is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 14, 04-04-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Over de nieuwste poëzie

Dit artikel wordt een kleine gebruiksaanwijzing bij de nieuwste Nederlandse poëzie; als samenvatting van persoonlijke ervaringen is het allereerst voor de schrijver zelf bestemd, maar misschien is het ook voor anderen bruikbaar.

Als ik voor mezelf de atmosfeer van de nieuwste poëzie wil oproepen, beschik ik over enkele voor mijn eigen gevoel verwante stemmingsbeelden: een rokerige zaal, waarin een jazz-band dreunt; flarden gesprek: men kan elkaar nauwelijks verstaan; in het kunstlicht zijn de gezichten bleek, vermoeid en apathisch; let ook op het gelaat der dansenden! Zelf voel ik me een vreemde in dit milieu, maar ik weet: dit is de tijd, waarin ik leef, en als ik aan mijn jonge vriend vraag, of hij de muziek mooi vindt, dan antwoordt hij schouderophalend, maar begint met overgave te spreken over een gramofoonplaat van de echte New-Orleans-jazz, over ptachtige Negermuziek. Ik heb het gevoel dat hij deze band toch wel waardeert, omdat ze zijn heimwee naar echte jazz voedt. Vergis u niet in hem: zelf kan hij heel mooi Mozart en Bach spelen met dezelfde toewijding, als waarmee hij een boogie-woogie op de piano trommelt. Heel moderne jongemensen met een onstilbaar verlangen naar oerwoud en primitief levensgevoel.

Ik denk ook aan een stil zaaltje, waarin schilderijen hangen: aan de ene wand werken van Picasso en van verwante schilders, aan de overzijde enkele voorbeelden van absolute schilderkunst. Ik onderga sterk het indringend geweld van deze schilderkunst. lets in mij komt in opstand, omdat het zo heel anders is, dan wat ik tot nu toe mooi leerde vinden. Van een enkel werk voel ik, haast ondanks me zelf, de onweerlegbare suggestie van een verheien, geheimzinnige, primitieve schoonheid, het meeste vind ik alleen maar interessant, maar ik kan me weer niet onttrekken aan de zekerheid, dat dit „interessant” is, in de oer-betekenis van het woord; dat het mij nu aangaat, dat ik erbij betrokken ben.

Ten slotte: de nieuwste poëzie laat zich het best lezen, als men moe en beu is van het wereldnieuws in de krant, zoals het opgediend wordt in de vlotte journalistentaal. De krantenmensen kunnen het ook niet helpen dat diplomaten en staatslieden vaak zo’n gelei-achtig taaltje praten; dat het nieuws zo neerslachtig, zo disparaat en desperaat is.

„Disparaat en desperaat” zou een goede titel zijn om deze kunst te typeren naar vorm en inhoud: de kunst om het onderscheidene, het los van elkaar staande, door een geestesflits in contact te brengen; woorden die op elkaar lijken maar naar betekenis schijnbaar niets met elkaar te maken hebben, naast elkaar zetten en ineens beseft ge een onvermoede samenhang; we zijn wanhopig (desperaat), omdat de wereld verward is (disparaat).

Niets is voor de moderne dichter onpoëtisch, maar er is ook geen enkel gezag om hem te leiden in de keuze van onderwerp of van toetssteen om de waarde der beelden vast te stellen; er is geen hoog en laag in de waardering van gevoelens. Zijn verbeelding vindt geen steun in een algemeen geldende beeld-taal. Omgekeerd kan men zeggen: voor de moderne dichter is niets onpoëtisch, omdat ook niets poëtisch is. Hoe groot de

afstand is in de moderne mens tussen verbeelding en verstand – en in deze tussenzone werkt de dichter -, blijkt wei hieruit, dat een telegraafpaal voor onze verbeelding een kale stam, voor ons verstand een onderdeel van een communicatiemiddel is. Maar de verwondering erover wordt ons nauwelijks bewust. Zodoende lijkt de poëzie vaak op een inventarisatie van het wereldbeeld en moet men deze dichtkunst lezen zoals men opeenvolgende filmbeelden (filmrijmen) ondergaat: in sprakeloze verwondering.

De onwil om zich te houden aan de tot nu toe geldende stijlregels, de vaak volstrekte afwezigheid van leestekens en hoofdletters, de duidelijke af keer voor de traditionele versregels is bij de besten dieper geworteld dan in de oppervlakkige lust om gek te doen en de burger te ergeren. Er schuilt bij deze schrijvers een diep wantrouwen tegen de gladde orde wan de rede, die de wezenlijke wanorde camoufleert (denk aan het o zo redelijke hoofdartikel van uw krant!). Ze willen een kunst, die rechtstreeks vertolkt de oer-angst en de oer-vreugde van vóór het verstandelijk beleid; ze willen woorden en zinnen, die nog niet besmeurd zijn en versleten door alledaags gebruik. Ze delen met de moderne burgerman zijn onvermogen de traditioneie poëzie te genieten. Spreek in hun buurt niet van weemoed en tere gevoelens, niet van heldenmoed en ziele-adel. Het is hun of te verfijnd of te onwaarachtig. Eigenlijk kent hun poëzie ook geen echte wanhoop als redelijk besluit; maar iets dat veei primitiever is en argelozer: woede en pret, boosheid en liefde (zonder hóófdletter a.u.b.!) én ... walg (redelijk vertaald: een hartstochtelijk pessimisme); hun humor is echt, maar rauw. Ze verwachten wonderveel van de spontane inspiraties, de ongeremde oprisping uit het onderbewustzijn. Wat voor de traditioneie dichter het erts was, dat hij na moeitevol polijsten in zijn etalage legde, is voor hen de poëzie zelf. Het vers zal bij hen explosief zijn: elk woord een voltreffer. Anders gezegd, maar veel te precieus: een paarlensnoer, maar dan zonder snoer!

