is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 31, 08-08-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De klok terug ?

Er is deining ontstaan over een verklaring, die de werkgeversbonden hebben gepubliceerd, waarin zij hebben gezegd niet meer te kunnen meewerken aan de algemene loonmaatregelen, zoals die na de Bevrijding tot heden toe, mede door de regering worden vastgesteld. Men erkent, dat deze maatregelen na de Bevrijding niet alleen noodzakelijk zijn geweest, maar ook zegenrijk hebben gewerkt maar gegeven de huidige situatie zijn de nadelen groter dan de voordelen, en de werkgeversbonden zeggen dus (na Jan. ’54) hun medewerking op aan algemene loonmaatregelen, mede door de regering vastgesteld, en menen dat een ander systeem moet worden gevolgd: het bedrijfstakgewijze overleg tussen de werkgevers- en werknemersorganisaties.

De Raad van Vakcentraien het lichaam aan arbeiderszijde, dat als geheel der vakbeweging het best tegen het geheel der Werkgeversbonden kan optreden heeft onmiddellijk alarm geblazen; af gezien van een niet onbelangrijk zakelijk meningsverschil menen de arbeidersvakbonden, dat het fout was om deze verklaring de wereld in te sturen zonder overleg, dat men immers sinds jaren in de Stichting van de Arbeid toepast en spreken zij daarover hun „grote ontstemming” uit; men voelt onmiddellijk: dan rommelt het, en zit er onweer in de lucht.

Daarop heeft dan ook het werkgeversverbond gereageerd, en zijn bezoldigd secretaris voor de radio laten spreken en een „nadere uiteenzetting” laten geven. Zijn rede, zorgvuldig en breedvoerig weergegeven o.a. in de N.R.C. van 30 Juli, moet men er hangt onweer in de lucht! nauwkeurig, ook tussen de regels, lezen. Ik heb dat zo eerlijk mogelijk trachten te doen, maar vind niets dat lijken kan op een erkenning van enige fout, ook niet van de fout dat deze verklaring werd afgegeven zonder het sinds de Bevrijding toegepaste overleg met de werknemersorganisaties. Integendeel, de werkgevers menen ons volk een dienst te bewijzen, door de discussie over de aanhangige vragen in het openbaar aan de gang te brengen, en zij handhaven onverzwakt hun standpunt: de periode der loonpolitiek, waarin de overheid ten slotte de doorslag gaf, moet afgelopen zijn, de kwesties moeten bedrijfstakgewijze zonder beslissende stem van de overheid worden opgelost.

Ziedaar de stand van zaken op 1 Aug. ’53.

Nu kan men zeggen: ook deze pap zal wel niet zo heet worden gegeten, als zij wordt opgediend. Ik hoop het hartelijk, maar ben er niet gerust op. Wanneer het geval aanstonds in de politieke sfeer komt, staat het allerminst vast, dat de K.V.P. hier de zijde van haar arbeidersvakbeweging zal kiezen bij alle manoeuvres, die men daar uithaalt, blijkt toch de koers steeds meer conservatief te worden, en zoekt men bewust naar een herstel van toestanden en methoden van voor 1940. Ik wilde intussen in ons blad een opmerking maken, van minder actuele, wil men: van meer principiële aard daarbij de practische kant aan de mensen van de vakbeweging en politieke partijen o ver latend.

Die opmerking zal, althans op dit ogenblik nog niet zijn, dat de werkgeversbonden aansturen op heropening van de klassen-

strijdperiode. Het enige, wat zij duidelijk aankondigen, is dat zij de laatste zeggenschap over de loonpolitiek niet willen bij de overheid, maar bij het overleg tussen werkgevers- en werknemersorganisaties in een bepaalde bedrijfstak. Ik probeer mijn ogen zo wijd mogelijk open te hebben, óók voor motieven achter woorden en verklaringen, maar zeg toch: men aanvaardt overleg en wil niet terug tot strijd (eventueel: staking, uitsluiting).

Nochtans meen ik: deze verklaring van de werkgevers zet de klok terug. Er heeft zich namelijk in onze Westerse landen een duidelijke tendens doorgezet: nl. de samenwerking van organen van het maatschappelijk leven met die der overheid, ten bate van het algemeen welzijn. Die tendens kan men waarnemen reeds voor 1940, en op meer dan één terrein. Wanneer rampen een volk treffen (onze watersnood) of wanneer hulp moet worden geboden aan onontwikkelde gebieden, hetzij in eigen land, hetzij elders in de wereld, dan is het volstrekt nodig, dat de maatregelen collectief worden genomen, en particulier initiatief gecombineerd wordt met overheidssteun en -leiding.

Dat is niet alleen technisch, maar ook zedelijk geboden: er is geen andere macht dan die der overheid, die het algemeen belang vertegenwoordigt.

