is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 8, 21-02-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Die naturel is soos ’n kind

In een discussie over de vraag of de mens van de aap afstamt, merkte iemand aan het einde op: Mij interesseert het ten slotte meer wat er van de mens gaat worden, dan waarvan hij geworden is. Aangezien het mij evenzo gaat wanneer ik de uiteenzetting lees van collega Heyns omtrent diens opvattingen inzake de zgn. apartheid (T. en T., 7 en 14 Febr.), ga ik hier niet in op zijn argumentatie. Zijn theologische inzichten zijn voor mij een ander hoofdstuk dan het huidige lot van de zgn. naturel en diens toekomst, ondanks het oorzakelijke verband, dat er tussen die twee verschijnselen bestaat. En om het lot van de naturel is het mij hier te doen. De apartheidsopvattingen in Zuid-Afrika drukken zich geheel en al uit in een reële en keiharde politiek, die ten dele met behulp van de politie en prikkeldraad wordt uitgevoerd. Die indruk krijgt men uit krantenberichten en ik geef graag dadelijk toe, dat ik van de zaak niet méér af weet, dan de gewone krantenlezer in Nederland.

Toch waag ik het, gewapend met enige ervaring, elders in de wereld opgedaan, het volgende naar voren te brengen. Men wekt in Zuid-Afrika de indruk de hele zaak bij uitstek individualistisch op te vatten. In deze zin nl., dat men geen enkel verband zoekt met wat er in het Oosten en in Afrika gaande is. Een aparte zaak dus. Men stelt het voor, alsof de toekomst van de naturel af zal hangen van de geloofsinzichten van de blanke bevolking, en de daarin gefundeerde discriminatie. Ziet men de zaak in wijder verband, dan blijkt terstond, dat er andere factoren in het spel zijn.

Het politieke aspect. De politiek van de apartheid jegens een met alle bestaande en plaatselijk geoorloofde middelen geïsoleerde bevolkingsgroep, bestaat bij de gratie van de machtsverhoudingen. Dit sluit een vreedzame oplossing vrijwel uit. Hoezeer de bestaande spanningen ontstaan mogen zijn door locale oorzaken, de verbinding met de spanningen op het continent blijft niet uit. Men moge aan kunnen tonen, dat die verbinding ten onrechte ontstaan is en op grond daarvan die relaties negeren, maar dit is een weinig reële houding. Met het stijgen van de spanningen buiten de grenzen (en tegenwoordig geldt dat niet slechts van hetgeen in de onmiddellijke nabijheid geschiedt, maar ook van gebeurtenissen in streken, waar men verder niets van af weet), stijgen ook de spanningen binnen. Het gaat er niet meer om, of historisch gesproken de blanken de suprematie in de Zuidpunt van Afrika zullen hebben, hoe ook dogmatisch verdedigd, maar of en in hoeverre blank en zwart in geheel Afrika een modus vivenvi zullen vinden. De beslissing hierover moge ook nog ver weg schijnen, het ziet er thans naar uit, dat met grote snelheid (zelfs sneller dan zich

kort na de oorlog liet aanzien!) de eigenlijke beslissingen naderen. Het zal ook internationaal gezien de vraag zijn, hoe lang de situatie in de wereld het verdraagt, dat' er dergelijke toestanden bestaan in door blanken beheerste streken. Hoe langer hoe meer zal nl. Afrika met verwijzing naar dergelijke toestanden zijn medewerking aan de activiteiten van het Westen kunnen weigeren.

Het sociale aspect. Men krijgt wel eens het hinderlijke gevoel, dat alleen het sociale welzijn van de Zuidafrikaners in de discussie wordt gemengd. De samenleving van onderdrukte groepen, welke zich gaan verzetten tegen hun isolatie, kunnen niet zodanig verbeterd worden, dat daardoor spanningen verminderen. Ten eerste: de beheersing van een groep door een andere groep laat niet toe, dat er in de beheerste groep een generatie ontstaat, welke modern van aard is. De massa dient primitief te blijven en een dunne bovenlaag wordt benut om de massa te regeren. Men heeft die dunne bovenlaag nodig, en zal die met zorg kweken. Het is duidelijk dat het spreekwoord van rijp gedrukte groene vruchten in dit verband niets zegt. Slechts zorgvuldige psychologische en sociologische onderzoekingen, zonder beperkende bepalingen van de regering uitgevoerd door onderzoekers, en natuurlijk met doorbreking van de apartheidspolitiek in de practijk van de samenleving beproefd, kunnen aantonen, in welk tempo een volk in de moderne wereld kan ingroeien. Daar hebben de naturellen in Zuid-Afrika de kans nog niet voor gehad. De ontwikkeling, welke thans plaats heeft, is het van de regering met moeite afgedwongen maximum. Ten tweede: elke verbetering van de situatie, welke al of niet met hulp van buiten af in de samenleving van de verdrukte groep wordt bereikt, vergroot de spanningen, verhoogt de wil om meer te bereiken, maakt effectiever strijd mogelijk, en tendeert naar doorbreking van het isolement.

