is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 23, 06-06-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

SAMEN OP WEG

2

Naar aanleiding van „Samen op weg” Vijftig jaar ontmoeting tussen christendom en socialisme van De Blijde Wereld en Tijd en Taak. Uitgave N.V. De Arbeiderspers, 1953.)

En nu het boekje, dat tot deze overpeinzingen aanleiding geeft. Wilzen toont aan, dat het begin van De blijde wereld enerzijds en Tijd en Taak en A.G. van vandaag anderzijds, niet alleen door een accentverschil gekenmerkt worden. Het belangrijkste onderscheid is wel dit, dat De blijde wereld zich in de aanvang nog voordeed, als een bepaalde stroming binnen een omlijnd cultuurverband, waarvan Tijd en Taak en A.G. zich meer en meer hebben gedistancieerd. In De blijde wereld zien we een stroming binnen het toenmalige vrijzinnige protestantisme zich meer en meer verzelfstandigen. Men heeft hier te doen met een loot aan de stam van het 19e-eeuwse modernisme. Wilzen geeft enkele uitlatingen weer, waaruit blijkt, hoe men zich zeU zag als goede leden van de Nederlandse Protestantenbond. En zo zien we dan ook, dat de critische zin van Bruins en de zijnen niet in de eerste plaats uitgaat naar datgene, wat men als de vrijzinnige ideologie dier dagen kan beschouwen. Van die zijde werd men ook weinig lastig gevallen, althans op het wereldbeschouwelijke vlak. De toenmalige lamlendigheid van de Nederlandse vrijzinnigheid had voor de eerste „rode” dominee’s alleen maar het voordeel, dat er ruimte overbleef voor hun sociale bewogenheid, al werd die door onze liberale theologen dan ook niet begrepen en al ging men er met een medelijdende glimlach aan voorbij.

De principiële strijd wordt gevoerd tegen het marxisme in de S.D.A.P. Daarop laat Wilzen ook het volle licht vallen. Het uitgangspunt vormde de strijd om de erkenning van de ethische factor, cumulerende in de discussies rondom het beginselprogram van de S.D.A.P. van 1912. Het succes door Bruins in de program-commissie behaald, betekent een erkenning van de zijde der partij, dat men niet noodzakelijk historisch-materialistisch behoefde te denken om lid van de S.D.A.P. te kunnen zijn. Van een overwinning van een geheel ander type socialisme is geen sprake. Ook hier vindt geen doordringing van de socialistische theorie met een principieel anders gefundeerde opvatting plaats.

Daar komt bij, dat het wezen van het marxistisch verzet tegen het door De blijde wereld voorgestane type van socialisme door Bruins en de zijnen niet voldoende werd gepeild. Dit verzet had niet alleen de geest van de tijd op zijn hand, doch wat belangrijker is: het historisch-materialisme had wel degelijk langs ondergrondse kanalen verbinding met een realistische visie op de mens en diens zondigheid, zoals het Bijbels christendom die kent en welke in het vrijzinnig protestantisme dier dagen was verloren gegaan. Het hardnekkige verzet tegen de introductie van zedelijke

waarden in de zogenaamde proletarische levensbeschouwing had diepere wortels dan Bruins en de zijnen konden vermoeden. Toch was het openbreken van de proleta-. rische levensbeschouwing historische noodzaak en het blijft de verdienste van „De blijde wereld-dominee’s”, dat zij hier het spits hebben afgebeten. Overigens moet gezegd worden, dat het marxisme niet aan deze aanvallen is bezweken, doch aan eigen onmacht om zich tijdig uit het 19eeeuwse harnas te bevrijden.

Wilzens verhaal doet goed uitkomen, hoe De blijde wereld van de aanvang af een vaste kern van lezers had op het Friese platteland, waaraan de inhoud van het blad was aangepast. Wie zijn betoog ten einde heeft gelezen, voelt echter sterk de noodzaak van een verdere bewerking van de hier opgedolven stof. Naar welke kant liggen er verbanden, welke sociologische samenhangen hebben hier gewerkt? Was er wisselwerking tussen predikanten en lezerskring, zo ja, op welke invloed ligt het accent? Ten slotte zou dit alles zijn plaats moeten vinden in het cultuurbeeld van het eerste kwart van deze eeuw.

Op het moment, dat „De blijde wereld” overgaat in „Tijd en Taak” neemt Van Biemen de taak van Wilzen over en juist deze overgang is het, die m.i. niet tot zijn recht komt. Wilzen zwijgt er helemaal over en Van Biemen behandelt een en ander zeer kort, doch al moge dan waar zijn, dat „het nieuwe gewaad” niet is geboren uit felle tegenstellingen het was meer dan een verandering van hoofdredacteur onder de voorwaarde, dat de naam van het blad zou worden gewijzigd in Tijd en Taak, zoals Van Biemen meent. Wel degelijk leefden er voor de omzetting van De blijde wereld in Tijd en Taak spanningen, die een uitweg zochten en zo gemoedelijk, als Van Biemen het voorstelt, is het toch niet helemaal gegaan. Wat hier plaats vond was een aanpassing van het blad aan de A.G.- sfeer, die lang niet congruent was aan de sfeer, waarin De blijde wereld gezag had. De overgang naar Tijd en Taak was wellicht noodzakelijk, doch accentueerde tevens de neergang van het typische op het Friese platteland georiënteerde christen-socialisme, ondanks het feit, dat de A.G. enige jaren later een compensatie aan de Friezen gaf door de stichting van het gebouw te Kortehemmen.

