is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 22, 30-05-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Krachtige geluiden van Prof. Gerretson en merkwaardige van het Geref. Jongelingsblad

In het „Gereformeerd Jongelingshlad” is de verhouding tussen de A.R.P. en de C.H.U. aan de orde gesteld geweest. Wie zich er over mocht verbazen, dat het orgaan der Geref. Jongerenorganisatie zich op een (A.R.) politiek standpunt stelt, bedenke, dat de Anti’s (in theorie) geen gereformeerde politieke partij vormen, doch (in de practijk) dankbaar van de de gereformeerde kerken ten dienste staande middelen gebruik maken. |

Een en ander is aanleiding geweest voor het Christelijk-Historische Tweede-Kamerlid, de heer Van de Wetering, op het A.R.- geschrijf in het Ger. Jongelingsblad in het weekblad „De Christelijk Historische Nederlander” een felle aanval te doen, welke aanval werd beantwoord met een niet minder fel weerwoord in het Ger. Jongelingsblad. I

Wij willen ons in deze „Brüder-Krieg” niet mengen, we zullen slechts volstaan met te constateren, dat ondanks de „gemeenschappelijke wortel” waardoor Chr. Hist. Unie en Anti-Rev. Partij heten verbonden te zijn, zo nu en dan diepgaande verschiilen aan de dag treden. Zonder dus op de eigenlijke polemiek Chr.-Hist./Antl-Rev. in te gaan, willen we verwijzen naar een artikel in het Ger. Jongelingsblad d.d. 1 Mei jl., waarin de bovengenoemde verhouding tussen A.R. en C.H. opnieuw besproken wordt, en waar men van A.R.-zijde tevens gebruik maakt van de gelegenheid de doorbraak te bestrijden.

Het Geref. Jongelingsblad meent dat als volgt te moeten doen:

„Gelukkig zijn de aanslagen op de christelijke politiek als zodanig mislukt, al zijn er bij de eerste poging enkele slachtoffers gevallen en wel in Chr. Hist. kring, van wie een aantal vooraanstaande figuren, sterk onder invloed van de Barthiaanse theologie en bekoord door de omzetting van de vooroorlogse Sociaal Democratische Arbeiders Partij In de P.v.d.A., zich heeft afgescheiden en tot laatstgenoemde partij is overgegaan.”

Na het lezen van bovenstaande mistekening van zowel de doorbraak als van de Partij van de Arbeid, lijkt het ons nuttig het „Geref. Jongelingsblad” te adviseren alsnog het commentaar op de Twee de-Kamerverkiezingen van het A.R.-dagblad „Trouw” van 26 Juni 1952 ter harte te nemen. Het fabeltje van de mislukte doorbraak heeft nu toch wel afgedaan!

Het Geref. Jongelingsblad doet nog meer merkwaardige ontdekkingen. Het blad schrijft:

„Allerminst vertoont de Unie (C.H.U.) de kenmerken van een politieke geloofsgemeenschap. Overal ontwaart men breuken en innerlijke tegenstrijdigheden. Deze gebrokenheid moet wel en kan niet anders leiden dan tot dubbelzinnigheden in interpretatie der beginselen. De feiten wijzen het uit. Nu eens verneemt men krachtige geluiden die in hoge mate aan kracht inboeten, omdat ze steeds weer het geluid van een eenling blijken te zijn (bijv. prof. Gerretson); dan weer hoort en leest men uitingen, die men eigenlijk voor onmogelijk had gehouden (bijv. prof. Van Niftrik). Meer algemeen heeft

dit voor de Unie geleid tot verzwakking van haar reformatorisch getuigenis en het betonen van een steeds sterkere meegaandheid met de revolutionnaire machthebbers onzer dagen. Gezien deze ontwikkeling is van onze kant alle reden tot actieve waakzaamheid.*’ Samenvattende komt het Geref. Jongelingsblad dus tot de volgende conclusies:

1. De C.H.U. vertoont allerminst de kenmerken van een politieke geloofsgemeenschap.

2. Ondanks „krachtige geluiden” (van eenlingen als professor Gerretson) verzwakt het reformatorisch getuigenis van de C.H.U.

3. De C.H.U. demonstreert een steeds sterkere meegaandheid met de revolutionnaire machthebbers onzer dagen. Laten we allereerst de eerste conclusie eens nader beschouwen. Het Geref. Jongellngsblad stelt, zonder meer, dat de C.H.U. allerminst de kenmerken van een politieke geloofsgemeenschap vertoont. Het feit echter, dat een politieke partij ten enenmale geen geloofsgemeenschap Is, Impliceert uiteraard dat een politieke partij ook niet de kenmerken daarvan kan vertonen. I

Overigens blijkt uit deze opmerking in het geheel niet wat men van A.R.-zijde onder „de” kenmerken van een politieke geloofsgemeenschap wenst te verstaan, terwijl eveneens nagelaten wordt aan te tonen, dat de A.R.P. in tegenstelling tot de C.H.U., wèl „de” kenmerken zou vertonen en dat

deze partij wèl het beeld van een politieke geloofsgemeenschap te zien zou geven. Wij vinden in een en ander slechts een bevestiging van de mening dat een politieke partij beslist geen geloofsgemeenschap is.

