is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 33, 22-08-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

GRANDCHAMP

Orandchamp is een beroemde naam, beroemd nl. in de nog altijd kleine kring van mensen die in Protestants retraitewerk geïnteresseerd zijn. Orandchamp is een centrum waar, reeds geruime tijd voor de oorlog, maar sindsdien in toenemende mate, Protestantse retraites worden gehouden. Een plaatsje aan het meer van Neuchütel, waar een electrische tram je heenbrengt met een gevoel alsof je uit Haarlem naar Bentveld onderweg was; wat terzijde van de weg een complex ten dele oude, ten dele met een gelukkige hand gemoderniseerde gebouwen, minder geïsoleerd dan je verwacht, want de buurtkinderen spelen tussen en om de huizen. Je vindt ergens een belknopje, en als de deur opengaat heb je meteen een inkijk in een grote, ouderwetse, maar erg netjes onderhouden keuken. We zijn in Orandchamp, de rest zullen we geleidelijk wel ontdekken.

Het Protestantse retraitawerk is niet alleen nog betrekkelijk weinig bekend, maar ik heb ook meermalen de indruk gekregen dat men er wat schichtig, om niét te zeggen zelfs een beetje vijandig, tegenover staat. Ten dele ligt dat waarschijnlijk aan het woord, dat voor velen nog een „Roomse” klank heeft. Maar ook het feit dat men in een retraite in de allereerste plaats komt om de stilte te zoeken wekt verzet. Daar komt men dus in een gastvrij huis bijeen, niet om lezingen aan te horen of te confereren, niet om uitwisseling en contact, maar om te zwijgen en misschien wel zoiets griezeligs te doen als „mediteren”.

Hier is dus dat huis waar gezwegen en gemediteerd wordt, waar de eetzaal „réfectoire” heet (op de deur zit een kleine reproductie geplakt van Rembrandts Emmaüsgangers, je kunt hier niet anders dan stil binnengaan) en waar in de kapel geregeld enige malen per dag de liturgische diensten worden gehouden. Hier mag je dus enige tijd „zijn” en het geheel eigensoortige leven van het huis meeleven zoveel als je dat begeert en kunt. Ergens wacht je hier een sober slaapkamertje, op het blankhouten tafeltje zelfs een klein bou-

quetje dat je welkom heet, en nu gaat het beginnen.

Het is niet vreemd als de gast op dit moment iets overvalt dat na verwant is met angst: wat moet ik nu doen, waarom ben ik hier in ’s hemelsnaam gekomen? De mensen zijn vriendelijk, de omgeving is mooi, maar wat is nu zo’n retraite? Je kunt nu bezwaarlijk meer weglopen, en je koffer bevat behalve je kleren niets dan een Nieuw-Testamentje.

En dat is nu net precies waar de werking van de retraite begint. Je moet aandurven om alleen te zijn: zonder krant of radio, zonder huisgenoten of collega’s, zonder „werk” en waarschijnlijk zelfs zonder plannen. In de stilte van dat kamertje kom je onvermijdelijk jezèlf tegen, misschien wel voor het eerst sinds jaren. Maar hoe langer je die ontmoeting hebt uitgesteld, hoe meer je er tegen opziet, hoe belangrijker het nu juist voor je is om deze kans niet voorbij te laten gaan. Je moet niet bang zijn. Die ontmoeting met jezelf is weliswaar onvermijdelijk, maar dat is niet waar het in de retraite om begonnen is. De ontmoeting waar het om gaat, kon voorlopig niet beter worden aangegeven dan door dat Nieuwe Testament, dat je nu als een uitnodiging aan jezelf op je tafeltje hebt gelegd. Je wist het wel, en toch wist je het in zekere zin ook weer niet.

Misschien zou je het wel zó mogen uitdrukken, dat zo’n hele retraite niets anders is dan een tweegesprek tussen jezelf en dat boek. En die befaamde stilte-van-deretraite, die je wat onwennig en ook wat opstandig tegemoet bent gegaan, is alleen maar de stilte die nodig is om dat gesprek te kunnen voeren. Gesprek, met dien verstande dan, dat je aanvankelijk waarschijnlijk meent een heleboel te zeggen en te vragen te hebben, maar geleidelijk ontdekt dat je wijs zult doen véél minder te zeggen en veel meer te luisteren. En naarmate je aandachtiger leert luisteren, is het niet meer „een boek” dat tot je spreekt, maar het is Hij die zich dóór dat boek heen tot de mensenkinderen richt. Dat maakt je zorgen en problemen erg klein, en je

schroom en je dankbaarheid erg groot.

