is toegevoegd aan je favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 32, 15-08-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Woodbrooke 1903-1953

„A briej history of a Quaker Experiment in religieus education”, edited by Robert Davis

Na mijn verblijf in Woodbrooke, Engeland, heb ik dikwijls getracht in woorden uit te drukken, wat Woodbrooke nu eigenlijk is, en iedere keer had ik het gevoel hopeloos gefaald te hebben in mijn pogen om anderen duidelijk te maken, wat dit nu precies voor een instelling is, en waarom een verblijf daar zo veel betekent voor hen, die dit voorrecht genoten hebben.

Toen ik het boek „Woodbrooke 1903— 1953” in handen kreeg was ik dan ook erg nieuwsgierig om te zien, of het de schrijvers gelukt was duidelijk te maken, wat Woodbrooke maakt tot dat wonderlijke oord, dat het is.

Ik meen, dat dit werkelijk gelukt is en dat dit zeker ook te danken is aan het feit, dat dit boek niet door een persoon is geschreven, maar door een twaalftal, die allen nauw met Woodbrooke zijn verbonden en die zo de ontwikkeling vanaf het allereerste begin tot op heden samen met hun persoonlijke ervaringen hebben kunnen weergeven.

Bij het lezen van de eerste hoofdstukken komt ons duidelijk voor ogen te staan de grootse visie van de Quakers, die hebben bijgedragen tot de oprichting van Woodbrooke. Een visie, die nog steeds doorwerkt en o.a. zijn uiting vindt in studierooster, gewoonten en sfeer. Wat ik, die tot een van de jongste generaties van Woodbrookers behoor, mij nooit gerealiseerd had, is de verandering van Woodbrooke van een „permanent Settlement for religieus and social study” in een „college”. Doordat de studenten langer bleven en er meer buitenlandse studenten kwamen en ook, omdat de intussen opgerichte andere colleges in Selly Gak studieprogramma’s hadden voor een jaar, werd het noodzakelijk, dat Woodbrooke ook een meer omlijnd rooster kreeg. En zo veranderde het Settlement langzamerhand in een College.

Wat mij bij het lezen nogmaals duidelijk werd, is de grote openheid en soepelheid van geest van de stafleden van Woodbrooke, die aan iedere student, ongeacht zijn voorafgaande training meestal is er op dit punt een zeer bonte verscheidenheid te vinden onder de Woodbrookers toch kunnen geven wat hij of zij nodig heeft. De hoofdstukken over dr Rendel Harris en over de wardens en de staf zijn bepaald knap geschreven, want in een kort bestek geven zij een heel levendig beeld van hen, die allen op hun zeer persoonlijke wijze hebben bijgedragen tot de vorming van Woodbrooke. In de persoon van Rendel Harris is in sterke mate terug te vinden de combinatie van een diep persoonlijk geloofsleven met een critisch wetenschappelijke geest. Deze verbinding, door de originele geest van Rendel Harris aan Woodbrooke meegedeeld, is het, die mij weer geleerd heeft, dat een theologische studie en het eigen persoonlijke geloofsleven niet twee andersoortige grootheden zijn, maar wel degelijk nauw verbonden moeten, en kunnen, worden.

Zo zijn er naar aanleiding van dit boek nog veel meer beschouwingen te geven en ieder, die Woodbrooke kent, zal er die aspecten in weervinden, die hem tijdens zijn verblijf daar het meest getroffen heb-

ben. Allen, die het boek lezen, ook zij, die Woodbrooke niet kennen, zullen echter in dit boek iets kunnen vinden van de sfeer van Woodbrooke, die zich uit „in het gevoel van vrijheid en „happiness” en in de natuurlijkheid, waarmee een en dezelfde student kan deelnemen aan de wijdingssamenkomst en vandaar kan gaan naar een college of kan meedoen aan sport of toneel, zonder enig gevoel van incongruentie of verandering van atmosfeer”.

Voor ons in Nederland is het hoofdstuk over „Woodbrooke and the Netherlands” door dr Gerardina L. van Dalfsen nog van bijzonder belang, omdat het vertelt van de ontwikkeling van „Woodbrookers in Holland”, waarin oorspronkelijk alleen zij, die in Woodbrooke waren geweest, verbonden

waren, tot de Barchembeweging en de Arbeidersgemeenschap der Woodbrookers in Nederland te Bentveld, een ontwikkeling, die het mogelijk maakte, dat de naam Woodbrooke hier grote bekendheid verwierf.

