is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 16, 18-04-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET SCANLONPLAN

Drs Bogaers, een econoom die als secretaris aan de K.A.N. is verbonden, heeft de vorige zomer een studiereis naar de Verenigde Staten gemaakt, waarvan hij terug is gekeerd blakend van enthousiasme over een nieuw systeem van beloning dat hij daar in werking heeft gezien en dat een veel hoger inkomen voor de arbeiders mogelijk maakt, hen veel actiever als producenten bij de leiding van het bedrijf betrekt en een sfeer van grote harmonie en eenswillendheid in alle lagen van de bedrijfsbezetting schept. De fabrieken waar hij het meest over schrijft zijn een machinefabriek in Lapointe en een fabriek van benzine- en olietanks in New Palestina (Ohio). De heer Bogaers heeft ook met de geestelijke vaders van het stelsel gesproken, prof. Golden van Harvard University en prof. Scanlon van Massachusetts Institute of Technology.

Zeer in het kort komt het stelsel op het volgende neer.

In het bedrijf wordt de gemiddelde verhouding berekend van de arbeidskosten op de verkoopwaarde van het product. Stel dat men een cijfer hiervoor vindt van 35% dan wordt elke verlaging van dit percentage die het gevolg is van voorstellen der arbeiders, aan de arbeiders ten goede gebracht en wel niet individueel (zoals geschiedt bij de ook in ons land veel voorkomende ideeënbussen) maar collectief. De door deze daling gemaakte winst wordt nl. in een pot gestort waaruit alle arbeiders aan het eind van het jaar een bonus ontvangen.

Een verschU met onze ideeënbussen is verder dat de beoordeling van de arbeidersvoorstellen niet alleen door de directie geschiedt, maar door per afdeling of voor het gehele bedrijf ingestelde commissies waar naast de leiding ook de arbeiders zelf in deelnemen.

Een verschil is verder dat de beloning in de door de heer Bogaers bezochte bedrijven die van de beloning welke bij onze ideeënbussen gangbaar is (ƒ 25,— met maxima tot een paar honderd gulden) ver overtreft, zo ver dat het waarlijk geen wonder is dat de arbeiders daar het gevoel hebben op een geheel andere voet te worden beloond: in Lapointe bedraagt de bonus liefst 40—50% van het loon.

Zowel materieel als geestelijk is de toestand in deze bedrijven dus wel heel anders dan hier en de heer Bogaers meent dat het systeem hier kan worden overgenomen.

Is dat zo?

Allereerst dient gezegd te worden dat het als ik goed zie hier te lande voorkomt, nl. bij Gispen. De vraag rijst, waarom het hier klaarblijkelijk niet als een sneeuwbal om zich heen heeft gegrepen? Wonderbaarlijkerwijs praat de heer Bogaers daar helemaal niet over. Zijn brochure *) is daardoor onrijp; een confrontatie met de in Nederland bestaande ervaring had, juist nu Bogaers er zo enthousiast over is, niet mogen ontbreken.

Dit had te minder mogen geschieden, waar de bezwaren zeer voor de hand liggen. In de eerste plaats is de voorwaarde voor het systeem een uiterst nauwkeurige kostprijscalculatie, gebaseerd op een administratief systeem waar lang niet ieder bedrijf over beschikt.

Verder is het systeem afhankelijk van een zekere vastheid in de gevonden basisverhouding. Daar waar wijzigingen in het

productieprogramma de verhouding sterk doen veranderen is toepassing natuurlijk bezwaarlijk.

Maar dan: gesteld dat het systeem wordt ingevoerd in een slecht geleid bedrijf, dan zal de premie voor de arbeiders zeer groot kunnen zijn, terwijl een goed geleide firma, waar de arbeiders precies even hard hun best doen, zulk een premie niet zal toelaten. Dit lijkt mij bepaald een zeer groot nadeel. En veronderstel nu even verder dat in het slecht geleide bedrijf, door een suggestie van de zijde van de vakbeweging (eventueel niet eens van de in de fabriek werkende arbeiders) de directie overgaat tot een organisatie-onderzoek: zijn dan deze baten vatbaar voor de bonus?

Voorshands is het nog niet duidelijk waaraan het succes in de Amerikaanse fabrieken precies is te danken en in hoeverre we er hier te lande iets mee aan kunnen. Dit neemt niet weg dat het de moeite waard is om kennis te nemen van situaties waar arbeiders een loon ontvangen dat hun bestaan op een geheel ander niveau brengt.

materieel en geestelijk. Dat geldt niet alleen van deze brochure, die ik aan alle lezers warm aanbeveel, maar ook v00r... het veel gesmade Stakhanof-systeem in Rusland. Ik had juist Godeys boek „Visum voor Moskou” gelezen en was getroffen door de overeenkomst tussen het enthousiasme, de geest en de materiëie omstandigheden van de arbeiders in Lapointe en die arbeider uit de Russische staalfabriek waar Godey in hoofdstuk XV van vertelt: eenzelfde boven het gemiddelde ver uitstekend arbeidersinkomen, dezelfde vereenzelviging van eigen en bedrijfsbelang, dezelfde afwezigheid van klasse-achterdocht, dezeifde resultaten met betrekking tot de productiviteitsverbetering, dezelfde lust tot experimenteren met verdere productiviteitsverhogende methoden en technieken, dezelfde echt aandoende openhartigheid.

