is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 20, 16-05-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ringsdoeleinden, binnen de grenzen van de middelen is nu wat we onder een politiek van deflatie verstaan.

/nflatie treedt op ais we meer dan onze middelen besteden. We komen dan tekort: goud en deviezen vloeien weg en op den duur gaan we huiselijk gezegd failliet.

Verder is er in dat geval binnenslands meer koopkracht dan met de middelen overeenstemt, waardoor de bekende prijsloonspiraal in beweging wordt gezet.

En ten slotte: bij inflatie is er, dóór de hoge bestedingen een abnormaal grote werkgelegenheid.

Deflatie betekent het omgekeerde: inkrimping van werkgelegenheid (want door de daling van de investeringen daalt het aantal arbeidsplaatsen) en een aanzwellen van de goud- en deviezenreserves.

Ten slotte: deflatie betekent vermindering van de geldstroom (geld wordt niet uitgegeven maar blijft in kassen zitten) en omgekeerd: inflatie betekent vergroting van de geldstroom doordat het geld uit de kassen stroomt om de additionele uitgaven mogeiijk te maken.

4 Na deze opfrisser van ons geheugen is het zeer interessant om te zien dat het nieuwe jaarverslag van de Nederlandsche Bank (1952) ons waarschuwt dat we ondanks de deflatoire beweging waar we nu een poos in zitten, minder veilig zijn dan velen allicht dachten.

Dat is heel merkwaardig, omdat de Bank juist heel duidelijk bevestigt dat we in de deflatoire richting een eind zijn doorgeschoten: zij geeft de cijfers over een enorme toeneming van goud en deviezen (bijna 1200 mln), zij meldt dat de investeringslust daalde, zij gewaagt van daling in de productie ook van consumptiegoederen (schoenen en textiel), en zij herinnert er last hut not least aan dat de werkloosheid steeg (tot gemiddeld voor het hele jaar Je zou zo zeggen dat dus het inflatiegevaar helemaal van de baan is.

De reden voor de waarschuwing is bijzonder interessant: zij hangt nl. juist samen met het defiatoire proces. De toestroom van goud en deviezen brengt nl. een overeenkomstige vermeerdering van de geldhoeveelheid mede, daar de Bank deze dingen in Nederlandse valuta kóópt. Er is dus een wonderlijke, maar logische tegenstrijdigheid in de ontwikkeling, waar men goed op moet blijven letten; dat meerdere geld 771 mln. is nl. op zich zelf wel niet een gevaar, zolang het nl. niet wordt uitgegeven, en in een deflatoire situatie is dat natuurlijk per definitie het geval maar het schept natuurlijk de mogelijkheid daartoe, het is een, groeiend, potentieel gevaar. Onze situatie is m.a.w. inderdaad veel minder stabiel dan velen zullen hebben gedacht.

5 De Bank herinnert er terecht aan dat het genoemde potentiële gevaar nog van andere kanten kan worden versterkt. De overheid had ni. in 1952 een groot overschot van inkomsten boven uitgaven, maar het blijkt dat daarbij volkomen eenmalige factoren een grote rol hebben gespeeld (verandering van inningssysteem bij de vennootschapsbelasting en inhaai van belastingachterstand), factoren die eveneens honderden millioenen betreffen.

Er is dus reden om voor 1953 veel waakzamer te zijn dan men zo in het algemeen had gedacht.

Dat is een merkwaardige conclusie.

R. BOUDEWIJNS

Een vraag aan mej, dr M. H. van der Zeyde

In „Tijd en Taak” van Zaterdag 2 Mei j.l. schrijft dr M. H. van der Zeyde een artikel „Mens en Medemens”. Met als motto: „Gij zult uw naaste liefhebben ais u zelve (Matth. 22 : 39b)”.

Als zij over de betekenis van dit gebod haar beschouwingen wil geven, begint zij aldus: „Het is een van de centrale Evangelie-woorden, die de Westerse cultuur niet meer vergeten kan.”

En even verder: „Niet-Christenen worden er wrevelig onder”. Ja zeker, ik word er wrevelig onder, neen als socialistisch Jood zelfs verontwaardigd.

Dit woord en het andere „Gij zult de Heer uw God liefhebben met geheel uw hart...” etc. zijn ontleend aan het Oude Testament en niet in de allereerste plaats aan het Evangelie.

Laat ons maar eens goedmoedig spotten. Als ik de woorden van Marx uit het eerste deel van „Das Kapital”, waarin hij de diabolische macht van het geld beschrijft met twee aanhalingen uit de Openbaring van Johannes: „Deze zijn één van zin en geven hun kracht aan het beest” en „Niemand kan kopen of verkopen, dan wie het merkteken, de naam van het beest of het getal van zijn naam heeft”, citeerde als woorden van Marx, zonder de Openbaring van Johannes ais oorspronkelijke bron te noemen, wat zou men daarvan zeggen? Of dit: die Sam de Wolff kent niets van de Bijbel, of hij verdringt, door bepaalde complexen gedreven, zijn kennis.

In mijn lang leven heb ik zo vaak het procédé van mej. Van der Zeyde bij deze teksten zien volgen.