Ik wil tot slot een citaat geven uit het nawoord van Robert Davis, dat zo goed mijn gevoelens weergaf, toen ik het boek gelezen had. Het luidt, vertaald, als volgt: „Het verhaal is niet beëindigd. Wij danken God voor wat er bereikt is en, terwijl wij vooruit zien, bidden wij, dat aan de komende generaties de visie mag worden gegeven en het verantwoordelijkheidsgevoel om het reeds begonnen werk voort te zetten, de wijsheid en moed, die nodig zijn om tegemoet te komen aan veranderende situaties en de vastberadenheid om verder te gaan in nederige afhankelijkheid aan God, gehoorgevend aan Zijn leiding, onbelemmerd door een gevoel van gevangen te zijn in het verleden en zich verheugend in de vrijheid des Geestes”. E. M. F. VAN MERVENNÉE Het boek is verkrijgbaar bij de heer D. H. Meijnen, Duinweg 37, Den Haag, telefoon K 1700-557945. Prijs, afgehaald ƒ 5,95 of franco per post ƒ6,30. Gironummer 588800.

B EIR UTH

In de indrukwekkende kerk van de Maronieten te Beiruth gaat tijdens de dienst de gemeente in en uit als in de cineac. De dienst gaat door, ongeacht het komen en gaan van de mensen. De afstand is groot van het altaar naar de deur. De wijde kerkruimte is gevuld door de klank van het reciet bij het altaar, en door gezang van een jongenskoor op de galerij boven de deuren. Beide klinken onafhankelijk van elkaar. De gemeente van de Maronieten bestaat uit mensen uit alle lagen van de maatschappij. Men komt met het hele gezin, kleintjes op de arm, jongens en meisjes met als Zondagse kleding het miniatuur uniform van een generaal, de habijt van een monnik of een non! Militairen, politiemensen, ambtenaren, zakenmensen, enz., ziet men hier in bonte verscheidenheid bijeen. Ze komen binnen, nemen plaats op de banken, knielen voor het altaar, en gaan weer na een deel van de dienst te hebben bijgewoond, zonder zich te storen aan begin of einde. Het gebeuren in de kerk is heilig, men nadert eerbiedig en voegt zich met zijn familie in dat gebeuren in, men wordt een eindweegs meegenomen, en verlaat de kerk dan weer om het gewone leven binnen te treden. De kleding van de mensen is rijk, nieuwmodisch; men vindt er het modernste uit Amerika geïmporteerde goed, overeenkomstig de na-oorlogse bloei van de havenstad, maar in hun geloofsleven schijnen deze mensen nog niet geraakt te zijn door de moderne wereld. De kerk is vol. Velen staan in de brede ruimten naast het middenschip van de kerk en wachten tot ergens in hun buurt een bank vrij komt.

Men ziet dat deze mensen nog thuis zijn in hun kerk.

Buiten op straat is het druk als op werkdagen. De bussen in de stad vragen ’t dubbele tarief: het is Zondag vandaag! Gaat men af op de politieke constellatie van het land, dan is er hier niemand zonder godsdienst. Elk „geloof” en elke richting heeft een eigen vastgesteld aantal afgevaardigden in het parlement. De zetels zijn verdeeld. half om half tussen moslims en christenen, en de laatsten hebben hun zetels onderverdeeld: Grieks orthodoxen, maronieten, armeniërs, rooms-katholieken. Zo heeft men een wankel evenwicht, en de voornaamste zorg is, dat het evenwicht niet wordt verbroken!

De vlucht van vele duizenden uit door Israël bezet gebied dreigde een inbreuk op het evenwicht te gaan worden, toen men zijn toevlucht zocht ook in Libanon. Daardoor zouden de moslims in de meerderheid komen. Maar de christenen keerden zich tijdig tegen de hulp aan de vluchtelingen, daarbij gesteund door de andere partij om overbevolking, werkloosheid e.d. te voorkomen. Zo kan de macht van het christendom in moslimse streken veilig gesteld worden. Men kan echter betwijfelen of dit christendom het wel waard is om verdedigd te worden, wanneer het zich zelf zó beschermt. Het zou misschien juist enige betekenis voor islamieten kunnen hebben, wanneer christenen met opoffering van bepaalde belangen aan moslims in hun gebrek een broederlijke dienst wilden bewijzen. * H. J. F.