is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 10, 07-03-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN SMALLE DICHTER

„Ik kan van hen immers niet verwachten dat zij hun eigen vooroordelen ook maar één ogenblik zouden doorzien.”

(A. Marja, Zeepbellen in de orkaan, 1947, blz. 96).

Deze regel uit een oorlogsdagboek is me steeds bij gebleven als uiterst karakteristiek voor Mar ja. Ik ben daaraan gaan toeschrijven het vrij algemeen bekende feit, dat je nog niet gelukkig bent als je zijn wrevel opwekt. Marja bezit, als ieder mens, zijn stelligheden, zijn anti- en sympathieën, maar het bijzondere aan hem is, dat hij aanstonds klaar is kwade trouw te veronderstellen bij lieden, die het met hem niet eens zijn. Voeg daaraan toe, dat hij weinig geduld heeft iemand te onderrichten en al gauw agressief wordt als men hem niet aanstonds volgen kan. Zodoende heeft hij zich in de Nederlandse letteren als een kleine terrorist gedragen. Ondertussen schrijft Marja ook verzen; vanaf 1937, toen zijn eerste verzenbundel uitkwam tot in 1952 toen ~Confidentieel verscheen, is een hele reeks gedichtenbundels uitgekomen. Niet alles, wel veel heb ik er van gelezen en zonder te willen zeggen, dat ik ze steeds bewonderde, moet ik eerlijk erkennen, dat ze me steeds interesseerden: deze gedichten van een „dichter tegen wil en dank”. Telkens weer heeft hij zich verzet tegen de waan, dat een dichter een uitzonderlijk mens zou zijn (bijv. Binnendijks... Buitendijks... 1949, blz. 187) en toch is iemand, die met woorden speelt in plaats van ze te gebruiken, een uitzondering. Telkens weer heeft hij met sarcasmen en sneers de bronnen der poëzie trachten te verstoppen. Niet alleen bij zijn critisch werk maar ook in zijn eigen poëzie suggereert hij voortdurend, dat dichters wel een kwaad geweten moeten hebben. Wie zijn verzen leest, komt er zodoende toe zich met de felheid van zijn optreden enigermate te verzoenen: immers, is hij al lastig voor anderen, met zich zelf heeft hij het ook niet gemakkelijk, deze dichter tegen wU en dank. |

Ik noem Marja dan ook een smalle dichter en bedoel daarmee, dat het terrein zijner inspiratie uiterst beperkt is. De lyrische lamp wil hij opzettelijk in deze tijd op eeri lage pit houden. Ergens onderscheidt hij twee soorten dichters; eerlijke en oneerlijke. De eerlijke dichter kan alleen lyrisch zijn als hij geheel boven de werkelijkheid kan uitstijgen en dat betekent onder de huidige omstandigheden zo ongeveer: blind voor deze werkelijkheid zijn. De cultuurcrisis waaraan vdj nu lijden, staat de dichter op straffe van oneerlijkheid slechts toe „eerbied voor de gewone dingen” te koesteren, terwijl lyrisch bijna altijd eerbied impliceert voor de ongewone dingen (aldus ongeveer in Binnendijks... Buitendijks... blz. 38-39). Ik ben het met deze theorie volstrekt oneens; op feitelijke gronden: er zijn talloze grote dichters te noemen, die met grootse bezieling getuigden, dwars tegen de cultuurcrisis in, waarboven zij zingend uitstegen; op thepretische gronden: het gaat niet aan de poëzie voor te schrijven de cultuurcrisis bij haar inspiratie te betrekken. In feite pleegt deze theorie een aanslM op de dichtkunst zelf.

een theorie, die ten einde gedacht, over Marja, langs Menno ter Braak, tenslotte tot Batavus Droogstoppel terugvoert, steeds in naam van de eerlijkheid.

Het wantrouwen van Marja tegen elke verheven uitspraak, tegen elke absolute bewering, tegen elk nobel gevoel, maakt de indruk van een overspannen vooroordeel. Hij is nerveus bang „dupe” te zijn van mooie woorden en edele emoties. Anderen en hemzelf bejegent hij met het wantrouwen van de politie-agent, die een zwendelaar een verhoor afneemt.

Nu wil ik het beperkte nut van deze inquisiteurs-mentaliteit niet ontkennen: er wordt in de literatuur oneerlijk gespeeld, maar ongelukkig de mens, die daar alleen oog voor heeft: zijn enthousiasme verschrompelt, zijn gevoel wordt zuur en wrang. Daar lees ik in de Haagse Post, dat de man, die zich achter het pseudoniem A. Marja verschuilt, zoon van een dominee is en van een hele generatie dominees af stamt. Ligt hier de verklaring van

een overmatig wantrouwen tegen verheven woorden? I

I Het wonderlijke nochtans is, dat Marja verzen schrijft en dat zijn laatste bundeltje „Confidentieel” een mooi bundeltje Is. Binnen het domein, dat hij voor zich zelf afgegrensd heeft, weet Marja van de grond te komen. Zijn nauwgezette, programmatische eerlijkheid, zeg liever prozaïsche nuchterheid, belet hem niet te zweven. Ja, zelfs zal hij in verzen erkennen dat het met een kwaad geweten is, dat hij zich zo dicht bij de grond houdt: en toch kwelt mij wat ik heb ontweken” (blz. 29). Ik moet er aan toevoegen, dat ik hier verzen lees, waarvan ik de strekking kortweg verfoei (De Apostel blz. 18). De veelgeprezen eerlijkheid moest Marja beletten over datgene, wat hij niet begrijpt, dichtend te spreken en te insinueren. Maar hij kan het niet laten. Dit immers zijn die thema’s die hem resten: rancune en heimwee tevens, t.o.v. de christelijke openbaring (de opstandige domineeszoon), onbehagen met eigen lot en bestemming (de dichter tegen wil en dank) ontmaskering van de oneerlijkheid, en de o zo discrete erkenning van het klein geluk in huwelijk en liefde. |

Marja bewijst op zijn manier de veelvormigheid der poëzie. Wie van dichtkunst verwacht meeslepende gevoelens, verheven taal, verrassende beeldspraak, komt bekocht uit. Maar wie een vers ook kan waarderen, als het bijna proza is door zijn nuchtere

DE KEUZE

Tot welke keuze ik mij ook zag gedwongen, jou koos ik, voorzover dat zijn kan, vrij;

en wat ik, vals of zuiver, heb gezongen, de grondtoon van dat alles luidde: jij.

Er blijft niet erg veel over van de dromen die men zich weeft wanneer men twintig is:

het leven, schijnbaar vol van zoete aromen, kent één parool slechts: boter bij de vis.

En toch, steeds weer, in ’t lamplicht neergezeten, keek ik verachtend op die wijsheid neer.

en trachtte èn vis én boter te vergeten, en worstelde, als eens Jacob met zijn Heer.

Zij die zo doen zijn altijd wat beschadigd, hetzij aan heup, aan hersens of aan hart,

maar ondanks dat voel ik me begenadigd omdat jij steeds weer mèt mij bent gestart.

Heb jij nu mij of heb ik jou gekozen? ik weet het niet, maar zie het residtaat:

de spruiten die als bellefleuren blozen, en dat is meer dan ooit geschreven staat.

UIT „CONFIDENTIEEL” VAN A. MARJA