is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 14, 04-04-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De P.v.d.A. en onze levens- en wereldbeschouwing

De Partij van de Arbeid staat open voor socialisten van zeer uiteenlopende levensen wereldbeschouwing. Wie instemt met het beginselprogram, wordt als lid toegeiaten. Naar zijn levens- en wereldbeschouwing wordt niet gevraagd.

Dit betekent niet, dat de strijd voor het socialisme voor de Partij van de Arbeid een uitsluitend zakelijke aangelegenheid is. Het beginselprogram, waarmee instemming wordt gevraagd, draagt nu eenmaal niet een uitsluitend zakelijk karakter. Er staat in dat program, dat de Partij zich mede verantwoordelijk gevoelt voor het behoud van de geestelijke grondslagen van onze westerse beschaving. Dat is een erkenning van Europa als geestelijke werkelijkheid. Bovendien staat er in het program, dat de Partij erkent, dat de Staat zich mede verantwoordelijk behoort te stellen voor het beste geestelijke erfgoed van ons volk en gebonden is aan zedelijke normen.

Dit neemt intussen niet weg, dat de Partij als zodanig niet voor een bepaalde levens- en wereldbeschouwing kiest.

Wel erkent zij het zeer wezenlijk verband tussen levensovertuiging en politiek inzicht en waardeert het in haar leden, indien zij dit verband ook in hun arbeid voor de Partij duidelijk doen blijken.

Op deze verklaring zijn de tegenstanders van de Partij van de Arbeid met ware hartstocht afgevlogen.

Een man als prof. S. U. Zuidema beweert, dat deze verklaring betekent, dat de Christenen in de Partij van de Arbeid het voor hun rekening nemen en het zelfs waarderen, wanneer hun ongelovige medeleden zich op hun ongeloof beroepen en daaruit leven. Men leze zijn rede „Kan een christen lid zijn van de Partij van de Arbeid?” (blz. 16, 17 en 24).

Stufkens heeft het onjuiste van deze beschuldiging aangetoond door een vergelijking.

Wij hebben in Nederland gedurende driekwart eeuw een schoolstrijd gehad, die onze politieke geschiedenis al die tijd beheerst heeft. Deze schoolstrijd werd gevoerd, omdat de Protestantse en Rooms-Katholieke ouders weigerden hun kinderen toe te vertrouwen aan scholen, wier opvoedende arbeid niet geleid werd door een positief christelijke geloofsovertuiging. Op het politieke vlak hebben zij echter de strijd niet gevoerd voor de christelijke school, maar voor de vrijheid van de ouders, zelf te bepalen, in welke geest het onderwijs aan hun kinderen gegeven zal worden.

De wet, die de bekroning en afsluiting van deze schoolstrijd bracht, kent geen Humanistische en Christelijke, geen Protestantse en Rooms-Katholieke, maar uitsluitend de bijzondere school, die door de overheid erkend en gesteund wordt, afgezien van de vraag welke levens- en wereldbeschouwing de oprichters bezielde.

Men kan zeggen, dat de Christenen in Nederland gevochten hebben voor de mogelijkheid, dat er scholen worden opgericht, die in hun opvoedende arbeid door een Humanistische of Atheïstische levensovertuiging geleid worden.

Wanneer men redeneert op de wijze van prof. Zuidema, kan men met goed recht

beweren, dat deze Christenen het voor hun rekening nemen en zelfs waarderen, dat kinderen van ons volk in een Humanistische of Atheïstische levensovertuiging worden opgevoed.

Er is echter geen Christen, die deze beschuldiging niet met verontwaardiging afwijst. leder Christen, die gestreden heeft voor het recht van de bijzondere school, zal het betreuren, dat er ouders zijn, die hun kinderen Humanistisch of Atheïstisch willen opvoeden. Maar het recht van deze ouders, zelf hun verantwoordelijkheid te bepalen en te dragen, zullen zij met hand en tand verdedigen. Om dat recht is het hun in de schooistrijd te doen geweest. Zij zullen echter in geen enkel opzicht verantwoordeiijk wilien worden gesteld voor het feit, dat deze ouders van dit recht gebruik maken door hun kinderen tot Humanisten of Atheïsten op te voeden.

Zo draagt een Christen, die lid van de Partij van de Arbeid is, de volle verantwoordelijkheid voor het feit, dat ieder iid van deze Partij het recht heeft, het sociaiisme te propageren vanuit zijn eigen ievens- en wereldbeschouwing. Hij draagt echter in geen enkei opzicht de verantwoordelijkheid voor een eventuele propaganda voor het socialisme van uit een Humanistische of Atheïstische ievensovertuiging.

