is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 30, 01-08-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

OP GE MAKKE LIJKE VOORWAARDEN

Twee berichten, die ik kort na elkaar onder ogen kreeg: het eerste over een voorspelling, die prof. Haberler van de Harvard University in een lezing voor het Zwitserse „Institut für Auslandforschung” heeft gedaan ten aanzien van de conjunctuurontwikkeling in de Verenigde Staten.

Nog gedurende de ambtstijd van deze regering (de regering-Eisenhower) een depressie, luidde die voorspelling. Zij het dan een, in vergelijking met de crisis der dertiger jaren, matige depressie. Als één der oorzaken noemde hij de formidabele consumentenschuld. In heel gewone woorden: de schuld ten gevolge van het „poffen” volgens het afbetalingssysteem. In Amerika een epidemie van een enorme omvang Die consumenten- ofte wel afbetalingsschulden, belopen in de Verenigde Staten enkele tientallen milliarden dollars. Binnen een jaar zijn ze met 9 milliard dollar toegenomen... Dat moet spaak lopen, zei prof. Haberler in zijn lezing.

Het tweede bericht las ik in mijn dagblad. Het bleef wat dichter bij huis. Het bevatte enkele uitspraken uit het jaarverslag over 1952 van de Stichting Twents Financieringsinstituut Detailhandel. Ik meem er een paar zinnen letterlijk van over: „Het afbetalingscrediet ligt op straat. Hoe bedenkelijk het veel te grote en te vlotte aanbod van crediet op zich zelf al is, bedenkelijker is nog de wijze, waarop afbetalingscrediet wordt verleend... Dagelijks worden wij geconfronteerd met verleende credieten, die noch zakelijk noch maatschappelijk verantwoord zijn... Personen, die belangrijke schulden hebben, zien kans daarenboven grote afbetalingsschulden te maken. Het euvel der over-creditering neemt steeds bedenkelijker vormen aan... De mate en de wijze waarop thans consumptief crediet wordt verleend, ontwikkelt zich tot een kankeigezwel in onze samenleving...”

Ook ons, weleens nuchter genoemde Nederlandse volk is dus blijkbaar door een zelfde epidemie aangestoken,. Hoewel ’t beeld van een epidemie maar gedeeltelijk opgaat. Met het begrip epidemie associëren we namelijk meestal direct: een snelle en zo effectief mogelijke bestrijding er van. Terwijl wij van dag tot dag kunnen constateren, dat deze „epidemie” systematisch wordt aangewakkerd. M’n krant, m’n radiogids, de reclame in de winkels, ze roepen het mij en u en alle mensen toe: „Hebt u zin in een mooi, nieuw ameublement, in een radio, een ijskast, een nieuw tapijt, boeken of wat u maar wilt: koop het maar. Misschien hebt u het geld er niet voor klaarliggen of misschien laat uw budget zo’n grote uitgave niet toe: geen nood, wij zorgen voor „zeer gemakkelijke betalingsvoorwaarden”. In het „land der welvaart”, Amerika, doen ze het allemaal zo.

De waarschuwingen, waarmee dit artikel begon, spreken voor zich zelf. Er dreigt hier een groot gevaar. Niet alleen voor een economische ongezonde situatie, die op een ernstige storing moet uitlopen. Ook voor een moreel zeer bedenkelijke ontwikkeling.

De reusachtige woekering van het afbetalingssysteem stimuleert namelijk een onrijpe, infantiele houding van de mens.

De houding van het verwende kind, dat niet wachten kan, maar het moois, dat het ziet, ook direct moet hebben. Dat niet de zelfbeheersing en de zelfdiscipline kan opbrengen om te wachten en zich voor het verlangde moois iets te ontzeggen. Het afbetalingssyteem speculeert bewust op deze houding en op een morele zwakte om behoeften (echte, maar even vaak vermeende) direct bevredigd te willen zien.

Men maakt daar de extreemste gevallen van mee. Ik denk aan de volwassen man met een zeer bescheiden inkomen, die als een kind zat te grienen en de stemming in zijn gezin ondraaglijk maakte, omdat hij weleens een mooie, nieuwe radio wilde hebben... Onnodig te zeggen, dat die radio er ook kwam... op afbetaling.