Het psychologisch aspect. Wie leest wat er over Zuid-Afrika wordt geschreven, krijgt de indruk, dat men daar gevoelt, dat het er op of er onder gaat. En dit behoeft ons niet te verbazen. Hier kan niet meer geregeerd, maar slechts beheerst worden. Het tragische van de situatie in de wereld is, dat aan dit beheersen door koloniale mogendheden de goede verhouding tussen Oost en West is opgeofferd. Er voor in de plaats gekomen is een „klassenstrijd op intercontinentaal niveau” gekomen, welke in een zeer acuut stadium verkeert in Zuid-Afrika. Maar in Zuid-Afrika heeft men slechts oog voor één aspect van deze zaak: dat nl. de naturel nog als een kind is. Dit betekent dat de massa van deze mensen zich aan een blanke ginds voordoet als

eigenzinnig, dom, lui misschien, zonder veel moreel weerstandsvermogen, onbetrouwbaar enz., kortom goed als zendingsobject. Vroeger, toen er nog niets aan de hand was, zorgde men altijd goed voor zijn bedienden, en die waren toen daarmede zeer tevreden. Helaas zijn ze dat nu niet meer. Er is dan ook door geheel Afrika een gerucht gegaan, dat door die bedienden en door het zwarte werkvolk is gehoord. En aangezien men toen niet gezorgd heeft, dat er aan dat volk meer gegeven werd, dan waarom men toen vroeg, staat men nu voor onoverkomelijke problemen. Want nu is het te laat. Men is nu meer aan het nemen dan aan het vragen toe.

Ik moet hier wijzen op een argument, ontleend aan het zendingswerk. Dr Kraemer heeft gezien en practisch bewezen, dat een inheemse christelijke kerk niet na verloop van tijd tot zelfstandigheid moet worden opgevoed, maar van meet af aan, d.w.z. van de tijd van de eerste christenen af, zelfstandig dient te zijn, en het kan. Dit is een waagstuk, dat echter verantwoord is, en vereist dat men de moed heeft om de mens die door de kracht van het evangelie geraakt is, zich te laten ontplooien. Het besef zelfstandig te zijn wekt in zeer korte tijd in een volk bijzondere krachten van wilskracht, leidersgaven, geestelijke en intellectuele vermogens. Verspert men de weg tot dit waagstuk met behulp van bepaalde verblindend werkende dogmatische overtuigingen, dan verhindert men niet slechts de geleidelijke oplossing van de opkomende problemen, maar men maakt het haast onmogelijk, dat de zelfstandigheid nog langs de wegen van geleidelijkheid ontstaat. Hier kan men de oogst verwachten, naardat men gezaaid heeft.

Het komt mij voor, dat binnen afzienbare tijd de massa zich niet meer zal willen laten helpen, opvoeden, leiden, enz. Het zal niets „aparts” wezen voor Z.-Afrika wanneer de niet-blanke bevolking de offers aan doden niet rekenen zal om zich uit het moeras te werken, om dan in het teken van de Islam of het communisme misschien, met vele anderen de verbeten klassenstrijd te voeren tot er gewonnen zal zijn of zij zullen zijn omgekomen.

In het licht van het bovenstaande interesseert ons de nieuwe en positieve bijdrage tot de Calvinistische beginselen maar matig. Wij zien het licht van het Koninkrijk Gods, dat komende is, vallen op andere zaken: op de relletjes, op het geweldloze verzet, op bijkomstige zaken als de bepaling van de regering van deze week, dat er geen Indiase vrouwen meer in het land worden binnengelaten (omdat er al genoeg zijn), op woningtoestanden en apartheidswetten, op goeiige meningen, dat een blanke zendeling wel avondmaal mag vieren met kleurlingen (maar niet in onze kerk), en nog zoveel meer. En de geschiedenis van het socialisme heeft ons iets geleerd ten aanzien van de vraag, waar het op aan komt, wanneer er een klassenstrijd dreigt.

H. J. FRANKEN

De kansen der Vrijzinnig

Democraten

Vorige week beloofde ik hierover in dit nummer van ons blad te schrijven Mag ik hen, die naar dit stuk verlangen als naar het slot van een feuilleton, nog tot over een of twee weken In spanning houden? L. H. R.