is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 22, 30-05-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de stijl en ook de opvattingen, die hebben geleefd en gedeeltelijk nog leven in de kringen, die in „Samen op weg” beschreven worden, vermogen te peilen. Men zoekt hier in de eerste plaats naar een cultuurstroming, welke men kan plaatsen in de ontwikkeling van het geheel of naar een bepaald facet van die stromingen, welke courante munt zijn. Vandaar dat men nog steeds mensen tegenkomt, die in arren moede niet beter weten te doen dan de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers te zien als godsdienstige secte dan wel een partij in de „Partij”. Blijkt dit niet vol te houden, dan luidt het oordeel reeds gauw: onvoldoende fundering en men gaat er aan voorbij. Dit zien we zelfs bij figuren, die overigens, wat hun „ligging” betreft geheel zouden passen in de groepering. In „Samen op weg” zelf vinden we hiervan een merkwaardig voorbeeld in de figuur van Horreüs de Haas, die wel op Blij de-werelddagen kwam spreken, doch die, naar het mij voorkomt, aan de sfeer rondom het blad, dat deze dagen belegde, vreemd bleef.

En nu is het juist het merkwaardige voor de sfeer van De blijde wereld en Tijd en Taak en nog meer voor die van de A.G. der Woodbrookers, dat hier een krachtenveld is gegeven, dat min of meer buiten de geestelijke stromingen gelegen is, doch deze stromingen critisch tracht te verwerken. Het culturele leven weerspiegelt zich wel is waar zeer intens in alles, wat van de betrokken groepen uitgaat, doch nooit is het zö, dat het wezen daarvan zelf in een bepaalde stroming opgaat.

Wanneer, om een voorbeeld te noemen, het Christen-Socialistische Weekblad „De blijde wereld” tot religieus-socialistisch weekblad wordt, hangt dit samen met de groeiende aandacht voor de achtergrond der dingen bij een deel der critisch ingestelde intellectuelen, die zich na de eerste wereldoorlog losmaken van het 19e-eeuwse materialisme en posivitisme. Vele van deze mensen worden in de sfeer van de A.G. getrokken, doch de A.G. zelf blijft critisch staan ten aanzien van hun intellectualisme. Wanneer daarna langzamerhand duidelijk wordt, dat de enige achtergrond van waaruit het menselijk bestaan zin en betekenis krijgt, zeer beslist met Christus te maken heeft, wordt ondanks het schijnbare tegendeel de basis nogmaals verwijdt eni worden blad en A.G. de snijpunten, waarop de lijnen, uitgaande van het Evangelie en van de socialistische beweging samenkomen. Doch ook nu weer neemt dit niet weg, dat men uiterst critisch blijft ten opzichte van het gebeuren in de Kerk. Kortom: aandacht, voor wat in de wereld verandert, er mede rekening houdend, zich er door laten bevruchten, doch ten slotte afstand bewarend.

Dat alles betekent, dat in de „beweging”, waarmede Samen op weg ons confronteert, de levende mens in zijn zoeken naar de mogelijkheden Gods in deze wereld, tastbaar aanwezig is en dat de begrenzing, die in „religie” en „socialisme” gegeven was, nimmer een program inhield, doch veeleer als handwijzer fungeerde voor hen, die „samen op weg” met dit geval geen raad wisten en weten en dat bij hen vaak het gevoel overheerst, hier alle grond onder de voeten te verliezen. Ten dele van dit gezichtspunt uit moet men de weerstand zien, die het christen-socialisme van De blijde wereld bij de marxisten opriep, van dit gezichtspunt uit ook de moeite, die vele rechtzinnige christenen hebben om Tijd en Taak en de A.G. te aanvaarden, ook al zijn deze Christenen goede leden van de P.v.d.A.

En daarom is er ook zo weinig aanwijsbare invloed van blad en A.G. te constateren in het politieke, geestelijke ëh cultu-

rele leven van Nederland. In het tweede deel van Samen op weg heeft Van Biemen kennelijk geworsteld met de vraag of en zo ja, op welk terrein, van een dergelijke invloed sprake is. Het merkwaardige is echter, dat zodra de A.G. of Tijd en Taak in deze of gene richting een zeer bepaalde invloed wil gaan uitoefenen er waarschuwende vingers omhooggaan, die wijzen op het problematische van die koers. Hier nu ligt een eigenaardigheid van datgene, wat we nu bij gebrek aan een beter woord het Nederlandse religieus-socialisme zullen noemen en wat aan ieder ander phenomeen van deze aard in binnen- en buitenland vreemd is.