Van Biemen directeur van A.G. heeft zijn verhaal niet uitsluitend beperkt tot weergave van de feiten, doch tracht constant te wegen en te waarderen. Ook tracht hij te komen tot een bepaling van het geestelijk-eigene van het religieussocialisme, voortbouwende op de poging van Banning in „Geloof en Arbeid”. Inderdaad wordt de lijn hier heel duidelijk aangegeven en het komt mij voor dat dit hoofdstukje dan ook het meest „af” is.

Dankbaar mogen we er voor zijn, dat Van Biemen enkele concrete vragen in zijn betoog heeft opgenomen, in het bijzonder het vraagstuk van het geweld en Indonesië.

Wat het eerste betreft: logisch is het betoog wel sluitend, wanneer hij aan de hand van enkele artikelen van Banning uit de jaren 1937 en 1938 een zekere eenheid van opinie omtrent het vraagstuk van het geweld wil distilleren, daarbij tevens trachtende de ommezwaai van Banning en anderen in die jaren aannemelijk te maken op gronden ontleend aan de politieke situatie. Er is en er was echter nimmer een uitgesproken Tijd en Taak- of A.G.-standpunt in deze aangelegenheid. Het enige, wat er wel steeds aanwezig is geweest, is het Inzicht in de daemonie van macht en geweld, doch het is voor mij de vraag of het extreme pacifisme en anti-militarisme, dat voor de tweede wereldoorlog bij verschillende groepen in het Nederlandse volk aansloeg, enige diepere relatie heeft met een verantwoord christelijk humanisme, zoals we dat aantreffen in de kring van Tijd en Taak en A.G. Ik weet, dat ik hier een teer punt aanraak, doch, zie ik het goed, dan hebben de jaren 1937 en 1938 niet alleen een tactische zwenking van personen en groepen in zake het geweldvraagstuk betekent. Er breekt ook een veranderde visie op de toepassing van zedelijke normen door. Wellicht is hier ondergrondse invloed van Karl Barth te bespeuren, althans zal het doordringen van een meer verantwoorde Christusbeschouwing en het bankroet van het zogenaamde „Bergredechristendom” hier niet geheel vreemd aan zijn. In ieder geval blijkt de invloed van Tolstoi dan wel uitgewerkt te zijn en de vraag uit de eerste decennia van deze eeuw: „wat zou Christus gedaan hebben, als hij thans op aarde terugkwam”, waar Wilzen uitvoerig over spreekt, behoort eveneens tot een afgesloten tijdvak. Ik had graag gezien, dat Van Biemen aan deze dingen enige aandacht had besteed.

Voorts is uit de aard der zaak datgene, wat Van Biemen zegt over de theologische positie en de godsdienstige gestalte van Tijd en Taak, alsmede de A.G. zeer voorlopig, zoals hij ook zelf zegt. Hetzelfde geldt voor de beantwoording van de vraag, waarheen wij koersen. Ik wil daar dan ook niet op ingaan. Het vruchtbare van deze hoofdstukjes is juist, dat ze niet af zijn en ons noodzaken mee verder te denken en zo mogelijk mee verder gestalte te helpen geven aan datgene, wat hier aan de orde is.

Wanneer we daarna „Samen op weg” uit handen leggen, weten we echter één ding heel zeker, namelijk dat waarheen de koers zich ook zal richten blad en A.G. nodig zijn, broodnodig,. omdat christendom en socialisme op een zeer bijzondere manier met elkaar te maken hebben en wij dat elkaar en anderen steeds weer opnieuw eenvoudigweg hebben te zeggen. Nog altijd, zelfs in een wereld, waarin socialisten regeren en waarin de Kerk ruimte laat voor sociale bewogenheid, is het socialisme van de christen en het christen-zijn van de socialist een waagstuk. Waar „de grote ontmoeting” plaats vindt, is het zoeken en tasten begonnen, dat existenties opbouwt en vernieuwt en dat de cultuur vermag te doordringen en te reinigen, dit alles echter nochtans zonder pretenties. Wie iets wil ervaren van dit pretentieloze dienen, die leze en herleze „Samen op weg”. Wellicht, dat hij ons dan In de onbekende toekomst langs die weg een eindweegs wil begeleiden! Sneek A. J. DE JONG

N.B. In het eerste artikel van Samen op weg (T. en T. 30 Mei) is een regel weggevallen. Op pag. 3, Ie kol., regel 14 van onderen, leze men achter op weg”: waren. Vandaar nu, dat vele typische representanten van onze cultuur.