Dit nu geldt in versterkte mate voor het terrein, waar vanouds de klassestrijd woedde. Wil men het economisch leven werkelijk halen uit de sfeer van de strijd, dan moet de overheid op een of andere wijze mee ingeschakeld worden. Stellig, men kan strijd tussen werkgevers- en werknemersbonden wel vervangen door overleg. Maar de ervaring bewijst het dan kunnen deze bonden samen, hun belangen dienend, het publiek „uitbuiten”, en verplaatst zich eenvoudig de strijd. Er is, ik herhaal het, maar één macht, die het algemeen belang vertegenwoordigend kan inbrengen in het overleg, en dat is de overheidsmacht. Ik meen, dat in deze argumentatie, en vooral in de practische toepassing er van, blijkt dat het oude socialisme met louter klassestrijdmotieven vervangen is door een nieuw socialisme: het belang der gemeenschap eist, dat werkgevers-, werknemersorganisaties en overheid elk eigen verantwoordelijkheid dragende leren samenwerken voor het algemeen welzijn. Daarom gaat ons deze zaak meer ter harte dan alleen „een geval”; er zijn wezenlijke dingen voor de toekomst mee gemoeid. Een uitschakeling van de overheid op een zo gevoelig punt als de lonen zet de klok terug. Videant consules! laat de regering goed uitkijken, en wijzer zijn. W. B.

Vrijheid en verantwoordelijkheid

Kort na elkaar woonde ik twee conferenties bij op twee verschillende plaatsen in ons land en op beide waren vragen aan de orde over de begrippen vrijheid en verantwoordelijkheid. Op zich zelf niet zo’n vreemd verschijnsel, daar zowel de vrijheid als de verantwoordelijkheid in de huidige maatschappij en in de strijd der wereldmachten in het geding zijn. Publiceerde de Partij van de Arbeid niet haar grote sociaal-economisch plan onder de titel. ~De weg naar vrijheid en werd ais richtpunt voor het christelijk denken en handelen enige jaren geleden op de grote conferentie van de Wereldraad van Kerken niet de uitdrukking gebruikt van de ~responsable society”, de „verantwoordelijke samenleving”?

Twee vragen kwamen op de beide genoemde conferenties naar voren: die naar het wezen en die naar de mogelijkheid van vrijheid en verantwoordelijkheid. Gelukkig de een niet zonder de ander. Want zomin als het zin heeft over deze dingen met elkaar te praten zonder dat men een duidelijk beeld heeft van wat men onder deze termen verstaat, zomin heeft het ook zin te praten over prachtige begrips-inhouden zonder nuchter en critisch de realiseerbaarheid daarvan in onze tegenwoordige maatschappij af te tasten.

Van de vrijheid kwamen vooral drie aspecten in het gesprek aan de orde. In de eerste plaats de vrijheid als mogelijkheid van eigen keuze en beslissing; het gestaltekunnen-geven aan eigen leven. Met daarin opgesloten de mogelijkheid om anders te kunnen zijn en zich anders te kunnen uiten in levensvormen en levensopvattingen dan de ander.

De ontmenselijking van een totalitaire samenleving werd daarin gezien, dat hier juist deze vrijheid ontbreekt. Er is slechts één uniforme gestalte des levens, die voor elk levensverband is voorgeschreven en opgelegd.

Als tweede aspect der vrijheid werd genoemd de gedachte van het niet-gebondenzijn. Ais het ware in nomadische, vrijblijvende zin. De ~vrijheid der keuze” in een vacuum. Het destructieve van dit vrijheidsbegrip dat een tijdlang overheersend is geweest werd herkend in de consequentie er van: de chaos der ongebondenheid. Toch ook het positieve element er in: de echt-menselijke behoefte aan de speelruimte” in het leven. Het nu en dan bevrijd zijn van de plichten en verantwoordeiijkheden. Een paar heel eenvoudige voorbeeiden daarvan: de vrije tijd en de vacantie.

in de derde plaats werd over de vrijheid gesproken als de mogelijkheid tot ontplooiing van eigen persoonlijkheid Met een bijbelse term: om te kunnen groeien naar zijn aard. Uiteraard kwam hierbij ook de politieke doelstelling: mogelijkheid voor ieder tot ontplooiing van zijn persoonlijkheid, aan de orde. De verantwoordelijkheid werd gezien als: geroepen zijn tot antwoorden (tegenover zich zelf, tegenover de medemens, tegenover God) in de ievens-situatie, waarin men is gesteld. De aard van dit antwoorden is bepalend voor de vraag, of men zijn verantwoordelijkheid op de juiste of de verkeerde wijze hanteert,

Welke mogelijkheden tot vrijheid en verantwoordelijkheid zijn er nu in onze tijd? vrijheid betreft is reeds aange-