is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 13, 28-03-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

staat onwaardig. Gelukkig wordt in de latere jaren de staatsloterij niet meer als object gebruikt bij een aanbeveling van christelijke politiek.

De Zondagsrust is naar mijn mening een onderwerp, dat velerlei banden heeft met het Christelijk Geloof. Toch is het als bindmiddel in de christelijke politiek onbruikbaar gebleken. Het is voldoende bekend, dat over dit onderwerp tussen roomskatholieken en protestanten zeer verschillend wordt gedacht. Maar in de kringen der protestanten is hier ook veel verschil van mening, zelfs tussen hen, die elkaar overigens religieus zeer na staan. Het is dan ook wel begrijpelijk, dat achtereenvolgende christelijk-politieke kabinetten er nimmer in zijn geslaagd om voor onze totaal verouderde Zondagswet van 1815, die absoluut niet wordt gehandhaafd, een betere wettelijke regeling in de plaats te stellen. Thans laat het zich aanzien, dat door het huidige kabinet, dat niet uitgaat van de grondslagen van e,en christelijkpolitiek kabinet, een nieuwe Zondagswet zal worden tot stand gebracht. Waarmede dan een tweede onderwerp, dat destijds als een der elementen voor een christelijke politiek werd beschouwd, is opgelost.

Het ziet er naar uit, dat ook het cremafievraagstuk binnen afzienbare tijd tot rust zal kunnen komen. Men kent de omstandigheden. De wet van 1869 kent alleen het begraven, niet het verbranden van lijken. Maar toen toch eens een lijk werd verast en deswege een rechtsvervolging werd ingesteld, besliste de Hoge Raad in 1915, dat lijkverbranding niet strafbaar is. Sedert is een hoogst onwaardige toestand ontstaan. Bekend is het verhaal, dat vertegenwoordigers der regering lange tijd geen crematies mochten bijwonen, daarbij geen toespraken mochten houden en dat de voor een dergelijke reis gemaakte kosten niet bij het rijk mochten worden gedeclareerd. Intussen breidde de crematie zich in de loop der jaren geleidelijk uit. Toch slaagde de wetgever er niet in een behoorlijke nieuwe wettelijke regeling tot stand te brengen. In Januari 1952 heeft de regering een nieuwe poging gedaan. Bedriegen de voortekenen van dit voorlopig verslag niet, dan heeft dit ontwerp een goede kans om het Staatsblad te bereiken. Alsdan zal de crematie onder zekere voorwaarden ook officieel geoorloofd zijn.

Voor vele christenen biedt het crematievraagstuk nog altijd een grote moeilijkheid. Ik meen, dat voor een juist oordeel vooral op twee punten moet worden gelet.

In de eerste plaats moet men de vraag of de crematie moet worden toegelaten niet beoordelen naar persoonlijke keuze. Mijnerzijds geef ik de voorkeur aan begraven boven cremeren. Maar daar gaat het in dit verband niet om. Doorslaggevend is alleen de vraag of de overheid hun, die de voorkeur geven aan. crematie, zulks onmogelijk moet maken. En dan meen ik, dat een wettelijk verbod van crematie een ongeoorloofde inbreuk zou zijn op de persoonlijke vrijheid.

Dit standpunt en daarmede kom ik tot mijn tweede punt zou niet houdbaar zijn indien de crematie in strijd zou zijn met het christelijk geloof. Maar dat is naar mijn mening niet het geval. De crematie is wel in strijd met de christelijke traditie, hetgeen iets geheel anders is dan in strijd met het geloof. Blijkens het Oude Testament kenden de Joden alleen de begrafenis. Het is een grote zonde een dode te verbranden; daarop staat dan ook een zware straf (Amos 2 : 1). De christenen namen de begrafenis van de Joden over, eigenlijk als een vanzelfsprekendheid. Zo heeft de be-

grafenis zich verder als een christelijke zede doorgezet.

In ons goede vaderland tobben wij dikwijls met problemen, die elders niet als zodanig worden gezien. Zo is het in Engeland heel gewoon wanneer belijdende christenen zich laten cremeren. De Engelse geestelijkheid maakt daartegen geen enkel bezwaar. De tegenwoordige aartsbisschop van Canterbury, dr Fisher, heeft uitdrukkelijk zijn voorkeur voor cremeren boven begraven uitgesproken. Ook in ons land hebben enkele gezaghebbende theologen de crematie gesanctionneerd. Prof. dr G. Van der Leeuw heeft op een internationaal congres van 1948, o.a. gezegd, dat

„het zeer wel mogelijk is, dat een christen, hoewel crematie verkiezende boven begraven, daarvan wordt weerhouden door overwegingen van traditie en gevoel. Maar hij kan ook crematie verkiezen. Met het oog hierop zou geen Kerk mogen weigeren dienst te doen bij crematies; integendeel, het opdragen van de overledene aan de genade Gods roept de Kerk tot dezelfde dienst, onverschillig of het lichaam wordt toevertrouwd aan de aarde of aan het vuur. Want het ware „toevertrouwen” is noch aan het een noch aan het ander, doch aan God alleen.” Voor hetzelfde congres bracht ook prof.

dr H. de Vos een referaat uit. Hij besprak de bezwaren, die veelal tegen crematie worden aangevoerd, nl. dat de crematie te kort zou doen aan de eerbied voor het lichaam, dat in de Bijbel hoog wordt gesteld, doordat het met een zeker geweld wordt vernietigd; voorts het voorbeeld van Jezus Christus, die toch ook begraven is en daardoor de begrafenis zou hebben geheiligd; en ten slotte dat in de sfeer der symboliek de begrafenis beter past in de christelijke sfeer, doordat zij eerder gedachten aan de opstanding oproept dan de crematie. Na deze bezwaren onvoldoende te hebben bevonden, eindigt hij:

„Op grond van onze christelijke overtuiging vragen wij volledige vrijheid voor de voorstanders van crematie. Wij menen, dat dwang in dezen in strijd is met de vrijheid van de burgers zo goed als van de christenen. Ook voor de wijze van dodenverzorging geldt: leder zij voor zijn eigen besef ten volle overtuigd” (Rom. 14:5).

Op deze wijze is de baan vrijgemaakt om ook in zake het crematievraagstuk tot een oplossing te komen. Daarmede zou dan een derde onderwerp, dat in het verleden in onze politieke strijd een weinig gelukkige rol heeft gespeeld, zijn geregeld. A. A. VAN RHIJN

AVONDMAAL

Opstandig maal (111)

En weer zult Gij mij zeggen: „neem dit brood en eet er van, mijn kind en drink mijn wijn

en wil mijn gast vandaag aan tafel zijn en wil heel even denken aan mijn dood.. ”

En ditmaal zeg ik niet: „och ja, misschien, als het mij uitkomt en ’k hen niet te moe.

U moest eens weten, God, wat ’k al niet doe! —.. Ditmaal zult Gij mij aan Uw tafel zien!

Want daar weet ik U zeker en nabij

en vind ik moog’lijk antwoord op mijn klacht: „waartoe. Heer, zoveel doden in één nacht!”

Maar Gij sluit mij de mond met wijn en brood en zegt: „Ik vroeg te denken aan mijn dood. Vertrouw de andere doden toe aan Mij.”

J. M. VAN WALSUM-QUISPEL