is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 13, 28-03-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eindelijk contact

Voor wie op de hoogte is van de toestand, waarin de verschillende partijen verkeren, die bij de Socialistische Internationale zijn aangesloten, is de conferentie, deze maand in Bentveld gehouden, een hoopvol verschijnsel.

Eindelijk, nadat er bijna 90 jaar socialistische internationales bestaan hebben, is het vraagstuk van de verhouding tussen kerk en christendom èn socialisme aan de orde gesteld. Rijkelijk laat zal men zeggen. Het moest Maart 1953 worden, voor de Socialistische Internationale een conferentie bijeenriep van afgevaardigden uit de verschillende landen om drie dagen lang na te gaan, hoe de stukken stonden en wat er als internationale over dit zeer netelige vraagstuk te concluderen was.

Zeker, op menig internationaal congres is het punt van de religie aan de orde geweest. Maar dan van de politieke hoek uit. En toen Jaurès in 1912 sprak in de Dom van Bazel, deed hij, de vredepleiter, een beroep op de kerken. Nochtans was men nimmer officieel bijeen om te vragen wat het betekent, dat er kerken zijn, dat er christenen in en buiten de socialistische rijen leven.

Dat dit eerst thans geschiedde vindt zijn oorzaak in het feit, dat pas na 1945 in Nederland de Partij van de Arbeid werd opgericht. In deze partij Is, als enige in de wereld, een poging gedaan om socialisten te organiseren mét hun hele geloofslnventarls, ook rekening houdend met de verschillende overtuigingen, die aan de socialistische ten grondslag liggen. Met het aansluiten van deze partij bij de Socialistische Internationale was het een gewetenszaak voor de Nederlanders, om de visie, die achter de Partij van de Arbeid ligt, bekend te maken op internationaal niveau. De critici der Partij, die zo gaarne wijzen op de verbondenheid der Nederlandse socialisten met de zo anders geaarde buitenlandse socialisten, moeten goed weten de Bentveldse conferentie bewijst dat dat de Nederlanders hun roeping verstaan. Zij moeten ook weten, dat in geestelijke zaken het op geduld aankomt.

Het was spijtig, dat Vorrink, die steeds in 5.1.-kringen aangedrongen heeft zulk een conferentie te organiseren, door ziekte verhinderd was de vergaderingen te lelden. Van Blemen viel voor hem In.

Nu, dat geduld een eerste vereiste Is, bleek al spoedig. Het werd reeds de eerste dag duidelijk, dat deze conferentie die overigens ook geen bevoegdheid daartoe had niet in staat was een resolutie te formuleren. Het perscommuniqué, na afloop uitgegeven, deelt dan ook mede, dat de conferentie is gehouden en dat er verder aan gewerkt zal worden. Men heeft, de felle aandrang van welhaast alle grote perscentra weerstaande, het verhandelde dan ook niet aan de openbaarheid prijsgegeven. Aan een verslag mag ik mij dan ook niet wagen. Hoogstens aan een paar opmerkingen.

In de eerste plaats dient er op gewezen, dat de socialistische bewegingen zó met het nationale leven verweven zijn, dat ze alle op hun eigen manier zich een verhouding met kerk en christendom scheppen. Men kè,n zeggen, dat elke kerk de socialistische beweging naast (of tegenover) zich heeft, die hij verdient. Er is hierbij een diepgaand verschil tussen de Latijnse landen en de

rest van West-Europa. Daar waar de r.k. kerk overheersend is, heeft hij het socialisme in een anti-clericale hoek gedrongen en tot een verbeten bestrijder gemaakt van de kerk en zijn macht. Tegenover een conceptie, die het hele leven voor zich opeist van rooms-christelijk standpunt uit, werd de socialistische beweging tot een laïcisme, een buiten-kerkelijk humanistischachtige wereldbeschouwing gedreven, die een aandacht-met-het-hart voor het geloof ternauwernood toelaat.

Anders is het in de Duits-sprekende landen. Ook in geheel r.k. Oostenrijk. Daar wil de sociaal-democratie een heel eind meegaan met de verlangens van de r.k. kerk, ten einde in r.k. streken geen nodeloze weerstanden te wekken. Voorlopig is de drijfveer nog opportunistisch. Wanneer méér r.k. in de Oostenrijkse partij georganiseerd raken, zal het veranderen. Men vreest alleen, dat de r.k. machthebbers al etende steeds meer honger krijgen. Zo ligt het ook zij het met meer haken en ogen in Duitsland.