Wanneer bijv. in Zwitserland in het religieus-socialisme fractievorming en sectarisme optreedt, wanneer iemand als Ragaz het Banning kwalijk neemt, dat deze religieus-socialist „zijnde”, op een gegeven ogenbUk het standpunt van de nationale ontwapening prijst geeft in plaats van daarvoor te blijven vechten, als exponent van een religieuze stroming, dan blijkt hieruit, dat de Zwitsers niets begrepen hebben van datgene, wat zich in Nederland op het gebied van de ontmoeting van Evangelie en socialisme voordeed. En telkens, wanneer het dusgenaamde religieus-socialisme zijn blijkbaar in Nederland gestelde grenzen wilde overschrijden en naar buiten wervend en bekerend wilde optreden, werd dit kennelijk geen succes. Dit is de tragiek van Enka en de Bond van Christen-socialisten. Doch ook vele publicaties, die van de A.G. of met haar verbonden personen zijn uitgegaan.

kunnen op buitenstaanders geen overtuigende indruk maken. Concreet: een boekje als „De geestelijke ommekeer en de nieuwe taak van het socialisme” van Henriëtte Roland Holst was slechts in staat om de evolutie van meer positief christelijk denkenden naar het socialisme te remmen door de simplificering van het proces van de geestelijke ommekeer.

Neen: het werk van De blijde wereld, Tijd en taak en A.G. was gedoemd bescheiden te blijven, zo zelfs, dat de ontplooiingsmogelijkheden van hem, die jaren lang dit werk met gelovige aandacht heeft geleid: Banning, er merkbaar door zijn geremd. Dit bleek toen Banning ander werk ging entameren. Niettemin heeft Banning terecht Tijd en Taak en A.G. lange tijd bij ander werk voor laten gaan en wij kunnen hem daarvoor niet dankbaar genoeg zijn. Want al heeft Banning ons dan geen nieuwe theoretische grondslag voor het socialisme gegeven, hij heeft als maar weinigen in Nederland beseft, dat de Christen en de socialist beiden niet in de eerste plaats de wereld hebben te overtuigen met intellectuele argumenten, doch met het ernst maken met het zich voor elkaar verantwoordelijk weten. Niet als bevruchtende geestelijke stroming dient dit werk daarom te worden gewaardeerd, doch als datgene, wat Ruitenberg pleegt te noemen het critisch begeleiden van geestelijke stromingen, politiek en cultuur. En dit critisch begeleiden wordt dan ook met nauwelijks ingehouden hartstocht bedreven. Sneek. J. A. DE JONG

Colliers

EN McCARTHY

De gevolgen van de politieke heksenjagerij van de Amerikaanse senator McCarthy geven met de dag meer reden tot ongerustheid. Deze senator en zijn helpers breiden hun morele terreur steeds verder uit. ledereen, die door hem wordt beschuldigd van on-Amerikaanse activiteit, wordt in de praktijk reeds schuldig geacht. Zeer vele intellectuelen zijn er reeds slachtoffer van geworden.

De behandeling der zaken Ugt in een volstrekt irreële sfeer. Het gaat er om reputaties stuk te maken en zo elke progressiviteit in Amerika onmogelijk te maken. Studenten kiezen hun universiteit in vele gevallen reeds op grond van McCarthy’s zuiveringsacties. Als er beschuldigingen tegen een bepaalde universiteit zijn uitgebracht, doet men er beter aan haar maar niet te bezoeken. Eenmaal afgestudeerd, kan het moeilijkheden geven bij het vinden van een baantje.

Ook in andere sfeer zijn de zakelijke gevolgen ernstig. 'Het weekblad Colliers heeft zich duidelijk tegen McCarthy te weer gesteld. Het is zelfs tot de aanval overgegaan en publiceerde o.m. in het nummer van 9 Mei jl. een aantal gegevens uit het rapport, dat een commissie van onderzoek heeft opgesteld in verband met McCarthy’s eigen praktijken. Vragenderwijs stelde het blad in genoemd nummer de volgende punten:

McCarthy heeft aan een financieel zeer zwak staande bouwonderneming, die geheel afhankelijk was van overheidsfinanciering, een onvoltooid en niet voor publicatie ge-

schikt manuscript verkocht voor de lieve som van 10.000 dollar. Had McCarthy misschien lucht gekregen van de moeilijke en afhankelijke situatie van het bedrijf? Waarom moest McCarthy geld lenen voor zijn strijd tegen het communisme, terwijl hij dat geld op een eigen spaarrekening zette?

Waarom moest McCarthy speculeren met de fondsen, welke hem voor zijn actie beschikbaar waren gesteld, of waarom moest hij deze fondsen aan een in de effectenhandel onervaren vriend lenen ter speculatie? Waarom verstrekte McCarthy geld aan zijn broer, ten einde te speculeren, en wel op het moment dat hij diep in de schuld stond bij de Appleton State Bank, en deze bank hem voortdurend vroeg het verleende crediet te beperken of meer zekerheden te stellen?

Was het verantwoord voor McCarthy, om, terwijl hij deel uitmaakte van de Senaatscommissie voor het bankwezen en de subcommissie daarvan, voorde suikerwetgeving de overdracht op zijn bankrekening te aanvaarden van 20.000 dollar door iemand, die zakelijk weer geïnteresseerd is bij de suikerwetgeving?

Dit zijn belangwekkende vragen, maar het is gevaarlijk om der gelijke critiek te uiten. Colliers heeft moeten besluiten om maar eens in de veertien dagen te gaan verschijnen. Het blad heeft sinds kort onvoldoende advertenties om de wekelijkse uitgave te kunnen goedmaken. v. V.