Wanneer het Ger. Jongelingsblad poneert dat de C.H.U. aan reformatorische getuigkracht zou inboeten, ondanks krachtige geluiden van lieden als professor Gerretson, kunnen we onmogelijk daarover met het blad medetreuren. Het wil ons nl. voorkomen, dat in eerste instantie de houding van de heer Gerretson, zowel in de politiek van vandaag als in het jongste verleden bitter weinig met reformatorisch getuigen heeft uit te staan. Wie de heer Gerretson in de Eerste Kamer hoort pleiten voor de belangen van een bepaalde klasse, of, in wijder verband, des heren Gerretsons daden, verricht, zowel vóór als na de bevrijding, gadeslaat, kan er slechts de Chr. Hist. Unie mede gelukwensen, dat leden als deze Utrechtse hoogleraar in deze partij tot de enkelingen behoren. De krachtige geluiden ten spijt!

De derde conclusie zullen wij, zonder er veel aandacht aan te besteden, maar laten voor wat zij is. De weinig elegante wijze waarop men van A.R. en C.H. zijde over elkander spreekt, vermag ons slechts weinig belang in te boezemen. Van groter belang lijkt ons de vraag, wat men in A.R.-kring bedoelt als men spreekt van „de revolutionnaire machthebbers” onzer dagen.

Kwalificeert de A.R. op dergelijke wijze de (door God ingestelde) overheid? Duidt men hiermede op het huidige kabinet? Wellicht is het feit, dat tot „de revolutionnaire machthebbers onzer dagen” eveneens een tweetal Anti-Revolutionnaire ministers behoort, de redactie van het Geref. Jongelingsblad ontgaan. Of flirten deze anti-revolutionnairen ook al — als onlangs de A.R.-professor Gerbrandy — met de revolutie? Principiis obsta! D. SCHEPS

Ter 7ake X Cl x,<iJvc

Ik hoop dat u ook aandachtig partij proclamaties en verklaringen van de partijvoorzitter leest. Wij van Tijd en Taak maken daar grondig studie van. Het kan dan wel eens gebeuren, dat een proclamatie een van onze mensen teleurstelt en dan zegt hij dat ook hardop (zie T. en T. 25-4 over de partij proclamatie van 18-4). Ook dit is een wijze van hulde en beter dan er het zwijgen toe doen. I

Nu ligt weer ter tafel een groot artikel van onze partijvoorzitter, niet ten onrechte versierd met een foto (H.V.V. 21-5). Wij verbeelden ons niet, dat hij de kritiek op de vorige prociamatie ter harte heeft genomen, maar we constateren verheugd, dat hij nu (nu pas!) doorgeeft het besluit van de Socialistische Internationale, om de erkenning te bepleiten van Communistisch China. Hij heeft kritiek op dat besiuit van de Internationale. Wij delen die kritiek niet. Destijds heeft een der onzen de grootse visie van Eisenhower geprezen en die gesteld tegenover het negativisme van de proclamatie. Nu valt ook onze partijvoorzitter de visie van Eisenhower bij. Tot zover alles pais en vree. |

Maar nu heeft deze keer Korzelige Kes nog één onbescheiden vraag! Hij leest een vetgedrukte zin: „Een ernstige beleinme-

ring kan daarbij vormen een anti-Amerikanisme, dat ook in sommige socialistische kringen aanhang vindt”. Slaat deze passage op Attlee en op Labour? Betreurt onze partijvoorzitter het, dat er wel eens over het Negerprobleem geschreven wordt? Keurt onze partijvoorzitter het af, als eens gezegd wordt, dat er in Amerika groepen zijn die, o.a. omdat ze aan oorlog en oorlogstoebereidingen verdienen, bang zijn voor een luwte in de koude oorlog? Wie heeft hij op het oog? Buitenlandse of Nederlandse socialisten? Vindt onze partijvoorzitter het onjuist om Mac Carthy te critiseren en zijn rampzalige (pardon!) invloed aan de kaak te stellen? Het is heel erg, wat van die „socialistische kringen” wordt gezegd. Zij stellen „tegen beter weten in, uit demagogische overwegingen hun anti-Amerikanisme ten toon”. Waar zitten die toch, die nog steeds niet weten, dat voor Communist, Rusland, voor Socialist, Amerika de heilstaat is? |

Die kritikasters zijn invloedrijke lieden, want ik lees bij onze partijvoorzitter „van de vrije volken, die hun waarachtige eenheid in een gestage arbeid van vernieuwing der nationale en internationale samenleving zuilen weten te vinden”. Welnu die vrije volken ondervinden daarbij een „ernstige belemmering”, door toedoen van oBH geestgenoten. Waar zitten die kerels toch? KORZELIGE KES