is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 28, 11-07-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Gerepatrieerden in spannende verwachting

Op het ogenblik ziet een zeer grote groep der gerepatrieerden uit Indonesië spannend uit naar het moment, dat onze regering eens spreken en liefst een volledig gunstige beschikking nemen zal t.a.v. de vraag, of er een uitkering zal plaatsvinden van de uitbetaling van de tijdens de Japanse bezetting gederfde salarissen. In de kringen van hen, wie dit aangaat, leven allerlei bittere gevoelens en gedachten, die misschien toch niet diep genoeg tot het besef van ons volk zijn doorgedrongen. Het ziet te veel allereerst in hen nog de „kolonialen” en welvarenden. Men beseft onvoldoende, dat velen zich ontheemden voelen, gedoemd tot een leven aan de rand van de maatschappij.

Andere gerepatrieerden, die zich volstrekt solidair weten met hun moederland, betreuren het, dat Nederland deze zaken eigenlijk zo koud zakelijk behandelt, alsof het over vreemden gaat, onderhorigen van een Indonesische natie. Zelden of nooit hoort men de toon van het diepe medegevoel. Elke officiële uitspraak zit vol voorbehouden en waarborgen. De uitspraken worden zo zakelijk „aangekleed”, het persoonlijke is zo zoek. In de ontroering over het gebeurde tijdens de Watersnood was er daarom bij deze gerepatrieerden somtijds een onprettig bij-gevoel, indien men aan eigen lot dacht. Voor ondersteunden, trekkers van kleine pensioenen (maar ook van grotere, indien men aan de enorme lasten van het leven denkt), die een mogelijkheid om te bestaan moeten zoeken, geëigend onderdak vinden, kinderen laten schoolgaan en studeren enz., voor allen zouden deze eertijds toegezegde, rehabilitatiekosten een geweldige verademing zijn. Een vergelijking kan het onprettige van deze situatie wellicht nog meer voelbaar maken:

In een club voor bejaarden deed men mij tijdens een forum de volgende vraag: Wij

trekken thans gelukkig „van Drees”; maar dit is niet voldoende, daarom krijgen wij bijsteun van de gemeente. Maar is het nu niet mogelijk om deze „bijsteun” in de vorm van een verruiming van de nooduitkering te krijgen? Dan zouden wij ons meer „vrije mensen” voelen!

Voor de gerepatrieerden is er ook een geheel van financiële voorzieningen (pensioenen, steun, uitkeringen); ook is er een apparaat van individuele hulpverlening gekomen. Dit alles wordt zeer gewaardeerd, meer dan soms lijkt! Maar veel daarvan heeft zo bijzonder het karakter van steun. Bovendien heeft men zo enorm veel verloren, dat onherstelbaar is. In de spontane toekenning van de tijdens de Japanse bezetting gederfde salarissen zou nu een soortgelijk element „van Drees” zitten als waarover hierboven sprake was. Hier zou nu ook sprake zijn van verkregen recht, waarbij men zich een „vrij mens” voelt.

Thans hebben de gerepatrieerden telkens het gevoel, dat Nederland toch eigenlijk vol weerstanden jegens hen zit. Er zit nog een andere kant aan. Men realisere zich vooral de moeilijkheden eens, die er voor de gerepatrieerden zijn om zich in Nederland een vrij mens te voelen. Indië heeft eigenlijk nooit in het moederland een levende belangstelling gevonden. Wat wist het algemene publiek eigenlijk wel meer van dit land af dan uit romans als die van Couperus, Székely Lulofs e.d.? Heeft men wel besef gehad van de Nederlanders, die in de „Indonesische” sfeer werkten om het volk te helpen zich zelf weerbaar te maken? Die geen grootsheid van leven zochten en ook geen parasiterend bestaan, dat later nog weer bekroond zou zijn door een luxe-vol pensioen. Dit zijn fabeltjes uit een verleden tijd, uit „tempo doeloe” geworden. Heeft men wel eens goed doorleefd, wat

er omging in de ziel van velen van hen, die in de Japanse kampen werden opgesloten en daar enige jaren gevangen zaten met hun gedachten om van allerlei beter te doen dan vroeger? Beiangrijke constructieve plannen zijn toen ontworpen om een „beter” Indië te helpen bouwen ... En toen werden zij weggesmeten uit dat land naar ergens anders, hun moederland, maar waar ze toch feitelijk onbekenden waren en waar men eigenlijk geen echte belangsteiiing had voor hun eigenlijk zijn en verleden. De algemene klacht bij deze groep is dan ook, dat Nederland feitelijk zonder interesse staat tegenover hetgeen er wezenlijk in en om deze emigranten is, niet als „gevallen”, maar als mensen-in-eigenwereldje.

Nederland volstond al te veel met apparaten te scheppen om deze zaken te „beredderen”, om „aanpassing” tot stand te brengen en ging daarna zelf verder over tot de eigen orde van de dag. Tot het waarlijk persoonlijke gesprek, tot de waarlijke ontmoeting met de ander om de ander kwam het maar zelden.

