is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 29, 18-07-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

grote K) en de Cultuur (met een grote C). Terwijl de kunst van de vrije-tijdsbesteding waarschijnlijk ergens anders begint, nl. bij het zeer triviale „dolce far niente” en de heel gewone gezelligheid. Het zomaar-ontspannen-en-tot-rust-komen na de felheid en de gejaagdheid van het leven tijdens de werkuren. De vreugde aan wat normale gezelligheid, een heel gewoon gesprek of een heel gewoon spel. Misschien zijn dit dingen, die juist in een op dynamiek gerichte maatschappij het moeilijkst te leren zijn en ... zeer waardevol. Voor de opvoeding en het vormingswerk ligt hier nog een breed veld van arbeid.

In het politieke en kerkelijke leven zal men hiermee ook voldoende rekening moeten houden. Niet te gauw komen met verwijten van gebrek aan belangstelling, geringe activiteit, enz. Van velen vraagt het moderne levenstempo en de arbeid lichamelijk en geestelijk zoveel, dat, wanneer de nodige ruimte voor de genoemde ontspanning en gezelligheid er af gaat, er niet zo heel veel vrije tijd meer overblijft voor actief werk op politiek of kerkelijk terrein. Let wel: niet zo heel veel betekent nog niet: niets! Maar bij de opbouw van allerlei werk en bij het werven van mensen daarvoor zal men terdege met deze feiten rekening moeten houden. De oorzaak van veel mislukking en teleurstelling bij goed-bedoelde opzet zou wel eens in veel gevallen juist hierin kunnen liggen.

KAMPERFOELIE

En om dan toch de cultuur niet helemaal buiten deze beschouwingen te houden: de voor een zinvolle vrije-tijdsbesteding belangrijke mogelijkheden, die er in de cultuur in engere zin (literatuur, muziek, enz.) liggen, kunnen misschien in sommige gevallen paedagogisch duidelijk gemaakt worden via doordachte arbeid in buurthuis of wijkcentrum. Wanneer deze culturele vorming ten minste uit de zware sfeer van

Heksenjacht op het witte doek

Wie zich een beeld wil vormen van de mentaliteit, waardoor de politieke heksenjacht in de V.S. gedragen wordt, doet er goed aan eens kennis te nemen van de rolprent „My Son John”.

De film speelt zich af in een onderwijzersgezin. De vader is oud-strijder en lid van het Amerikaanse Legioen. Vol trots draagt hij nog de militaire muts op zijn grijze haren. Van de drie zoons zijn er twee in militaire dienst en onderweg naar het Verre Oosten, waarschijnlijk naar het front in Korea. Het zijn allebei geweldige sportkerels, ongecompliceerd en vechtlustig. De derde zoon is wat fijner gebouwd. Hij bezit echter een scherp verstand, heeft gestudeerd en een prachtige baan in Washington gekregen. Hij behoort tot de kring der vooraanstaande intellectuelen en er wacht hem een grote toekomst.

Deze derde zoon, John geheten, komt zijn ouders bezoeken. Al spoedig blijkt, dat er iets met hem niet in orde is. Hij veroorlooft zich schampere opmerkingen over de preek in de kerk. Hij geeft de voorkeur aan het gezelschap van een oud-leraar boven dat van zijn ouders. Hij waagt het zelfs de toespraak, die zijn vader voor een vergadering van het Legioen aan het voorbereiden is, te critiseren.

Vol respect voor de kennis van zijn veelbelovende zoon laat de nationaalvoelende schoolmeester deze zijn speech corrigeren. Maar dan komt de aap uit de mouw: uit de door John aangebrachte correcties blijkt duidelijk, dat deze communistische sym-

1. Men gaat uit van een zeer naïeve voorstelling van de werkzaamheden van een vijfde colonne; de jongeman laat zich wel heel gemakkelijk in de kaart kijken.

2. Veel lof wordt toegezwaaid aan het Amerikaanse Legioen, waarvan de leden altijd waakzaam zijn. Ook het F. 8.1. speelt 'een zeer gunstige rol.

