is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 24, 13-06-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Eendracht en verscheidenheid

Dit wordt een kleine bijdrage tot het gesprek binnen de Partij tussen de Werkgemeenschappen.

We zijn blij met het feit van de doorbraak en in de verkiezingsstrijd hebben we hiervan getuigd. Maar het is een aloude wet, dat men gemakkelijker de eenheid naar buiten kan handhaven dan dat men naar binnen in een openhartig gesprek deze zelfde eenheid beleeft, met behoud van ieders eigenaardigheden. Het is dan ook een gezond teken dat onze partij sterk genoeg is in zijn eendracht om de spanningen der verscheidenheid te doorstaan. Ik meen dat ons weekblad een der plaatsen is, waar dit gesprek aan de orde komt. Ik heb er onlangs op gewezen (T. en T. 23 Mei), dat men er voor waken moet, dat

in het denken over practisch politiek beleid de doorbraak-idee geen schade lijdt doordat een der drie groepen te zeer het eigen standpunt en de eigen waardering laat domineren. In een volgend artikel (T. en T. 30 Mei) heb ik pogen aan te tonen, dat de verschillende levensovertuigingen binnen de Partij niet kunnen nalaten hun eigen visioen na te streven. Ik veroorloofde me daarbij enige critische aantekeningen te maken bij een artikel van Het Vrije Volk (20 Mei). Zelf erkende ik, dat voor mij dit vraagstuk boeiend maar moeilijk is en het verwondert me dan ook niet dat H.V.V. er nog eens op teruggekomen is (H.V.V. 3 Juni).

Men kan niet te voorzichtig zijn en daarom wil ik wel even verklaren voor de

buitenstaanders, dat dergelijke artikelen geen moment de doorbraak in gevaar brengen of zelfs ter discussie stellen. Wij gaan uit, de schrijver van H.V.V.-artikel en ik, van het heuglijke feit van de doorbraak. Wij doen niet anders dan binnen de idee van de doorbraak de spanningen onderzoeken, de mogelijkheden doordenken. Het is nuttig, dat men dit in opbouwende geest doet. Men kan nooit tevoren weten wat de politieke ontwikkeling in de toekomst nog opievert. Het is dan goed en veilig de contrasten tevoren doordacht te hebben, opdat we weten wat we aan elkaar hebben en waar we op elkander kunnen rekenen.

Ik kom nu tot de zaak zelf en moet de lezer, die de bovengenoemde stukken niet voor de geest heeft, even inleiden tot de kern van de zaak. H.V.V. had geschreven: „Wij menen, dat elke levensbeschouwelijke richting recht heeft op gelijke behandeling door de staat”. Dit had ik betwijfeld met een verwijzing o.a. naar de theorie der rassendiscriminatie én naar de theorie van de dictatuur van het proletariaat. Daarenboven had ik er aan herinnerd, dat naar de gezagvolle uitleg van Banning (Kompas) ons beginselprogram de neutraliteit van de staat verwerpt.

Nu verwijt de schr. van H.V.V.-artikel mij, dat ik hier twee zaken dooreenhaal, t.w. „De staat dient niet neutraal te zijn. Dat betekent, dat de staat moet kiezen vóór de verdraagzaamheid, vóór de democratie, vóór de gebondenheid aan het recht en aan zedelijke normen. En dus tegen eik streven naar dictatuur en tegen rasdiscriminatie Maar dat betekent niet, dat de staat de ene levensbeschouwing mag stellen boven de andere. Het beginselprogram van de P.v.d.A. wijst de staat op grondslag van kerkelijke belijdenis terecht af, en het neemt gelijkheid van alle burgers voor de wet evenzeer terecht in de te behoeden grondrechten op”.

Een discussie is vaak gebaat met het invoeren van een onderscheiding en ik heb mezelf ernstig afgevraagd, of dit vriendschappelijk debat profiteren kan van de onderscheiding, door de anonyme schrijver van H.V.V. ingevoerd. Ik betwijfel het sterk, en ziehier, waarom! Als men eenmaal verklaart, dat de staat, d.w.z. „onze staat” gebonden is aan het recht en zedelijke normen, zoals wij die nü voorstaan, dan brengt dit onvermijdelijk mee, dat de staat wel degelijk bepaalde levensbeschouwingen, nl. diegene, welke dit recht en deze zedelijke normen niet erkennen, afwijst. Dat behoeft nog niet te betekenen, dat de staat deze levensbeschouwingen te vuur en te zwaard vervolgen moet, maar dat betekent wel degelijk, dat de staat, en wederom bedoel ik „onze staat”, zich verzetten moet tegen een doorvoering in de practijk van dergelijke, in onze opvatting, gemeenschapsondermijnende levensbeschouwelijke beginselen. Het is zuiver een kwestie van tactiek hoe de staat, d.w.z. in dit geval onze overheid deze levensbeschouwingen weren moet. De ervaririg heeft ons geleerd, dat met geweld weinig bereikt wordt. De eerbied voor de gewetensvrijheid zal ons principieel er van weerhouden dwang uit te oefenen om de in onze ogen onjuiste inzichten met geweld en broodroof uit te roeien. Onze staat zal dus sommige levensbeschouwingen in hun practische consequenties bestrijden, en de ontplooiing van andere bevorderen. Ik geloof hiermee

DE GASPERI?