Een totaal ander beeld geven de Scandinavische landen, voor 95% Luthers. Daar • zo krijgt men de indruk wil de kerk eigenlijk niets op maatschappelijk gebied. Wel heeft hij een zekere conservatieve straling, maar meer ook niet. De kerk functionneert daar bijzonder weinig als politieke macht en is meer een hoedster van het nationale geloof. Spanningen waren er eigenlijk niet, maar ook geen beïnvloeding. In Engeland ligt het ongeveer gelijk. De Engelse spreker had een scherp oog voor het gevaar van de geestelijke vervlakking.

die er lag in het ontbreken van spanning. In Nederland èn door de gemengde samenstelling der bevolking en door de sociale aspiraties van kerken en christelijke groepen kon men een diepergaand rekening houden met elkaar aanwijzen. In Duitsland ook, maar daar moet men door een hardnekkige traditie heenbreken.

Zoals gezegd: dit alles is niet onder één noemer te brengen. Een tweede opmerking is, dat de schoolkwestie in de Latijnse en Duitse landen om een oplossing schreeuwt. Voor onze pacificatie bestaat slechts een medelijdenswaardige glimlach. Men zegt: onmogelijk bij ons. Want men ziet in subsidiëring van confessionele scholen slechts verkapte subsidie aan een conservatieve politieke macht. Deze houding is historisch te begrijpen en de Nederlanders doen goed deze medelijdende glimlach niet met een nóg medelij dender glimlach te beantwoorden. Volkskarakter, traditie en politieke machtsverhoudingen zijn zo verschillend, dat men ook hier geduldig met elkander moet zijn.

Ten slotte dient er op gewezen, dat Nederland rijk is door het bezit van een 50- jarige traditie van confrontatie tussen geloof en socialisme binnen de socialistische beweging. Een confrontatie tussen geloof en socialisme in het Westeuropese socialisme zal gestimuleerd worden door het groeiend besef voor de gevaren, die een wegzinken van geloof heeft. Dit besef zal vooral daar groeien, waar de socialistische beweging voor de culturele problemen geplaatst wordt. Teyens eist de Europese eenwording, dat men dieper en regelmatiger elkaar betrekt in de problemen van het eigen land. Op dit punt heeft het Nederlandse democratische socialisme een duidelijke taak. De vraag is slechts, of wij die taak aankunnen. Maar in ieder geval: er is eindelijk contact. L. H. R.

Over gelijkmaking

NIVELLERING DER INKOMENS

Deze gelijkmaking is een doorn in het vlees van vele mensen. Niet alleen wegens principiële overwegingen. Ook uit geldelijk oogpunt, omdat een dergelijke strekking van het politiek-economisch-sociaal belastingbeleid meebrengt dat het plafond der hogere inkomens niet evenredig met dat der lagere wordt verhoogd. Anderen weer vinden dat het aanzien van hun werkkring en de belangrijkheid van hun verrichtingen daardoor inboet in de ogen van derden.

Het inkomen bestaat voornamelijk uit de opbrengst van arbeid, beroep, dienstbetrekking en/of vermogen. Verreweg het grootste aantal der inwoners is aangewezen op de inkomsten uit arbeid. De statistieken resp. ramingen der belastingen leren ons dat niet meer dan een der bevolking een vermogen bezit groot genoeg om van de opbrengst te leven, aannemend dat een minimum-vermogen van ƒ 100.000,— daarvoor thans voldoende is.

Vergeleken met de vorige eeuwen is het welvaartspeil hier in het Westen en in Amerika, in belangrijke mate gestegen. Wij hebben daarvoor geen statistieken te raadplegen. Voldoende wordt dit aangetoond door de levensomstandigheden, zoals: huisvesting, kleding, voedsel, onderwijs, hyg-iëne, sociale

maatregelen, deelname aan de cultuur enz. Zich hierover verheugende, doet men er goed aan te bedenken dat geen enkele politieke partij een toverstaf bezit, waarmee zij dit alles en nog veel meer, uit de lucht te voorschijn kan toveren. Arbeid moet hiervoor worden verricht, noeste arbeid. Harder, naar gelang het land, waar men woont, minder natuurlijke hulpbronnen bezit; harder, naar gelang men hoger levensniveau wil bereiken. Binnen de eigen grenzen zal wel nooit sprake kunnen zijn van een gesloten alles opleverende economische gemeenschap; daarom is noodzakelijk een vrije ruil van producten en uitwisseling van grondstoffen, waarbij ten slotte het meer bedeelde land bereid moet zijn het minder bedeelde te helpen, zelfs zonder iets terug te krijgen. Deze aarde is op weg door het internationaal verkeer te groeien tot één belangengemeenschap. Het zal op den duur onmogehjk zijn eilanden met hoog levensniveau te handhaven of te vormén te midden van zeeën van ellende of armoede, m.a.w. een blijvende splitsing in „have-nots” en „haves” is onbestaanbaar. Zou de grote massa, geldelijk gesproken, er veel bij gebaat zijn, indien de top-salarissen verdwenen? Neen. Wij kunnen dat