.

Waarom? Wel, wij kennen Trautvetter. Hij behoort tot de intieme kring van prof. Ragaz en leidde „Neue Wege” na diens dood, totdat het conflict rondom Hugo Kramer hem verdere medewerking onmogelijk maakte.

Wie Ragaz zegt, zegt: prediking van de Boodschap van het Koninkrijk. Het boeiende en aanvechtbare bij Ragaz was, dat hij in alle gebeurtenissen dezer wereld speurde naar het Koninkrijk. Of deze gebeurtenissen nu duidelijk „christelijk” waren, dan wel alleen merkwaardige gebeurtenissen-zonder-meer, deed er voor Ragaz weinig toe. Mits hij er maar een spoor van het Koninkrijk in kon zien.

Nu is het merkwaardige van zijn naaste geestverwanten, van wie Trautvetter een der bekwaamste is, dat zij op deze felle wijze op Niemöller reageren. Niemöller, die eveneens het Koninkrijk Gods met grote kracht predikt.

De vraag, hoe Ragaz Niemöller zou hebben beoordeeld, mag men niet stellen. Die is onbeantwoordbaar. Wij wagen zelfs niet, een suggestie te doen. Dat Trautvetter zó fel en afwijzend op Niemöller reageert is wél een zaak, die ons aangaat. Wij zijn met Trautvetter verbonden, doordat wij ik bedoel nu „Tijd en Taak” een halve eeuw gepoogd hebben de maatschappelijke orde critisch te benaderen. En het socialisme te prediken van christelijk standpunt uit. Terwijl de zaak, waar het Niemöller om gaat, ook ons zeer hoog ligt.

Waar ligt blijkens het artikel van Trautvetter de eigenlijke tegenstelling?

Mij dunkt hier: Niemöller wil, met uiteraard persoonlijke voorkeur, de demonie zowel in het oosten en het westen aanwijzen en van het Evangelie uit beide leefwijzen critisch benaderen. Hij vindt de voorkeur van het westen boven het oosten „betrekkelijk” ofschoon wél belangrijk en hij acht het mogelijk in beide systemen het evangelie te verkondigen. Het evangelie van verzoening en vergeving.

Dit is een primair bijbels, religieus standpunt.

Trautvetter wil dit wellicht ook allemaal wel, maar acht het oniUogelijk niet zijn volstrekte solidariteit met het westen uit te drukken. Het westen, dat hoe schamel ook toch nog altijd het christelijk avondland is. Het westen, waar men veel critiek op kan hebben. Maar het is critiek van binnenuit. De critiek op het oosten, aldus Trautvetters standpunt, kan alleen van buitenaf komen.

Bij de lezing van dit artikel zien wij het ineens helder, hoe hier een tegenstelling ligt, die dwars door alles heen gaat.

Nu komt het ons voor, dat Trautvetter in zijn geprikkeldheid Niemöller in menig opzicht onbillijk beoordeelt. Men moet bij de beoordeling van Niemöller nooit vergeten, dat hij ook thans met grote persoonlijke moed zich, tot achter het Ijzeren Gordijn, tegen het communisme keert. Trautvetter had moeten begrijpen, dat zijn

afwijzing van het communisme in het westen niet scherper behoefde te zijn, omdat men weten kan, dat hij het totalitarisme achter het Ijzeren Gordijn wel degelijk fel aanvalt.

Bijzonder zwak komt mij de theologische aanval van Trautvetter op Niemöller voor. Hij ondergraaft alle godsdienstig denken, wanneer hij als kenbron der waarheid het menselijk hart aanwijst. Juist hierin is Niemöller sterk, dat hij ergens naar het vaste punt zoekt, van waaruit hij, los van vooroordelen, oost èn west kan beoordelen. Een vast punt, dat hij de mens aan deze en gene zijde van de scheidingslijn kan voorhouden als houvast.

Dat een theoloog als Trautvetter dit niet zag, toont aan, hoe zéér ver hij van de geloofswereld van Niemöller afstaat.

Waarom staat hij er ver vandaan?

Mij dunkt hierom: Niemöller ziet mensen, aparte mensen, en de entourage, waarbinnen zij leven is „betrekkelijk”, behoort tot de vergankelijke dingen.

Trautvetter ziet structuren, systemen, die even wezenlijk zijn als mensen, ja, die men op zich zelf ook van het christelijk geloof uit, kan beoordelen. En als hij oordelen gaat, ziet hij het ene systeem als zeer verwerpelijk, wezensvreemd, vijandig en het andere systeem als aanvaardbaar, wel is waar niet volmaakt maar wel ruimte biedend voor een mogelijkheid van evangelisch leven.

De geprikkeldheid van Trautvetter verklaar ik mede uit het feit, dat hij het radicalisme van Niemöller ziet voortvloeien uit zijn afwijzing van direct-politieke activiteit. Trautvetter weet, dat het alleen-demens-zien een diepgewortelde Duitse kwaal is, samenhangend met de eeuwenoude Duits-Lutherse traditie, zich manisfesterend in het Duits-nationalisme van voor 1933. Hij wijst hier, op een veel te felle en daardoor ondoeltreffende wijze op wat ik zelf steeds als het zwakke punt bij Niemöller heb beschouwd, nl. zijn „betrekkelijke” onverschilligheid jegens de politieke omgeving. Sommigen wrijven het hem aan, dat hij eerst Duits-nationaal, later nationaalsocialistisch zee-officier was, vervolgens Hitler op het kerkelijke vlak bestreed en thans het herbewapenen van Duitsland tegengaat. Men ziet daarin een soort gemakkelijk overstag gaan. Ik acht dit een onjuiste verklaring. Gemakkelijk overstag gaan is het zeker niet, want hij koos steeds de moeilijkste kant. Neen, de juiste verklaring is te vinden in zijn in wezen a-politieke houding, die maakt, dat hij de betekenis van de structuur van de politieke systemen en van de maatschappelijke ordeningen pas op de tweede plaats stelt.

Daarom is het voor velen van ons, die met diepe eerbied en bewondering voor zijn eenvoudige moed tegen Niemöller opzien, die zich tevens in godsdienstig opzicht met hem sterk* verbonden weten, moeilijk, om hem te volgen, waar hij als niet-politicus tóch een grote politieke rol speelt.

Ziehier waarom wij, die onze grote bezwaren tegen het artikel van Trautvetter hadden, toch dit stuk in vertaling aan onze lezers aanboden, weten, dat zij tot zelfstandig oordelen alleszins bevoegd zijn.

L. H. R.