is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 17, 25-04-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SOCIALISME EN MAATSCHAPPIJ

Wanneer men de vraag stelt, wat het meest kenmerkende is geweest en nog is van een socialistische instelling tegenover de maatschappij en de vragen, die deze maatschappij opwerpt, dan zou met enig recht waarschijnlijk het volgende antwoord kunnen worden gegeven: het socialisme heeft zich steeds met bijzondere aandacht geworpen op de structurele problemen van de maatschappij. Deze aandacht is niet het uitsluitend monopolie van socialisten geweest. Kuyper men denke aan zijn beroemde rede van 1891 had stellig ook oog voor deze problemen. En men kan het alleen maar toejuichen, dat tegenwoordig ook bijv. in de kringen van het C.N.V. zich men ernstig en diepgaand juist met de structurele vragen van de maatschappij bezighoudt.

Toch lijkt mij de stelling te verdedigen, dat met name in het verleden de belangstelling voor deze fundamentele vragen nergens zo breed en zo intens is geweest als in het socialisme.

De invloed van Marx is ten aanzien van dit punt ongetwijfeld zeer groot geweest. Marx immers heeft principieel de maatschappelijke problemen gesteld als problemen van de structuur der maatschappij. De enige weg, waarlangs hij meende, dat een oplossing van de maatschappelijke problemen mogelijk was, was dan ook die van een principiële verandering in .de maatschappij -structuur.

’t Kan dan ook geen bevreemding wekken, dat er in het opkomende socialisme juist daar grote beroering werd gewekt, waar men meende, dat deze visie en deze houding in het gedrang kwamen.

De grote felheid, waarmee de strijd rondom reformisme en revisonisme is gevoerd, wordt tegen deze achtergrond begrijpelijk. Evenals de moeite, die het velen gekost heeft om tot de erkenning te komen, dat de structuur-analyse (met de daaraan verbonden prognose!) van Marx op bepaalde punten niet in overeenstemming was met de feitelijke ontwikkeling der maatschappij. Hoe meer men namelijk de structuurproblemen op de voorgrond plaatst en tot uitgangspunt neemt voor zijn houding en actie, des te meer gaat de vraag klemmen, of de analyse der structurele problemen, van waaruit men verder gaat denken, inderdaad wel juist en „waterdicht” is.

Het 19e-eeuwse liberalisme had veel minder moeite met deze vragen, omdat het geënt was op een filosofische wortel, die een gerede en gemakkelijke oplossing aan de hand deed in de vorm van de leer der „natuurlijke harmonie”, die a.h.w. als inhaerente stuwkracht in de maatschappij aanwezig werd geacht en die verder weinig andere bezorgdheid vroeg dan de onbezorgdheid van een zo groot mogelijke maatschappelijke vrijheid.

We zouden het ook zo kunnen formuleren: het socialisme heeft voortdurend zijn grootste aandacht gericht op een rationele therapie der ziekten, waaraan de maatschappij lijdt en heeft een symptomatische therapie als onvoldoende en ondeugdelijk afgewezen. D.w.z.: het heeft zich gericht op een therapie, waarbij de structurele oorzaken werden opgespoord en aangepakt en een bestrijding van alleen maar de symptomen, de Incidentele misstanden, als onvoldoende van de hand gewezen.

Een duidelijk voorbeeld hiervan vindt men nog steeds in de discussies rondom de werkloosheidsbestrijding in de vooroorlogse crisisjaren. Zeer instructief is bijvoorbeeld

wat dr Haveman in zijn reeds enige malen in dit blad genoemde boek over de ongeschoolde arbeider hierover schrijft.

Het verschil in benadering en aanpak van maatschappelijke vragen tussen bijvoorbeeld P.v.d.A. en V.V.D. zou men misschien ook onder meer kunnen karakteriseren als het verschil tussen deze twee behandelingswijzen: de rationele en de symptomatische therapie. Waarbij men zich zeker moet hoeden voor een al te simplistisch zwartwit-schema. Ook in bepaalde liberale groepen is er gelukkig verschijnsel wel degelijk een toenemende belangstelling voor de structurele vragen van de maatschappij waar te nemen.

De hierboven geschetste instelling ten aanzien van de maatschappelijke problemen heeft op verschillend gebied ook ongetwijfeld tot belangrijke resultaten geleid. Het is stellig overbodig om deze hier op te sommen. Waar wij echter op zouden willen wijzen is het volgende.