Nu ik het echter ook zie toegepast in de kolommen van „Tijd en Taak”, waarmee ik door het socialisme verbonden ben, nu zwijg ik niet. „De Torah en de profeten” zijn een te kostbaar cultuurbezit, door het Joodse Volk de mensheid geschonken, dan dat ik zou mogen dulden, dan dat ik mag toelaten, dat zij zó worden behandeld. Nog altijd is het gezegde: „The greatest contempt is neglect” een diepe waarheid.

Zou ik mej. Van der Zeyde mogen vragen, waarom zij dit deed?

SAM DE WOLFF

Ten antwoord

De vraag van De Wolff geeft mij gelegenheid iets te verduidelijken, en voor zover ik een verkeerde indruk mocht hebben gewekt, iets recht te zetten.

Ik heb mij bij het schrijven van dit stukje ernstig af gevraagd, of ik, niet juister zou doen uit te gaan van het Oude Testament, waarnaar het Nieuwe ook op deze plaats verwijst. Ik heb dat niet gedaan, omdat het mij voorkomt (ik zeg dat als niet-theoloog maar met voorzichtigheid), dat het woord in het Evangelie in een samenhang is geplaatst en een diepte heeft gekregen, die in Lev. 19 : 18 nog in het geheel niet zó aanwezig zijn; ook al staan daar dezelfde woorden.

Had ik daarentegen . geschreven over Mt. 22 ; 37 („den Heer uw God liefhebben met geheel uw hart” enz.), dan zou ik zeker niet nagelaten hebben er op te wijzen, dat Jezus met dit woord geheel staat in de lijn van de Joodse traditie.

M. H. V. d. Z.

De roman als protest

n.a.v. „De Kapellekensbaan” van Louis Paul Boon uitgave Arbeiderspers 1953. 405 blz ƒ 10.50.

Ik kom meer en meer tot de overtuiging, dat in de grote, moderne roman zich een diepe wijziging voltrekt. Ik wil dit nadrukkelijk vooropzetten nu ik me aan een bespreking waag, van wat ik als een meesterwerk beschouw der Nederlandse romankunst: het laatste boek van L. P. Boon: „De Kapellekensbaan”.

De 19e eeuw is het bloeitijdperk geweest van de roman. Kort gezegd kwam de romankunst hierop neer, dat ze beantwoordde aan de lust om een verhaal te vertellen (of te vernemen). De kunstenaar bezielde daartoe denkbeeldige figuren, schilderde karakters, beschreef dit of dat sociaal milieu. De moderne roman echter bedoelt een getuigenis af te leggen omtrent de mens en een getuigenis, dat de mens betreft in zijn meest diepe, in zijn meest algemene werkelijkheid. De roman van vandaag gaat over het menselijk tekort. Deze literatuur bedoelt niet verbeelding te geven of te wekken, maar inzicht en doorzicht. Ik voeg er aan toe: dit inzicht betreft niet de psycholologie. Het gaat niet om het innerlijk verloop der bewustzijnsfeiten; de roman bedoelt niet de wederwaardigheden van de menselijke ziel te inventariseren, maar de moderne roman streeft er welbewust naar de menselijke situatie te beschrijven, de plaats van de mens in het heelal, in de geschiedenis, ten opzichte van de andere, ten opzichte van het eigen bestaan. Uiteraard is de hedendaagse levensatmosfeer beslissend voor het coloriet van de roman en men kan dus donkere kleuren verwachten. De moderne mens heeft al zijn steun-

punten verloren en allereerst het gevoel van zijn waarde en van de innerlijke noodzaak van zijn bestaan, zoals hij dat eertijds ontleende aan zijn Godsgeloof, aan het geloof in een redelijk heelal, aan het geloof in de vooruitgang. Het menselijk bewustzijn verkeert oog in oog met een zinloos heelal; het aanschouwt een woeste, wrede mensenmassa en het mist smartelijk de oriëntatie op een betere toekomst of een stralend hiernamaals. De mens zou geen mens zijn, als hij niet zocht naar een perspectief in deze volstrekte verwarring. Maar eerst wil men tot het uiterste verkennen de totale ontwrichting. De vaste wil zich niet te laten bedriegen, niet nogmaals zich aan de roes der illusies over te geven is misschien wel het meest typerende van de moderne literatuur, zowel van de poëzie, als zeker van de roman.

Daarmee komt de moderne roman op één lijn te staan met de wijsgerige bespiegeling over het menselijke bestaan en met... schrik niet: de christelijke preek, die immers ook zijn uitgangspunt ontleent aan de menselijke situatie. Er is nog een andere overeenkomst tussen preek en moderne roman. De ouderwetse roman zag zijn personen op afstand, in het koele licht der objectiviteit. De moderne roman poogt zo objectief mogelijk te zijn door een intiem zich verenigen en deelnemen aan het beschreven onderwerp: de mens. De ouderwetse roman (én de moderne detectiveroman) zegt: „hij”. De moderne roman en de preek zegt: „wij”.

De Vlaamse schrijver L. P. Boon vertelt in zijn laatste roman van Ondine, als kind.