Voor mij staan twee dingen vast: de kans dat deze poëzie zinloos en waardeloos gestamel is, moet hoog aangeschreven worden; ze is te moeilijk om steeds te lukken; de zuivering der middelen, die deze gewelddadige poëtiek aan de dichtkunst oplegt, is heilzaam en onvermijdelijk en kan voor de toekomst zegenrijk zijn. Het is daarbij niet gezegd, dat de puinruimers ook de bouwers zijn. Het zou wel eens kunnen, dat juist degenen die buiten deze beweging bleven, er het meest van profiteerden.

Als ge leest, doe als ik: wees eerlijk met u zelf en erken, dat sommige bladzijden u na herhaalde lectuur onverstaanbare rimram lijken. Dat is dan niet voor u geschreven. „Misschien voor niemand” kunt ge u troosten! Hier en daar zult ge regels en fragmenten ontmoeten, die u troffen. Van daaruit zet ge uw verkenningen voort. Wees geen snob en bewonder niet, wat u niets doet. Maar oordeel ook niet voorbarig, door als onzin te verklaren, wat gij (mi nog niet) verstaat. Zoek er niet teveel achter: uw spitsvondigheid, geschoold bij Huygens, Staring, Potgieter, kunt ge veilig thuis laten. De meest eenvoudige uitleg: pret om dolle associatie, verliefdheid op een onredelijk klankeffect, de contrastwerking van het niet-verwachte, is dikwijls voldoende als verklaringsgrond.

Wonderlijk en interessant is deze poëzie: interessant omdat ze op haar wijze de moderne mens spiegelt. Wonderlijk, omdat haar verrassende zeggingswijze inieidt tot de verwondering over ons bestaan en onze situatie. De tijd om haar waarde te bepaien is nog niet gekomen. J. G. B.

Men noemt hen „De experimentelen” of „De atonale dichters”. Hoewel ze zelf graag smalend over de vorige generatie spreken, zijn ze niet zonder stamboom. Ik denk aan H. Gorter, H. Marsman, J. Slauerhoff, vooral Paul van Ostayen, en in latere tijd Pierre Kemp en G. Achterberg. Al de bovengenoemden vertonen minstens in een gedeelte van hun werk een zekere overeenkomst met het werk der jongste dichters. Internationaal gezien hebben deze dichters gelijk, wanneer ze beweren, dat ze met hun poëtische teclmiek in Nederland een achterstand inhalen. In de Franse, Engelse en Amerikaanse literatuur zijn verwante bewegingen reeds lang bekend. Laten we Dada en het Surrealisme als de aanvang noemen, maar ook wat daaruit voortkwam en eigen wegen ging. We denken aan dichters als Jacques Prévert, René Char e.a. in de Franse, namen als T. S. Eliot, W. H. Auden. Ezra Pound e.a. in de Engels-Amerikaanse literatuur. Het voorgaande is niet als verwijt bedoeld. Het is onzin een kunststroming af te wijzen, omdat we iets dergeiijks al eens gezien hebben, hier of in het buitenland. Anderzijds moet men de pretentie afwijzen alsof deze stroming iets geheel nieuws is. Ten slotte maakt het constateren van voorlopers en van internationale verwantschap het waarschijnlijk, dat deze poëziestroming het gaat winnen; niet noodzakelijk in deze zin, dat ze de andere volledig zal verdringen, maar wel dat ze in de komende tijd meer mode zal worden, dat vele jonge talenten, die nog naar aansluiting zoeken, zich bij haar zullen voegen en dat ze weldra het totale beeld der Nederlandse poëzie zal beheersen; ook de weerbarstigen zullen dan gedeeltelijk haar techniek overnemen, tot weer een nieuwe stroming... Ter oriëntatie noem ik enige namen. Tot de ouderen van deze groep horen Koos Schuur en Gerard Diels (bekend uit de periode van vlak na de tweede wereldoorlog); dichterbij de reeds bekende namen van L. Vromans en H. Lodeizen, terzijde Ch. Timmer. En nu de dichters waarover het gaat: Lucebert, Jan G. Elburg, Remco Campert, Paul Rodenko, Hans Andreus, Simon Vinkenoog, Jan Hanlo, Hugo Claus, Nes Tergast.

Soms traag sochtends zie ik tussen het haastig trillen van het licht

mijn eigen stilstand in de lucht fantoom van spiegels bedrieglijk stille snaren

ik weet noch ik hen een cel zucht en heldre vleugels

mijn vensters open en dicht

planten en wolken bewonen mijn lichaam geduld en ongeduld op hoeven en haren gaan

wind en aarde om de rotonde der zon

lucebert uit „triangel in de jungle”