Elke rationele therapie, elke aanpak van de structurele problemen der maatschappij uit, is zoals we reeds opmerkten in hoge mate, wat haar waarde betreft, afhankelijk van een juiste en volledige analyse van de situatie en de problemen. Wie namelijk zijn politiek op deze wijze opbouwt, legt zich altijd in meerdere of mindere mate vast op deze analyse. Daarom zal men ook in het socialisme voortdurend zich zeer ernstig moeten bezighouden met de vraag, welke verschuivingen er in het grondpatroon der maatschappij plaatsvinden en op welke wijze het politieke handelen aan deze verschuivingen moet worden aangepast. Een van de ernstigste bezwaren, die men tegen Marx kan aanvoeren, is namelijk wellicht, dat hij op een typisch 19e-eeuwse wijze de richtlijnen heeft gedacht en te gemakkelijk zijn be-

schouwingen heeft gebaseerd op de structuur van de maatschappij, daarbij te zeer uit het oog verliezend het dynamisch karakter van elke maatschappijstructuur, die geen constante grootheid is, maar door haar dynamiek telkens weer ingrijpende wijzigingen ondergaat.

Laten wij een paar voorbeelden mogen noemen. Bumham heeft een aantal jaren geleden met zijn boek over de „Managerial Revolution” (Ned. vert.: Heerschappij der Bewindvoerders) een zeer belangrijk structureel probleem aan de orde gesteld. Er is gerechtvaardigde critiek geleverd op dit boek, maar een werkelijk af doend antwoord op of een werkelijk gefundeerde oplossing voor dit zeer belangrijke probleem is, naar wij menen, tot nog toe achterwege gebleven.

Een ander voorbeeld: de strijd van het socialisme in de 19e eeuw heeft zich gericht tegen de ont-menselijking van de mens in de 19e-eeuwse maatschappij. Een ont-menselijking, die ten nauwste verband hield met rechteloosheid en sociale en economische onzekerheid. Ten aanzien van beide punten is er veel bereikt.

De veranderingen, die de maatschappij heeft ondergaan, hebben het probleem van de ont-menselijking, of beter misschien nog: van de ont-persoonlijking niet opgelost. Integendeel: het is waarschijnlijker nog klemmender geworden. Maar... in allerlei opzicht op een geheel ander vlak. Het bereiken van een veel grotere sociale en economische soliditeit bracht stellig niet automatisch een oplossing voor de problemen der menselijke solidariteit en der mogelijkheden tot werkelijk persoon zijn in de maatschappij.

Ook de problemen rondom centralisatie met de daaraan noodzakelijk verbonden veralgemening en functionele decentralisatie zijn stellig nog niet opgelost. Daarom zal juist binnen een sociale en politieke beweging, die zich in zo sterke mate richt op de structurele vragen van de maatschappij, een voortdurende herbezinning op en zo nodig wijziging van de analyse en daarmee van de actuele politiek nodig blijven. J. H.

De werkgelegenheid

Niets is nieuwer en verrassender dan de gewone werkelijkheid, mits men er in de dagelijkse tredmolen ten voUe induikt; men heeft dan immers deel aan de spanningen van hoop en teleurstelling waar zij ons in pleegt te brengen. Gesloten daarentegen en saai is zij, vervelend en versleten voor wie zich er innerlijk om de een of andere reden verre van houdt. Voor hem zijn ook de meest essentiële publicaties op economisch gebied onverteerbaar en als excuus verschuilt hij zich dan achter het argument dat dit alles alleen maar kost is voor specialisten.

Daartegen houd ik gaarne met enige felheid staande dat een aantal, in omvang meestal beperkte geschriften op economisch gebied van belang is voor ieder werkend mens, mits hij geestelijk nog in leven is en bereid zich rekenschap te geven ook van de weerbarstige stoffelijke zijde van zijn eigen bestaan.

Dit geldt met name van de op 27 Maart door minister Zijlstra gepubliceerde vierde Industrialisatienota, want die houdt zich bezig met de wel zeer belangrijke vraag wat er gebeuren moet om de hele bevolking aan het werk te houden en tegelijkertijd de betalingsbalans in orde te doen blijven. De minister probeert dit te doen voor een periode van vijf jaar (1953-1957), gelijk de

eerste nota (van minister Van den Brink) dat in 1948 deed voor de periode 1948 tot en met 1952. Het lijkt mij goed er voor u een en ander uit op te diepen, natuurlijk alleen maar enkele resultaten; op de redenering die tot de resultaten leidt moet u zelf maar eens uw kracht beproeven. Gewoonlijk worden zulke nota’s in brochurevorm door de Staatsuitgeverij in de handel gebracht.

Hoe groot is de taak ten aanzien van de werkgelegenheid? Uit tabel 14 en 15 blijkt dat het aantal werkers in de industrie in deze vijf jaren moet groeien met 105.000 tot 1.735.000 en dat daarvoor de industriële apparatuur moet worden uitgebreid met ƒ 4,5 mrd. Die 4,5 mrd moeten bovendien dienen om te zorgen dat er werk blijft voor hen die door de toeneming van de arbeidsproductiviteit zonder werk zouden komen. Dat is een actueel en interessant punt dat wellicht een kleine toelichting behoeft. Als de arbeidsproductiviteit, dat is de hoeveelheid product per arbeider, niet zou toenemen en (dat is hetzelfde van een andere kant bekeken) de kosten per eenheid product niet zouden dalen, dan zou de afzet van onze productie in de concurrentie met het buitenlandse product, dat deze ontwik-