3. De film getuigt van een uitgesproken anti-intellectualisme. De intellectueel wordt tegenover zijn twee sportieve broers geplaatst. Gesuggereerd wordt, dat de leraar in zijn geboorteplaats hem reeds op de verkeerde weg gebracht heeft. Verder is hij door allerlei vrijgeesten, die met giftige slangen vergeleken worden, beïnvloed.

4. De vader is niet zo erg bijdehand. Hij denkt echter met zijn hart en heeft het daardoor bij het rechte eind. Hij heeft a.h. w. een instinct voor communisme en verraad ook al is het bij zijn eigen zoon. Hij zou ook niet aarzelen zijn zoon de hersens in te slaan als hij ontdekte, dat deze inderdaad communist was.

5. Vooruitstrevend denken en communistische spionnage worden in eikaars verlengde geschoven. Wie zich aan het eerste schuldig maakt staat al onder verdenking van het tweede. De film zegt dit niet met zoveel woorden maar laat het toch wel goed voelen.

6. Een blindelings vasthouden aan de autoriteit van Ouderlijk Gezag en Kerk wordt aangeprezen als het beste middel tegen afdwalingen. De reclameplaat van de K.V.P., waarop communisme, materialisme en humanisme in één adem worden genoemd, zou in het milieu, waarin déze film zich afspeelt niet misstaan.

Het lijkt wel of men ter wille van de nationale eenheid zelfs voor de gelegenheid van deze film een eenheidskerk ontworpen heeft, want in de kerkelijke gemeente, waartoe de familie behoort zijn r.k. en protestantse elementen op een wonderlijke wijze dooreengemengd. Naast pastoor, rozenkrans en altaarkaarsen heeft de Bijbel als papieren paus in deze „synthese” een plaats gevonden. Zelfs de Amerikaanse constitutie is in dit Pantheon opgenomen.

Al met al: „My Son John” is een film met een door en door reactionnaire strekking. Zij brengt ons in aanraking met een gedachtenwereld, waarvan het Amerikaanse volk niets goeds te verwachten heeft.

J. A. HES

de „culturele plicht” wordt gehaald en ingebed wordt in de speelse, ontspannen sfeer van de vrije tijd. Waar buurthuis of wijkcentrum tot pretentieloze ontmoetingsplaats wordt, waar naast de gezelligheid en het normale menselijke contact ook iets anders wordt geboden, kan de culturele vorming in dat „iets anders” grote kansen hebben. En kan misschien ook iets duidelijk worden gemaakt van het feit, dat de vrije tijd ook een verantwoorde besteding vraagt (al ligt die maar in het w e r k e 1 ij k tot ontspanning komen), niet minder dan dit het geval is met de arbeidstijd. J. H.

pathieën heeft. John ontkent dit en weet zijn moeder te misleiden door op haar Bijbel te zweren, dat hij geen lid van de communistische partij is.

Zijn vader laat zich echter niet op een dwaalspoor brengen. Hij weet, dat communisten niet in de Bijbel geloven en er dus gemakkelijk op kunnen zweren. Hij neemt John flink onderhanden en wil van hem weten of hij van a tot z gelooft, wat er in de Bijbel staat. Wanneer de ontaarde zoon niet direct antwoordt gooit zijn anders zo goedmoedige vader hem de zware familiebijbel op het hoofd.

Niet alleen de ouders ontdekken, dat hun zoon niet deugt. Ook het F. 8.1., Amerika’s geheime dienst, speurt onraad: Het duurt niet lang of de veelbelovende jongeman blijkt in een spionnage-affaire gewikkeld te zijn. Ten slotte dwingt zijn moeder hem ertoe te bekennen. Hij weet echter nog te ontsnappen. Eerst op het allerlaatste moment besluit hij zich bij de politie te melden. Zijn opdrachtgevers vermoorden hem en zo boet hij dus met zijn dood zijn misdaden. Een toespraak voor een „college”, waarin hij waarschuwt tegen de gevaren van al te vooruitstrevende denkbeelden, die zo spoedig tot communisme en spionnage leiden, wordt na zijn dood voorgelezen door de F.8.1.-ambtenaar, die hem had opgespoord.

Tot zover de samenvatting van deze onverkwikkelijke filmgeschiedenis. Op enkele punten zou ik in het bijzonder de aandacht willen vestigen: