is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 17, 25-04-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

keling wél vertoont, gaan stagneren, hetgeen erop neer zou komen dat er toch werkloosheid komt.

Als de arbeidsproductie toeneemt zijn er minder arbeiders nodig voor eenzelfde hoeveelheid product. Dat betekent dat in bepaalde gevallen arbeiders werkloos worden, voor wie dus op andere plaatsen, door uitbreiding van de industrie weer werk moet worden geschapen. Er is op deze wijze dus op korte termijn en voor een beperkte tijdsduur werkloosheid. Stijgt de arbeidsproductiviteit bij ons echter niet en vermijden we dus de werkloosheid op korte termijn dan raken we bij het buitenland achter en er komt werkloosheid op lange termijn en zeker ook voor een langere tijdsduur. In het belang juist van de werkgelegenheid moeten we dus de werkloosheid op korte termijn onder het oog durven zien als een gevaar dat echter door industriële uitbreiding kan worden ondervangen. De nota stelt de omvang van deze uitstoting als gevolg van de stijging der arbeidsproductiviteit op 75.000 tot 100.000 man.

Om even samen te vatten: teneinde de in industrie werkzame bevolking in vijf jaar te doen groeien met 105.000 man moet, door uitbreidingsinvesteringen van ƒ 4,5 mrd, gezorgd worden voor een aantal arbeidsplaatsen dat niet 105.000 groot is maar 105.000 + 75.000 è 100.000 = 180.000 k 205.000.

U zult uit de tabel 14 zien dat deze laatste cijfers nog met 30.000 kunnen worden verminderd die, naar schatting, bij de bestaande apparatuur (dus zonder uitbreidingen) nog kunnen worden geabsorbeerd, wat met het oog op de bestaande werkloosheid en de gewenste spoed deze te verminderen natuurlijk heel gelukkig is. Het taakcijfer is dan 150.000 k 175.000 in vijf jaar.

Interessant is om te zien hoeveel de investering per arbeider bedraagt, nodig om hem aan het werk te zetten en te houden. Het bedrag is hoog: ƒ4,5 mrd : 150.000 k 175.000 = rond ƒ 27.000. Dit is een gemiddelde, waar de basisindustrieën (hoogovens, stikstofbindingsbedrijf, chemische industrie) ver boven uit komen, terwijl de verwerkende industrie er een stuk beneden ligt (ƒ 16.000 tot ƒ20.000).

Ferdinand van Olivier (1785-1841) Kloosterhof bij Salzburg

We keren nog even terug tot onze 105.000 man toeneming der industriële arbeidersbevolking en vragen: in welke bedrijfstakken moet die terechtkomen? De mogelijkheden voor opneming zijn immers heel verschillend. Basisindustrieën zijn kapitaalintensief (weinig arbeiders per ƒ 1000 investering), verwerkende industrieën kunnen arbeidsintensief zijn (veel arbeiders per ƒ 1000). Welnu de grootste opneming heeft plaats in de metaalindustrie en de textielindustrie (elk ƒ28.000).

Natuurlijk zijn met het oog op de export en de betalingsbalans de kapitaalintensieve industrieën juist vaak van groot belang. De geraamde productiestijging van de chemische industrie, die voor opneming van nieuwe arbeiders haast te verwaarlozen is, kan in dit verband genoemd worden: zij wordt gesteld op 27%, bijna evenveel als de metaal- en de textielindustrie (elk 28%). De stijging voor de industrie als geheel is geraamd op 22%.

Na aldus de omvang van de werkgelegenheidstaak te hebben gezien, nog even een blik op de middelen.

Waarin bestaan de middelen om deze taak te volbrengen? Hoe moeten we dat gaan doen?

Natuurlijk: door te roeien met de riemen die we hebben, dat wil zeggen: met ge-

bruikmaking van een bedrijfsleven dat ten dele in handen is van de overheid (mijnen, openbare nutsbedrijven, deelnemingen in hoogovens, staal- en walswerken, zoutindustrie, enz.) en dat voor een nog groter deel berust op het particuliere initiatief.

De noodzakelijke uitbreidingen in de eerste sector heeft de overheid uiteraard zelf in de hand. Zij kan deze rechtstreeks tot stand brengen.

De particuliere sector heeft zij echter niet in de hand. Zij kan hier slechts pogen de omstandigheden waaronder deze sector werkt, zo gunstig mogelijk te maken, voornamelijk met monetaire en fiscale middelen, gekoppeld natuurlijk aan de middelen van de loon- en prijspolitiek. Een volgend maal nog het een en ander over deze hoogst belangrijke, maar voor de gewone lezer vaak erg abstract lijkende materie. Tot slot echter in dit verband nog even een teken van verbazing over de wijze, waarop de fiscale voorstellen te onzer kennis zijn gebracht: dit geschiedde nl. op 19 Maart door de minister-president namens de regering in een nota aan de Tweede Kamer en daarna op 27 Maart door minister Zijlstra in zijn Industrialisatienota. Geen dezer mededelingen over belastingzaken droeg dus de handtekening van minister Van de Kieft!

R. BOXJDEWIJNS

* IN DEN STILLEN * HOF *

★ Behoed den stillen hof, die in u is gebleven, * nu die u ’t zaad mocht geven reeds opstond uit het stof.

Leid hoog de hechte haag en laat er niemand binnen; * verbrede uw bezinnen geen voetstap van vandaag.

★ O wonder, onverstaan, * als in den nieuwen morgen, in ’t warme licht geborgen nog knoppen opengaan! ★ ★ W. CJOLLES