De Italiaanse centrumpartijen hebben ter voorbereiding van de Zondag jl. gehouden verkiezingen de Kieswet gewijzigd. Het probleem was, hoe het land regeerbaar te houden. Uiterst links en uiterst rechts zijn nl. sterk, en de kans op een voldoende meerderheid van het centrum was dan ook bij normale zeteltoewijzingkleln. De nieuwe Kieswet, welke thans geldt, en die er door de nog aanwezige meerderheid van de regerende centrumpartijen doorgesleept Is, voorziet in toewijzing van een aanzienlijk groter aantal zetels aan de samenwerkende partijen, die meer dan 50% van de zetels behalen. Het stemmenaantal van meer dan 50% was derhalve het noodzakelijke verklezingsdoel van de centrumpartijen.

Aanvankelijk heeft het er slecht uitgezien voor de regeringscoalitie. De opkomst van de kiezers Zondag was bijzonder slecht. Deze was duidelijk ten voordele van de communisten en met de communisten samenwerkende Nennl-socialisten, alsmede van de rechtse fascistische en monarchistische groeperingen. Deze partijen toonden zich nl. aanmerkeUjk beter georganiseerd. Hun kiezers zijn dan ook in veel groteren getale opgekomen.

Toen deze geringe opkomst duidelijk werd (het slechte weer was één der oorzaken), hebben de regeringspartijen alles op alles gezet om alsnog hun kiezers naar de stembus te krijgen. Het heeft succes gehad. Ten slotte heeft 93,7% van de kiezers zijn stem uitgebracht; zelfs een recordopkomst voor Italië.

Hoe groot de ramp geweest zou zijn, als de kiezers niet op het laatste moment bijeengetrommeld zouden zijn, wordt duidelijk uit de uitslagen, welke tot nog toe bekend geworden zijn. Het gevecht om de meer dan 50% is op het moment, waarop wij dit schrijven (Dinsdagmorgen 9 Juni) nog in volle gang. Toen 4/5 der stemmen geteld was, had het centrum 50,69% der stemmen behaald. Later bleek dit percentage weer te zijn teruggevallen tot 48,6%. De definitieve uitslag hebben wij nog niet ter beschikking.

Opmerkelijk is de winst van de Nennisoclalisten, die nu met een afzonderlijke lijst zijn uitgekomen, en niet meer zoals voorheen, te zamen met de communisten. Zij zijn enige procenten naar boven gegaan. Ook hebben de communisten naar verwacht mag worden, enige winst geboekt, terwijl uiterst rechts een aanzienlijke vooruitgang heeft geboekt.

Hoe de definitieve uitslag ten slotte ook luiden zal als u Tijd en Taak ontvangt is deze volledig bekend —, in elk geval is duidelijk, dat de politieke onrust In Italië er eerder heviger dan minder door wordt. De communisten zijn al begonnen met de beschuldiging van uitslagvervalsing. Volgens hun zegslieden zouden vele geestelijken twee maal hun stem hebben uitgebracht. Vermoedelijk zullen zij op dit en dergelijke thema’s blijven hameren. Gezien het minder elegante gedoe rond de Kieswet mogen zij verwachten ten minste hier en daar twijfel te zaaien.

Ook als het centrum er dus in slaagt in de volksvertegenwoordiging een regeerbare meerderheid te behalen, dan nog blijft de buitenparlementaire oppositie bijzonder sterk. Een krachtig regeerbeleid zal dus moeilijk zijn. En juist dat is de enige manier om Italië te redden van verder afglijden naar extreme groepen. Het ligt immers voor de hand, dat een zwak bestuur de vraag naar het zgn. „krachtige bewind” versterkt. Een af glijden naar een nieuw fascisme is in dit verband minder denkbeeldig dan het verworden tot een semi-communistisch land.

Internationaal heeft de reactie van het Italiaanse kiezersvolk ook vrij ernstige consequenties. Het gaat om de samenwerking in de Atlantische Gemeenschap. Ook in dit opzicht geldt het grote bezwaar van een zwak regeringscentrum. Een eventuele nieuwe regering-De Gasperi zal, gegeven de huidige situatie, dan ook een riskante bondgenoot blijven. H. VAN VEEN