is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 31, 08-08-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De dominee en zijn partij

Onlangs hoorde ik van een predikant, die bedankt had voor de Partij van de Arbeid. De dominee was mij geheel onbekend en ik weet noch van zijn persoonlijke omstandigheden, noch van zijn gemeente ook maar iets. Naar de streek des lands te oordelen moet de gemeente tot die van de „middenorthodoxie” gerekend worden.

Na wat De Wijs en Buskes in ons blad geschreven hebben, wil ik, uitgaande van zo’n bedanken, nog eens nagaan, welke moeilijkheden er voor zulk een predikant in zijn gemeente zijn. Wij moeten, dunkt mij, meedenken met dergelijke beslissingen vóór wij tot een oordeel komen.

Voor een rechtzinnig predikant in een kleine gemeente liggen de dingen vaak anders dan voor vrijzinnigen, die voor de oorlog lid van de SDAP werden. Het lidmaatschap van de SDAP werd gevoeld als een daad in de klassestrijd. Dat gevoel sleet wel af, maar het leefde toch nog. Solidariteit met de arbeidersklasse drukte men op deze wijze uit en men wist, dat men daardoor anderen van zich kon vervreemden. Toch deden verschillende predikanten het en zij hadden daarbij twee oogmerken: in de eerste plaats wilden zij binnen de arbeidersmassa in volledige solidariteit toch iets laten zien van de grenzen van de klassestrijd. Zij hadden een niet ongegronde hoop, dat door hun daad de zedelijke doeleinden van de strijd voor het democratische socialisme méér accent zouden krijgen. In de tweede plaats wilden zij naar buiten laten zien, dat het niet de klassestrijd was, die hen voor het socialisme deed kiezen, maar juist die zedelijke doeleinden. Zij hebben, dunkt mij, voor een belangrijk deel gelijk gekregen.

Maar, laten wij dat niet vergeten, zij deden dat in vrijzinnige gemeenten, waar zo langzamerhand de sfeer minder antisocialistisch werd en waar nu eenmaal een zeker individualisme er spoediger toe neigt ieder diertje zijn pleziertje te laten, als dat pleziertje maar niet al te aanstotend werd. Kom nu in een rechtzinnige plattelandsgemeente. Daar is op het punt van de politiek drieërlei op te merken.

Ten eerste: de geslotenheid Is er (voorlopig) nog wat groter. En die geslotenheid met zich mee, dat men meer controle op elkaar uitoefent. De dominee moet nog zo’n beetje ook op dit punt de voorganger zijn. De vrijheden, die hij neemt, moeten in het algemeen-aanvaard kader passen. Daarom neemt men het daar moeUijker, wanneer juist de predikant openlijk een geheel andere politieke koers vaart dan de rest van de gemeente.

Ten tweede: de politieke traditie is er (voorlopig nog) gevestigd. Die is meestal zo, dat het schoolhoofd en een paar dorpsnotabelen een CHU-afdeling vormen. De dominee doet meestal niet mee, maar werkt dat ook niet tegen. Men gaat in de practijk uit van de scheiding van de

twee rijken. De gemeente was en is „christelijk” stemmend, zonder veel hartstocht en veel overleg, maar met dat gevoel van vanzelfsprekendheid, dat het leven nu eenmaal leefbaar maakt. De predikant, die zich aan deze traditie niet houdt, krijgt moeilijkheden. Neen, geen grote, geen felle. Misschien zegt men helemaal niets. Maar ergens is hij een vreemde voor de gemeente, en dat kunnen sommige predikanten moeilijk verdragen.

Ten derde; Als er een afdeling van de P.v.d.A. is, dan komt hij voort uit de vroegere SDAP. Het wil nogal eens voorkomen, dat deze afdeling vroeger vooral bestond uit „import”, weinig kerkelijke mensen, soms ook aangevuld met mensen, die „wat gehad hadden”. Meestal was de voorman wel een algemeen gezien man, die men in zijn anders-zijn aanvaardde, maar die er toch niet helemaal in was. Misschien ook speelde daar de schoolkwestie een rol en liep de breuklijn langs de beslissing voor de openbare of bijzondere school. Op dat punt is heel wat afgevochten en men vergeet meestal minder dan dat men iets leert.

Van zo’n afdeling wordt nu de predikant lid. Dat begrijpt men niet, wanneer men jarenlang opgevoed is met de gedachte, dat SDAP’ers weliswaar fatsoenlijke mensen konden zijn, maar dat zij toch ergens als beweging de strijd voor het Koninkrijk Gods (meestal daar ter plaatse gevochten op het schoolfront of bij de Zondagswetgeving) tegengingen.

Is het wonder, wanneer een predikant, die begonnen is zijn vertrouwen aan de nieuwe Partij van de Arbeid te geven, die daar voor zichzelf sterke theologische en godsdienstige argumenten voor heeft, na verloop van tijd zich een beetje moedeloos terugtrekt en bij zichzelf denkt, dat hij de zaak, waarvoor hij gekozen heeft, beter dient door het officiële lidmaatschap op te zeggen?