De levensbeschouwelijke keuze wordt door de Partij erkend in al haar ernst, maar zelf kiest de Partij met haar beperkte doelstelling niet voor deze of gene levensen wereidbeschouwing. Hier ligt inderdaad een principieel verschil tussen de Partij van de Arbeid en de confessionele partijen. Wij denken nu een-

maal anders over het wezen en de grenzen van een politieke partij. Maar het zij nog eens met nadruk gezegd, dat de Humanist, die lid van de Partij van de Arbeid is, niet verantwoordelijk is voor de wijze, waarop ik van uit mijn christelijk geloof het socialisme voorsta en propageer, evenmin als ik verantwoordelijk ben voor de wijze, waarop hij van uit zijn Humanistische levensovertuiging voor het socialisme getuigt.

Met deze afwijzing van de beschuldiging van prof. Zuidema zijn wij echter niet klaar. De vraag naar de verhouding van politiek inzicht en levensovertuiging blijft ook binnen de Partij een probleem. Het is bekend, dat de Partij binnen haar organisatie gelegenheid heeft gegeven tot het oprichten van Werkgemeenschappen op de basis van levensovertuiging. Zo is er een Protestants-Christelijke, een Rooms-Katholieke en een Humanistische W erkgemeenschap.

Het doel van deze Werkgemeenschappen is enerzijds de bezinning in de kring van geestverwanten, die lid van de Partij zijn, op de verhouding van politiek inzicht en levensovertuiging, anderzijds de propaganda voor het socialisme in de kring van de geestverwanten, die geen lid van de Partij zijn.

De Werkgemeenschappen zijn enkele jaren aan het werk en het is wel duidelijk gebleken, dat zij in de Partij een waardevoiie functie vervullen. Toch stelt het verschijnsel van de Werkgemeenschappen ons voor vragen, die tot nog toe niet beantwoord werden. Ook dreigen er gevaren.

Prof. Banning heeft in „Socialisme en Democratie” van Januari gewezen op het z.i. reële gevaar van afsluiting der Werkgemeenschappen, wil men: het gevaar van verzuiling binnen de Partij. Ais één, die behoort tot de Protestants Christelijke Werkgemeenschap en die de onmisbaarheid van de Werkgemeenschappen erkent, wil ik in een volgend artikel iets meer over het gevaar van verzuiling zeggen. J. J. BUSKES Jr

Een verheugende opdracht

Dr H. Berkhof, orthodox predikant van de Hervormde Kerk, directeur van het Seminarie, waar de aanstaande predikanten van de Hervormde Kerk worden opgeleid, heeft een boekje gepubliceerd, getiteld „Christus en de machten”. In „Tijd en Taak” hopen wij aan dit belangrijke geschrift binnenkort aandacht te schenken. Wij vermelden het nu reeds vanwege het feit, dat dr Berkhof zijn studie opdraagt aan prof. Banning.

In zijn inleiding schrijft dr Berkhof, die geen lid van de Partij van de Arbeid is, het volgende:

„Tijdens het schrijven werd het mij duidelijk, dat ik dit boekje moest opdragen aan prof. Banning, hoogleraar te Leiden en hoofddocent aan het Instituut voor Kerk en Wereld te Driebergen. Het is nog niet zo heel lang geleden, dat ik er zelfs niet van droomde, zoiets ooit te zuilen doen. Voor velen uit de Nederlandse orthodoxie, waartoe ik van harte behoor, is Banning de vrij – zinnige (en vaak ook Banning de socialist)

als de rode lap voor de stier. Naast geringe zakelijke bestrijding heeft deze man heel veel verdachtmaking en smaad ondervonden. In deze woiken van bestrijding is zijn eigenlijke gestalte nauwelijks meer zichtbaar. Banning is in ons midden de man, die zijn leven gewijd heeft aan de strijd tegen de machten en die daartoe zijn moeizame post op de grenzen van Gemeente en wereld betrokken heeft. Ook datgene, waarin wij het niet met hem eens zijn, moet gezien worden vanuit deze roeping, die hem ten deel is gevallen. Door dit boekje aan hem op te dragen, wil ik plaatsvervangend iets goed maken en uitdrukken, hoezeer wij juist van de Schrift uit voor deze man en zijn werk dankbaar mogen zijn.”

Dat dr Berkhof deze woorden ten overstaan van de gehele Hervormde Kerk heeft geschreven en gepubliceerd', verheugt ons bovenmate, zowel ter wille van prof. Banning ais ter wille van de Hervormde Kerk. J. J. B. Jr