Juist als je, als voorzichtige en wat al te bedaarde Nederlander niet zo dadeiijk overtuigd bent, is het zo nodig om niet te vergeten dat het op andere piaatsen in de wereld, om redenen die we niet helemaal doorzien en die we daarom graag als nuchtere Hollanders eerst wat beter zouden willen doorgronden, eens wat anders kan gaan dan bij ons. R. BOUDEWIJNS

* Democratie in de Overwinning. De Lanteem, Utrecht.

Nabetrachting bij een kunstenaarscongres

De Partij van de Arbeid heeft op 10 April een kunstenaarsconferentie belegd te Rotterdam. Er werden twee thema’s aan de orde gesteld: „Wat kan in de gemeente concreet voor kunst en kunstenaar gedaan worden?” en „Discussie over de opleiding van de kunstenaar, het ambachtelijk aspect in verband met de toegepaste kunst en de vraag in hoeverre de opleiding daarmee rekening houdt.”

Laten we beginnen de Partijleiding te prijzen dat ze ernst maakt met haar programmapunt „Actieve cultuurpolitiek”. Daar komt zo een en ander bij kijken! En hoewel cultuur heel wat meer omvat dan kunst alleen men vergeet dat wel eens! is het vandaag noodzakelijk, dat de politiek zich met de kunst bemoeit. Voorzitter Vorrink zei het uitmuntend: „De Partij van de Arbeid voelt het als een groot gebrek, dat er een te gering contact bestaat tussen de partij en de kunstenaars. Wy zien onze taak niet alleen in engere politieke zin en in het sociaal-economische vlak, maar eveneens in de verantwoordelijkheid jegens de cultuur. Op het gebied van de verzorging van de kunst hebben wij een belangrijke taak te vervullen.”

De vorige „kimstenaarsdag” (20 Mei ’52) leverde een goede brochure op: „Zonder weerklank” (uitgave A.P. 1952, 57 blz., ƒ1,90), waarin de twee nijpende kwesties, in aansluiting bij wat daar reeds in „De weg naar vrijheid” geschreven was, helder omschreven werden: a) de nood van de kunstenaar wat betreft zijn opleiding, zijn werk, zijn maatschappelijke status; b) de nood der maatschappij, die de omgang met de kunst al te zeer moet missen.

Men zegt: „een groot deel van het volk is vervreemd van de kunst. Ik betwijfel sterk of die stelling historisch waar te ma-

ken is. Waarschijnlijker lijkt mij dat de bewuste omgang met de kunst, m.a.w. de smaak te allen tijde tot nu toe de zaak is geweest van een eiite. Wat wel veranderd is tussen vroeger en nu, is ten eerste: het begrip der artistieke vormentaal. De kunstenaar van voor de Renaissance hanteerde een vormentaal die voor vrijwel iedereen verstaanbaar was. Een schilderij, een tekst, een beeld, een melodie, iedereen verstond, wat er in gezegd werd. Dit houdt nog niet in dat men ook toegang had tot de aesthetische waarde. Ook nu nog kan men een vers begrijpen, de voorstelling van een schilderij herkennen, zonder het als kunstwerk te verstaan. Omgang met de kunst is echter een zo groot menselijk goed, dat het de moeite waard is, vanuit een democratisch besef, alles op alles te zetten om te pogen de toegang tot de kunst voor iedereen toegankelijk te maken. Ziehier een kardinale opgave voor opvoeding en onderwijs.

Een mens kan wel, een maatschappij kan niet zonder kunst. Hierop berust m.i. het recht van de kunstenaar op een maatschappelijk erkende plaats. Dat hier aan zo bitter veel ontbreekt, ligt aan een veelvoud van oorzaken waarvan ik er enkele noem. Kunst en samenleving zijn uit elkaar gegroeid. De kunst ging een geheimtaal spreken, die de burger niet verstaat. De industriëie revolutie drong het ambacht terug. De mens kwam te leven tussen lelijke, onpersoonlijke dingen. De diepste oorzaak echter is dat de kunstenaar een getuige is van een boven-materiële wereld en dat de mens van vandaag zich al te zeer in beslag laat nemen door aardse zaken: geld en nog eens geld, en dan luxe, en dan prestige door luxe, en verzekering tegen alle levensrisico’s. Er blijft geen tijd, geen aandacht en dus ook geen vermogen over