In veel gevallen, zeker in Amerika, maar waarschijnlijk niet minder bij ons, werkt ook een ander verschijnsel de groei van de afbetalingsmanie in de hand. Het verschijnsel van de sociale naijver; van de (massa?)-mens, die niet anders wil zijn en durft zijn dan de ander en daarom... vooral ook niet voor hem onder wil doen in de ui terlijke dingen. Een drang naar uniformiteit, waarbij onvoldoende remmen van verantwoordelijkheidsbesef aanwezig zijn. De drang om, zoals de Amerikanen het uitdrukken, „to keep up with the Joneses”. Heeft mijn buurman of mijn collega een mooie radio of een bromfiets (straks: een televisietoestel), dan n>.oet ik er ook één hebben... Anders voel ik me ongelukkig, gedeclasseerd... Draagt mijn

buurvrouw of mijn vriendin een bontmantel, dan kan ik er zelf per se niet zonder... En de oplossing uit deze „nood” ligt zo voor de hand: de aanlokkelijke reclame of de volgens cursusvoorschrift glimlachende winkelchef maakt er ons direct op attent: de „gemakkelijke betalingsvoorwaarden”

De waarschuwingen van deskundige zijde worden sterker. Dit kan zo niet doorgaan. Hier wordt een fictief welvaartspeil gesuggereerd, een fictief peil van omzetten, van credietmogelijkheden, waarachter alleen maar de realiteit van een stijgende consumentenschuld zit, die op een bepaald moment tot een catastrofe voert. Waarbij men dan ook nog met de morele brokken komt te zitten, omdat de zo opgevoede mens in zijn houding zal wUlen blijven volharden. Het is waarschijnlijk een illusie, dat de handel, die dit onverantwoorde spel zelf heeft opgezet, tot een economisch en moreel verantwoorde houding zal komen, vóór het te laat is. De noodzaak om een grote omzet te behouden, de concurrentie enz. laten in dit verband weinig hoopvolle verwachtingen toe. Door het zelf-ingevoerde systeem en door de zelf-ontworpen reclame, die er vaak op gericht is kunstmatig behoeften te scheppen en de bovengenoemde bedenkelijke houdingen te stimuleren, is de handel bovendien zelf schuldig aan deze situatie.

Willen we deze gevaarlijke ontwikkeling tegengaan, dan zullen er waarschijnlijk andere middelen beproefd moeten worden. Allereerst het middel vain de opvoeding en de voorlichting in zo breed mogelijke kring, In gezinnen, vakverenigingen, clubs, enz. Daarbij zullen de woorden soberheid, verantwoordelijkheid en sparen niet vermeden mogen worden. Bn daarnaast, datgene wat ook in het genoemde rapport van het Twents Instituut werd aangewezen; een ingrijpen van de overheid door uitbreiding van de wetgeving tegen dergelijke, economisch en moreel geziene, onverantwoorde credietverleningen... J. H.

Kerkewerk in de partij ?

„Als dominees in het openbaar twisten over godgeleerde zaken, dan is dat voor velen een onfrisse geschiedenis” zegt collega De Wijs in zijn reactie op mijn artikelen over burgerlijke en kerkelijke gemeente. Het zal onze lezers wel duidelijk geworden zijn, dat het noch zijn noch mijn bedoeling is, in het openbaar te twisten over godgeleerde zaken. De bedoeling van ons beiden is bezinning op een vraagstuk, dat zowel voor de politieke partij als voor de kerk van betekenis is en ik ben er van overtuigd, dat ds De Wijs evenals ik het op prijs stelt, dat onze lezers aan deze bezinning deelnemen. Dat is de reden, waarom ik in het openbaar reageerde op wat mijn collega in Doorbraak over predikant en politiek schreef. |

„De grenzen van het ambt” hebben mij de overtuiging van collega De Wijs beter doen verstaan, vooral omdat hij in dit artikel in Tijd en Taak het vraagstuk genuanceerder stelt dan in zijn artikel in Doorbraak. In menig opzicht ben ik het van harte met hem eens.

Allereerst met zijn uitspraak, dat het probleem niet is af te doen met een eenvoudige oplossing. Mijn artikelen gaven hem aanleiding tot de mening, dat ik het probleem te zeer vereenvoudig. Dat was zeker mijn bedoeling niet. Ik vind het probleem helemaal niet zo eenvoudig. Juist daarom heb ik behoefte aan het vaststellen van grenzen, omdat ik nu eenmaal geloof, dat, ook als wij deze grenzen hebben vastgesteld, de moeilijkheden blijven. |

In de tweede plaats ben ik het met mijn collega van harte eens, wanneer hij zegt, dat een scheiding tussen de predikant als dienaar des Woords en de predikant, die voor een politieke partij optreedt, onmogelijk Is. Ook op dit punt schijn ik mij niet duidelijk te hebben uitgedrukt. Om alle misverstand uit te sluiten: ik pleit niet voor een scheiding. Die acht ik uitgesloten. Wat of ik dan wel doe? I

Ik pielt voor een onderscheiding, omdat ik die noodzakelijk acht. In dit opzicht heeft het artikel van ds De Wijs mij niet kunnen overtuigen. Als ik hem goed begrijp, moet het poli-