is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 31, 08-08-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

duid, dat er in het Westen principieel nog een grote ruimte in het leven is voor de eigen keuze, het gestalte-geven aan eigen leven in allerlei levensverbanden. Eveneens een grote ruimte tot een rijke schakering van levensuitingen.

Maar tegelijk ook: een veelal bedreigde ruimte. Bedreigd door de massificatie van het leven met zijn tendenzen tot uniformiteit en gelijkschakeling in denken en levensgevoel. Bedreigd door de moderne, suggestieve propaganda-middelen, die de eigen, vrije beslissing tot een fictie maken. Bedreigd door de onoverzichtelijkheid en ingewikkeldheid der maatschappij problemen, waardoor men zich eenvoudig laat meenemen door bepaalde gedachten.

Tegenover de vrijheid als mogelijkheid tot ontplooiing der persooniijkheid stonden velen zeer gereserveerd. Natuurlijk: men kan formeel meer en betere ontplooiingskansen (beter misschien: ontwikkelingskansen) scheppen en dat is ongetwijfeld van grote waarde. Maar daartegenover rees de vraag: En welke mogelijkheden tot „ontplooiing der persoonlijkheid” bieden de moderne arbeidsvormen? Heel concreet: wanneer alle jongens in staat zouden zijn en er de mogelijkheid toe zouden krijgen om ingenieur te worden, dan zouden toch nog verreweg de meeste industriële functies het karakter blijven dragen van eenvoudige, routine-matige, aan de machine gebonden en gedeeltelijk zelfs „gedraineerde” arbeid. Is dit niet inhaerent aan het moderne arbeidsproces, dat we niet meer uit onze maatschappij weg kunnen denken? De oplossing, die men hiervoor zag: het aanvaarden als bewuste keuze van een moderne „ascese van de arbeid”, die innerlijk overtuigd van de noodzakelijkheid der moderne arbeidsvormen deze beperking der vrijheid aanvaardt en buiten het arbeidsproces om, in de vrije tijd, andere ontplooiingsmogelijkheden zocht.

Met de mogelijkheid tot verantwoordelijkheid bleek het niet gemakkelijker te liggen. Enkele vragen, die opgeworpen werden: Wordt de democratische verantwoordelijkheid geen fictie, wanneer men zich geplaatst ziet tegenover problemen, die men niet kan overzien en waarop dus een „antwoord” in feite niet mogelijk is? Is onze democratie langzamerhand niet een soort „vertrouwens-aristocratie” geworden, waarin een beperkt aantal mensen op basis van goed vertrouwen met het bewind worden belast, maar waarin van wezenlijk meeverantwoordelijk-kunnen-zijn geen sprake meer is?

En: Hoe moet de verantwoordelijkheid in het bedrijfsleven verstaan worden? Ook hier liggen talloze situaties, die niet „doorzichtig” zijn en die dus het echte antwoord onmogelijk maken.

Een belangrijke opmerking ook: Men spreekt tegenwoordig voortdurend over verantwoordelijkheid, medezeggenschap e.d. Verwisselt men daarbij af en toe niet de begrippen macht en verantwoordelijkheid vanuit de illusie, dat versterking van collectieve macht en invloed ook tegelijk het probleem van het verantwoordelijk-leven zal oplossen?

Zo was er meer. Voor dit keer volstaan we met de opsomming van deze reacties. In een volgend artikel willen we er graag nog een paar kanttekeningen bij maken, ’t Gaat hier immers om vragen, die in de bezinning en over het socialisme en over de functie van het christelijk denken ten aanzien van de maatschappelijke vragen van direct belang zijn.

J. H.

LITANIE

als je mij uit het water van de nacht ziet halen verdrijf dan de tranen uit je ogen

om te zien dat ik je niet heb bedrogen maar dat de dagen het geluk van mij stalen

ik heb zo lang gelopen in het verdtvalen van het leven dat mij heeft bewogen

in het stille water uit te blussen onder de bogen van mijn hartstocht met te hete stralen

vang dan het water in je stille handen

en breng het aan je lippen om het dorsten van al te gloeiend verdriet te kussen

de dood zal mij drijven uit de twee landen waar ik dronk uit je beide borsten

omdat ik niet kon slapen in het dal er tussen

HERINNERING

ik ben de spiegel van gebarsten glas waarin een lichtstraal zich verwonderd vindt om het ongeschonden zijn en bewondeit als een verre zoon van het zonneras

dat opklom langs het wiel en om de as van het allerhoogste is het toen gedonderd in de diepten achter de grauwheid van honderd eeuwen waarin het te hoogmoedig was

sinds je mij zo gulzig hebt leeggedronken ben ik de lege vaas gebleven

waar beschimmelde gedachten verstoften

in mijn ogen hebben altijd tranen geblonken van bedroefd verlangen omdat je je had geschreven in lange brieven van angstige beloften

H. TIKKEMEYER Jr

Uit een bundel liefdesverzen