Misschien ga je nu ook iets anders ontdekken, nl. dat je allerminst de enige bent die in een dergelijk tweegesprek is gewikkeld. Over de hele wereld en al bijna twintig eeuwen lang hebben mensen hetzelfde gedaan: zijn gekomen met hun hulpeloosheden, hebben iets verstaan van wie de ruimte en de stilte vervulde, en hfcbben het lied van hun dankbaarheid gezongen. Al die medegenoten met elkaar noem je de ,Kerk; en als je dat begrepen hebt kun je ook beter, als een klein deeltje van een groot geheel, deelnemen aan de liturgie. Ik heb in Orandohamp geen officiële retraite meegemaakt; niet een bijeenkomst die onder leiding staat van een predikant en waarvoor een bepaald programma is opgesteld. Men heeft mij verteld dat deze groepsretraites in Orandchamp niet zo bijzonder veel verschillen van wat wij hier in Holland kennen. Maar wat Orandchamp tot zoiets uitzonderlijks maakt waar men een uur of 16 reizen graag voor overheeft, is de aanwezigheid van de zgn. Communauté résidente. Bij een enkeling is, al lange jaren terug, het besef ontwaakt dat een retraite om goed te worden een zeer grondige uiterlijke en innerlijke voorbereiding zou behoeven, en dat het een levenstaak en een roeping zou kunnen zijn om alleen maar te zorgen dat retraites zo ongestoord mogelijk en in een zuivere sfeer kunnen plaatshebben. Dat houdt in dat de kamertjes schoon zijn en het eten op tijd, maar ook bijvoorbeeld dat de buren goedgezind zijn, dat een gast rustig en vriendelijk wordt terechtgeholpen, en bovenal dat het huis een „sfeer” heeft, die zonder woorden zegt hoe het zijn in een retraite bedoeld is. Deze gedachte, dit zuivere besef is de oorsprong geweest van de tegenwoordige „Cömmunauté”, de kleine groep vrouwen die hier in een materiële en geestelijke gemeenschap samenleven. Men voelt die gemeenschap aan tafel haast evenzeer als in de kerk. Men voelt ze bij hun werk, en ook bij een doodgewoon gesprek over koetjes en kalfjes. Hier is discipline zonder starheid, stilte zonder beklemming, en tegenover de gast aandacht zonder de geringste onbescheidenheid. Hier is iets wat met woorden niet te benaderen is, maar tegelijkertijd rustgevend is en intens levend, eenvoudig en onuitputtelijk. Wanneer men zich alleen maar voegt naar de stijl van het huis, heeft

Ter zake

In de trein, terug naar huis gaande, zag ik mijn overbuurman „De Telegraaf” lezen. „Die bestaat dus ook nog”, dacht ik en ik werd ineens nieuwsgierig; ik wilde wel eens even de pols voelen van onze vrienden. Hoe gaat het hun? Misschien heeft de vacantie hun ook goed gedaan. Ik was in een milde stemming, bereid alles te vergeven en te vergeten. Mijn overbuurman stond op en liet zijn krant liggen. Hij leek mij een inschikkelijk, vriendelijk man. Hij had goed gevonden dat mijn zoontje aan het raam ging zitten en hij had uitbundig bedankt toen hij van een andere telg een zuurtje kreeg. Wij scheidden als vrienden. Ik dankte hem voor zijn krant. Het is jammer, mensen, maar het is nog altijd mis met „De Telegraaf”. Ik las er onder het verrassende hoofd „Volksfront redivivus” de volgende kwaadaardige onzin (15 VII):

„Steeds duidelijker wordt het innig verband tussen het Russisch vredesoffensief en de politieke ontwikkeling in de Latijnse Schuman-landen. Overal zijn het socialisten die in min of meer nauwe samenwer-

king met de communisten de totstandkoming of het voortbestaan van stabiliserende regeringen onmogelijk maken. Overal gaat het streven gepaard met het wegwerken van de voorstanders der Atlantische samenwerking”. De scribent van dit hoofdartikel levert voor deze verrassende stelling één enkel bewijs: de mislukking van de Italiaanse kabinetsformateur Piccioni. „Immers” —zo vervolgt hij —: „De socialisten achtten de Oasperi als minister van Buitenlandse Zaken onaanvaardbaar wegens het veto van hun half-communistische „verloren zoon” Nenni tegen die „Atlantische doordrijver”. En deze heer in het politiek verkeer besluit met de volgende onvermijdelijke conclusie: „Wat in deze landen geschiedt, komt neer op een zeer resolute poging tot herstel van het Volksfront, dat in 1929 de weg heeft geëffend tot Frankrijks onvermogen om de agressie van Hitler te weerstaan.”

Het gaat er om, dit antipathieke stukje venijn goed te lezen! Let u even op: „min of meer nauwe samenwerking” van de socialisten met de communisten; „wat in deze landeji geschiedt...” Het ging toch alleen maar over Italië? Of ik zal de vent een beetje helpen zinspeelt hij op Frank-

rijk, waar Rooms-Katholieke, socialistische en communistische vakverbonden, ieder met hun eigen doel, samen strijden tegen een regering, die machteloos schijnt om de arbeidersnood te lenigen, maar machtig genoeg om de belangen der ondernemers te verdedigen?

Laten we even heel duidelijk zijn: sedert de dagen van Zimmerman stond „De Telegraaf” in elk geval voorop „om de agressie van Hitler te keren”. Dit blad had daartoe zijn eigen methoden in de dagen van Mussert en later in de tijd der Duitse bezetting. Dat hebben we uit zeker proces geleerd 1 Ik stel voor, om iedereen, die nu nog insinueert dat Europese socialisten handjeplak spelen met Moskou („min of meer nauwe samenwerking” noemt men dat in deze kringen) uit te maken voor een leugenaar en een fascist.

Daar staat mijn vriendelijke overbuurman op het perron. Ik schuif het raam open en roep hem toe: Hé mijnheer”. Hij kijkt op, maar de trein zet zich al in beweging. Ik schreeuw: „Laat je niet bedonderen door De Telegraaf”. Ik val meteen terug op de spoorbank. Mijn vrouw kijkt me verwijtend aan: zulke grove taal, waar de kinderen bij zitten! KORZELIGE KES