is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 5, 31-01-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Azië en Punt Vier

In zijn inaugurale rede van 20 Januari 1949 heeft Truman onder punt vier een plan ontwikkeld voor de politiek van het Westen, om de weldaden van onze wetenschappelijke vorderingen en industriële vooruitgang beschikbaar te stellen voor de verbetering en de groei van de zogenaamde verwaarloosde gebieden. Truman pleitte voor technische hulp en verbond dit pleit aan de gedachte, dat het de mensheid niet goed kan gaan, wanneer grote delen in ellende en armoe leven. Er zijn dus twee motieven.

De hulp is nodig voor het welzijn van alle volken, omdat de ellende van een deel het geheel bedreigt. Het helpende volk helpt niet alleen een ander, maar ook zich zelf. Daarnaast staat het besef van de zedehjke verantwoordelijkheid van de bezitters tegenover de niet-bezitters. Men kan de vraag stellen, wat de Westerse wereld beweegt, om vrij plotseling aandacht te besteden aan de verwaarloosde gebieden. |

Ifch moeilijk, veronderstellen, dat het in de eerste plaats een besef van zedelijke verantwoordelijkheid is. Prof. Fahrenfort vraagt: „Is het misschien de vrees, dat de hongerige massa’s de poorten zullen openbreken?” Men kan ook vragen: Is het misschien de vrees voor Rusland en het Communisme, die beide juist in de verwaarloosde gebieden een wel toebereide bodem voor hun propaganda vinden?

Laten wij niet ontkennen, dat er bij velen in het Westen een besef van zedelijke verantwoordelijkheid ten opzichte van het Oosten bestaat. Laten wij evenmin ontkennen, dat de vrees voor Rusland en het Communisme een grote rol speelt.

31 Maart 1950 vroeg Truman aan Gordon Gray een rapport over punt vier op te stellen. Gray leverde zijn rapport in op 10 November 1950. De Koreaanse oorlog was toen al begonnen. Het rapport van Gray is dan ook het eerste document, waarin tegelijkertijd de uitwerking van de bewapeningseconomie op het binnenlandse economische leven van Amerika en dat van de landen van het Atlantisch Pact geanalyseerd wordt en concrete voorstellen worden gedaan in zake punt vier. Het is het meest progressieve document uit de kring van Truman. De progressiviteit van Gray is in elk geval veel groter dan die van het Congres.

Dit rapport geeft een zeer instructieve statistiek over de situatie van het ogenblik. De wereldbevolking bedraagt ongeveer 2376 millioen. In Rusland en het Russische blok, China inbegrepen, leven 744 millioen, bijna één derde van de totale wereldbevolking. Van de gehele wereldbevolking leven

1608 millioen in de verwaarloosde gebieden (bijna 68 procent), hetgeen betekent, dat deze 1608 millioen in armoe leven. Hun levensstandaard bedraagt 5 tot 10 procent van die in de Verenigde Staten. Van deze 1608 millioen leven er 452 millioen in China. 1156 millioen, bijna de helft van de mensheid: 48.7 procent, leven buiten de Russische invioedssfeer en van deze 1156 millioen leven er 801 millioen in Azië, Rusland en China niet meegerekend.

Om de verhoudingen nog op een andere wijze te karakteriseren, deze mededeling: in Nederland is er 1 dokter op de 1000 inwoners, in Indonesië 1 op de 50.000, in Nederland is er 1 verpleegster op de 300 inwoners, in India 1 op de 100.000.

Gray zegt: de wereldgeschiedenis zal voor een groot deel afhangen van wat er met de 800 millioen in Azië gebeurt. Het particuliere kapitaal heeft tot nog toe vrijwel niets gedaan voor de verwaarloosde gebieden. Begrijpelijk vanwege de Internationale verhoudingen. Het is volkomen irreëel aan te nemen, dat particuliere investeringen binnen afzienbare tijd iets van beslissende betekenis voor de ontwikkeling van Azië kunnen doen. Het grootkapitaal denkt er niet over, de risico’s op zich te nemen.

Gray zegt dan ook: alleen de Amerikaanse staat kan dat doen. Hij komt dan ook met voorstellen. Nodig is een bedrag van 600 tot 800 millioen dollar per jaar. Een hoog bedrag, als men er aan denkt, dat tot op dat ogenblik ongeveer 40 millioen dollar per jaar werd uitgetrokken voor dit doel. Wat Gray vraagt is 20 maal zoveel.