Ach neen. Zo’n wonder is het niet. Maar het is toch jammer en ook fout. Het is jammer vooral voor hemzelf. Want hij kiest de gemakkelijkste weg. Hij vergeet, dat de gemeente öf hem gaat aanzien als een bekeerde zondaar ook al beschouwde zij het als een pekelzonde öf hem toch niet helemaal vertrouwd, ondanks zijn „bekering”. Hij heeft zich de pas afgesneden zich uit te oefenen in solidariteit met de gemeente zonder gelijkschakeling. Hij heeft de gemeente gestijfd in haar misverstand en de vloek van de politieke onverschilligheid niet helpen genezen. Ik geef toe: het is niet altijd eenvoudig zich werkelijk solidair met de gemeente te tonen en toch op een bepaalde manier anders te zijn dan de anderen. Maar laat men niet vergeten, dat een beetje civiele courage zo gezond is èn voor de mens-zelf, èn voor de gemeente. Deze civiele courage is niet lawaaiig, heeft op zichzelf niets demonstratiefs, maar is wel stevig. Men

voedt er de gemeente mee op.

Het is óók jammer voor hemzelf, omdat hij daardoor de gelegenheid mist politiek méé te denken met mensen, die hem wellicht niet het allernaast staan. Politiek denken, dwz. het nauwlettend achtslaan op wat er eigenlijk in het politieke leven gebeurt, is niet de sterkste zijde van de vertegenwoordigers der „middenorthodoxie”. Hoe goed is het, daar op een gein ter esseerde wijze aan mee te werken en er in geschoold te worden. Dat wordt men niet alleen door de krant te lezen, maar ook door af en toe deel te nemen aan de besluitvorming in een partij vergadering. Men mag het daar gerust anders vinden dan op de kerkeraad, men mag er zelfs bezwaren tegen hebben, maar men moet zich er vooral niet aan onttrekken. Anders wordt ons spreken over de politiek zo vrijblijvend.

Maar het is ook fout.

Fout voor de gemeente en voor anderen.

Voor de gemeente: de kleine ergernissen gaan voorbij, de sociologische gebondenheden worden ontdekt, wanneer blijkt dat de P.v.d.A. van heden wat anders is dan de SDAP van vroeger. Dat er ook in deze kringen, mede doordat de predikant zijn politieke verantwoordelijkheid neemt, aandacht voor de nieuwere denkwijze in de kerk komt. Dat gebeurt niet van vandaag op morgen. Maar wie deze visie heeft, kan geduldig zijn. Laat men onze situatie vergelijken met die in de latijnse landen, waar een heftig anti-clericalisme opgewekt werd door een geheel verclericaliseerde kerk. Daar is de zaak, menselijkerwijs gesproken, hopeloos. Laat men bedenken, dat de toestand in ons land niet zo is, mede omdat een aantal predikanten de moeite en de oneer aanvaard hebben reeds voor 50 jaar een solidariteit te betonen, die toen nog allerminst begrepen werd. Hadden zij gedaan wat nu zo’n bedankende dominee doet, dan was het politieke beeld van Nederland thans anders en zeker niet gunstiger geweest. En dat zou de gemeente bepaald niet beter bevallen zijn!

Maar het is ook fout voor anderen. Men behoeft maar een blik te slaan op de ontwikkeling van de P.v.d.A. ten plattelande. Wat 20 jaar geleden ondenkbaar was, is nu een feit: op grote delen van het orthodoxe platteland stijgen de stemmen voor de P.v.d.A. regelmatig. En wel heel snel. In de niet-rooms-katholieke streken is het uitzondering, wanneer daar minder dan 25% van de stemgerechtigden op de P.v.d.A. stemt. In sommige delen van het Zuidhollandse platteland bijvoorbeeld nadert dit getal vaak de 40%. Het ook van de kerk uit gezien, fout, wanneer niet een aantal predikanten en dan natuurlijk zij, wier politieke sympathie deze richting uitgaat juist ook met deze steeds groter wordende groep door hun lidmaatschap hun solidariteit uitdrukken. Het kon wel eens zijn, dat in die streken zich ging herhalen, wat wij beslist niet willen, dat men de kerk als toch nog het bolwerk van conservatisme gaat beschouwen, waar met name de jongeren zich steeds meer van gaan vervreemden. Dit kan alleen tegengegaan worden, wanneer er ook een aantal predikanten hün politieke zijde kiest en zij zonder verborgen schuldgevoel openlijk hun politieke overtuiging kunnen belijden. Dat is voor de geestelijke volksgezondheid een zaak van groot belang. Het Is ook voor de kerk in haar geheel van het uiterste gewicht. Als de dominee voor zijn partij bedankt

in het bijzonder voor de P.v.d.A. dan is dat jammer voor hemzelf en fout voor de kerk. L.H.R.