De gerepatrieerde keerde daarom, na jarenlang afwezig te zijn geweest, terug in een vreemde omgeving, waar hij vrijwel niemand (meer) kent, niets hem bindt. Om een woonruimte en een nieuwe werkkring moet worden gevochten. Nieuwe relaties moeten worden gelegd. Hij is de onbekende X, een vrijwel relatieloos „ding”.

In het dorp is elke dorpeling een bepaalde, in allerlei relaties opgenomen en als zodanig her- en erkend persoon. Ook de provinciestad wordt hierdoor nog gekenmerkt. In de grote steden is dit alles wel is waar losser, maar er zijn toch nog allerlei maatschappelijke weefsels, die zekere binding en bestand geven.

Bij zeer velen van de gerepatrieerden is er nu een intense honger naar binding met een bepaalde gemeenschap, die hen harteiijk opneemt en begrip voor hun verleden en persoon toont. Zij willen veel bieden, als men hen ook serieus wil (leren) verstaan. Van één kant kan het niet komen; de „gespreks”-sfeer moet er zijn. Uiteraard zijn er talloze (psychologisch en sociologisch te verklaren) omstandigheden, die deze contacten tussen gerepatrieerden en de nieuwe maatschappij bemoeilijken. Daarom zal het hoofdzakelijk ook allereerst aankomen op de „zakelijke” maatregelen om de gezochte bindingen tot stand te brengen. Intussen blijft toch vast staan, dat het hierin ook niet minder om „menseiijke” relaties gaat. Er zou al veel gewonnen zijn, indien gezaghebbende personen, lichamen en organen deze „persoonlijke” kant eens doelbewust uitdroegen, ook In hun zakelijke maatregelen.

Aan fijnere onderscheidingen en nuanceringen en een meer positieve houding dan gebruikeiijk is, hebben wij dringend behoefte wegens de grove en gemakzuchtige wijze van denken en spreken over en afdoen van deze zaken.

J. A. J. MEIJER

(Vervolg van pag. 6)

was...) van Julien Green. Een boeiend gegeven: de angst van een mens voor zijn noodwendige beperktheid en gebondenheid. De gebondenheid aan zich zelf, aan het eigen lichaam, de eigen existentie. De obsessie nooit of te nimmef iets anders te kunnen zijn dan zich zelf, dan die éne, kleine, beperkte mens in altijd het eendere lichaam. Deze mens krijgt dan door een afspraak met de duivel de gave om uit zich zelf te kunnen treden, in de meest letterlijke zin met zijn ziel in de huid en de persoonlijkheid van een ander të kunnen kruipen. De ander, wiens bestaan hem zoveel aanlokkelijker lijkt dan zijn eigen. En dat, zo dikwijls hij dat maar wil. Het resultaat: een voortdurende en steeds bitterder teleurstelling en uiteindelijk de radicale ondergang... Het relaas van de mens, die zich zelf ontvlucht en daarmee en eigen opdracht en eigen mogelijkheden en eigen verlossing.

Hoevelen zijn er in deze tijd als deze mens: vluchtend niet alleen voor de vlakheid en de monotonie van een kleurloos bestaan, maar ook voor zich zelf en een voortdurende hunkering om de ander te zijn... En daarmee: langzaam maar zeker

zich zelf op de meeste radicale wijze verliezend?...

En ten slotte: een kleine kerkelijke ervaring. Heel gewoon: de bevestiging van een paar ouderlingen. Weken geleden had er in kleine letters in het kerkblad het bericht gestaan, dat die en die broeders candidaat waren gesteld voor het ambt van ouderling in onze wijk-gemeente. Over deze broeders werden verder geen nadere bijzonderheden meegedeeld. Een paar weken later: een dito bericht, dat broeder A en broeder B verkozen waren. En dan nu: de bevestigingsdienst. Een preek, die weinig verband hield met het bijzondere van deze dienst. Een snel en slecht voorgelezen bevestigingsformulier. Een paar vlug gestelde vragen. Een door de gemeente gezongen lied. Verder niets. Geen enkel persoonlijk woord, geen enkele gelegenheid voor de gemeente even met deze nieuwe ambtsdragers kennis te maken... En wie verwondert zich dan nog over de vele stichtelijke klachten, dat er zo weinig medeleven is met de kerk en dat velen zo vervreemd raken van het kerkelijk leven... Voora,l flink blijven en vooral niets veranderen... J. H.

BENTVELDNIEUWS

HET WERKELIJKE AMERIKA Zomercursus te Bentveld van 18—22 Juli ’53 Amerika en Rusland, twee polen van de grote internationale politieke spanningen. Van Rusland weten we weinig, kunnen we weinig weten. Van Amerika konden we veel weten, doch weten we over het algemeen ook weinig. Voor een belangrijk deel is Amerika daarvan zelf de schuld, voor een deel ligt dat aan ons. Tientallen jaren hebben we Amerika bekeken en beoordeeld vanuit Europees gezichtspunt. D.w.z. met een groot aantal vooroordelen, een cultureel meérwaardigheidsbesef en tegelijk economisch en politiek minderwaardigheids-

(Zie verder pag. 8)