800 millioen dollar is echter weinig als men let op de verwaarloosde gebieden. Het gaat om 800 millioen mensen. Wat Gray vraagt is dus voor ieder van die 800 millioen 1 dollar per jaar. Een druppel op een gloeiende plaat. Klein is ’t bedrag evenzeer, wanneer men het vergelijkt met de uitgaven voor de bewapening. In 1950 bedroegen deze: 15 duizend millioen dollar, in 1951: 40 duizend millioen dollar. In 1952 was het bedrag nog aanmerkelijk hoger.

In 1951 werd dus voor de hulp aan de verwaarloosde gebieden een duizendste van wat de bewapening kost uitgegeven. Gray pleit voor 800 millioen dollar per jaar. Er is echter ook een voorstel van Walter Reuther, dat pleit voor 13.000 millioen dollar per jaar. En vijf economen (Engeland, Libanon, India, Chili en de Verenigde Staten) dienden in 1951 bij de Economische en Sociale Raad van de Verenigde Naties een rapport in, waarin zij verklaren, dat in elk geval meer dan 10.000 millioen dollar per jaar nodig zijn. Dag aan dag wordt ons in het Westen op het hart gebonden, dat de strijd tegen Rus-

land en het Communisme niet alleen een militair, maar ook een sociaal karakter moet dragen. Steeds weer wordt gezegd, dat armoe en gebrek de voedingsbodem van het communisme zijn. Maar de consequenties uit deze al maar herhaalde beweringen worden niet getrokken. Wij lopen gevaar ons zelf wijs te maken, dat wij er, afgezien van deze consequenties, met deze beweringen zijn.

Wat ons land betreft, op de begroting van 1951 stond een bedrag van 1500 millioen gulden voor de bewapening en 1 millioen gulden voor de hulp aan de verwaarloosde gebieden.

Er zitten nog meer kanten aan dit probleem.

Bij de hulp aan de verwaarloosde gebieden dreigen twee gevaren.

Het eerste gevaar is, dat men, nu de koloniale verhouding in staatkundig opzicht geliquideerd is, probeert een nog effectiever overheersing van schulden. Investeringen en handelsmonopolies te creëren. Azië vreest, dat men via de hulpverlening zal trachten het kolonialisme in nieuwe vorm voort te zetten. Het moeten aanvaarden van liefdadigheid en aalmoezen, dat hiermee verbonden kan worden, vermeerdert in de klassenstrijd slechts de haat, omdat vergeten wordt, dat het niet uitsluitend gaat om voedsel en kleren, maar ook en vooral om gerechtigheid.

Het tweede gevaar is, dat de hulp aan de verwaarloosde gebieden in het Westen slechts gezien wordt als één van de middelen, waarmee de koude oorlog tegen Rusland en het Communisme gevoerd wordt. Velen willen alleen van hulp aan het Oosten weten, wanneer de landen, die geholpen worden, tegen Rusland en voor het Westen kiezen. De discussies, die in Amerika gehouden werden, toen India om hulp vroeg in verband met de in dat land heersende hongersnood, wijzen duidelijk in deze richting. Maar Azië wil van geen hulp weten, waaraan de voorwaarde verbonden is, dat het zich moet laten inschakelen in het Westerse blok.

Azië is bang voor de beide genoemde gevaren.

Het wil onder geen beding een voortzetting van het koloniale stelsel en de Westerse overheersing in welke vorm ook.

Ik beweer volstrekt niet, dat het Westen het Oosten uitsluitend uit altruïstische motieven zal moeten helpen, maar wel, dat het uit welbegrepen eigenbelang zal moeten verstaan dat hulp aan het Oosten door het Oosten niet aanvaard wordt en niet aanvaard kan worden indien deze hulp betekent overheersing van het Westen en inschakeling van het Oosten in het Westerse blok.

Azië wil zijn eigen weg gaan. Men denke aan de telkens herhaalde uitspraken van Nehroe, die in dit opzicht uiting geven aan wat in heel Azië leeft. En men suggerere zich zelf niet, dat het breed uitmeten van de democratische rechten en vrijheden, die het bezit van het Westen zijn, op Azië indruk zal maken. Azië heeft deze rechten en vrijheden nooit bezeten. Het heeft altijd In onderworpenheid geleefd.

Wanneer wij deze dingen enigermate beginnen te verstaan, zullen wij de vrees van het tegenwoordige Azië leren begrijpen. Wij zullen bovendien leren begrijpen, dat de al hoger opgevoerde bewapening van het Westen zoveel milliarden vraagt, dat er voor de hulp aan het Oosten slechts een minimumbedrag overblijft. Er is geen enkele reden, om te verwachten, dat het Westen in dit opzicht doen zal wat gedaan moet worden.

(Vervolg op pag. 8)