is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 33, 22-08-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De Overheidstaak

Het doet deugd de critiek van Trouw op het in Tijd en Taak reeds meermalen genoemde boek van prof. Van Riessen („De maatschappij der toekomst”) te lezen. De schrijver dezer hoofdartikelen heeft weliswaar met voorzichtige omzichtigheid het boek benaderd, maar moet toch op zeer essentiële onderdelen de visie van prof. Van Riessen bestrijden.

De critiek spitst zich toe op drie punten:

1. Van Riessen ziet als alternatief van de economische vrijheid slechts de totalitaire planning. Trouw stelt hiertegenover, dat de bewijslast van de afwezigheid ener derde mogelijkheid op prof. Van Riessen ligt. De schrijver in Trouw kan zich een derde mogelijkheid voorstellen, die een bruikbare, aanvaardbare en veilige positie is.

De socialisten hebben naar mijn mening sinds 1945 (en reeds lang daarvoor, maar dat laten wij nu maar buiten beschouwing) wel degelijk aangetoond, dat er op dit gebied een derde mogelijkheid is. Een mogelijkheid, die niet een compromis is van de beide uitersten: absolute vrijheid en absolute binding. Elk systeem staat bloot aan verleidingen, zo ook het socialistische, dat bepleit een planmatige economie met een zo groot mogelijke vrijheidsmarge. Het is echter niet billijk een systeem te beoordelen naar een mogelijke afwijking in totalitaire richting. Het wezenlijke van de menselijke situatie na de zondeval is m.i. dat de mens steeds op het hellend vlak staat met elk systeem. Ook met het systeem der souvereiniteit in eigen kring: een consequente toepassing van de dieeën van prof. Van Riessen zou dat zonneklaar aantonen.

2. Van Riessen meent toe te komen met een correctie op de vrijheid van enkelen, die beneden de maat blijven bij het gebruiken hunner vrijheden. Trouw stelt hiertegenover, dat de sociale kwestie voor millioenen mensen zou herleven, op het ogenblik, dat de Overheid zich niet meer met het economisch leven bemoeide. Voor die millioenen zou er het risico van de onzekerheid komen, d.w.z. van de onvrijheid.

Hier slaat Trouw de spijker (en nogal een keiharde oud-liberale!) op de kop. Het is een fabeltje der 19e eeuw, dat er hier en daar wat gecorrigeerd moet worden. Reeds Adam Smith en de gehele oud-liberale school heeft dit erkend en de eerste sociale wetgeving was dan ook geenszins in strijd met die liberalistische gedachten. Zelfs de meest verstokte optimist, die in de goedheid van de doorsnee-mens gelooft en hem daarom vrij zijn gang wil laten gaan (welk een slecht gezelschap voor een Schriftgetrouw Christen!), erkent wel, dat er mensen zijn, die beneden de maat blijven. Mijn bijbel (en dat is toch ook de bijbel van Van Riessen) leert mij anders over de mens en maakt mij pessimistisch t.a.v. zijn maat. Wij mensen zijn altijd beneden de maat en correctie is dringend gewenst, als men het onrecht het hoofd wil bieden. De socialist

heeft minder overeenkomst met dit atheïsme (want anders mag men het geloof in de niet-te-corrigeren mens toch niet noemen!) dan prof. Van Riessen, die droomt van een correctie hier en daar op een enkele ontoelaatbaarheid van de gezagsdragers in „handel en ondernemen”. Wellicht leest hij (voor het eerst of bij vernieuwing) nog eens na, wat Brugmans schrijft over de arbeidende klasse in de 19e eeuw. Ook de Engelse Christensocialisten kunnen hem daarover voldoende oriënteren!

3. Van Riessens opvatting van de souvereiniteit in eigen kring moet leiden tot een onaanvaardbare radicale scheiding tussen het politieke en het economische. Trouw verzet zich daartegen met de volgende opmerkingen, die ik zo belangrijk acht, dat ik deze hier onverkort wil weergeven:

„Voor Van Riessen is het zo, dat er geen sprake van kan zijn, dat de Overheid enigerlei leiding, zelfs ook maar kortstondige, in het economische leven mag hebben.

Dat vloeit voort uit zijn gedachte over souvereiniteit in eigen kring, die een volledige scheiding van het politieke en het economische met zich brengt.

De samenlevingskringen, die souvereiniteit in eigen kring genieten, staan naast elkaar, er is geen hiërarchie. Zo komt het politieke naast het economische te liggen en o onafwendbare eis der logica zo kan de Overheid geen leiding hebben in het economische!

Van Riessen critiseert op dit punt Kuyper. Want Kuyper leed op dit punt aan innerlijke tegenspraak. Nu eens stelt hij de souvereiniteitskringen naast elkaar, dan weer stelt hij de staat boven de andere. Dat klopt dus niet systematisch. Bij Van Riessen is deze systeem-fout verdwenen. Maar het zou wel eens kunnen zijn dat Kuyper mèt de systeem-fout beter is dan Van Riessen zonder die fout. Want als het waar is, dat de Overheid er is en moet optreden om der zonde wil, en als men zich realiseert, dat de wereld van het economische van zo overwegend grote betekenis is voor millioenen, een kwestie van arbeid en brood immers; en dat de zonde daar waarlijk niet met een bochtje omheen loopt, hoe kan men dan het economische van het politieke scheiden? De Overheid moet daar natuurlijk optreden. Dat behoort tot haar wezenstaak. Natuurlijk niet om de hele economie of de hele economische leiding duurzaam aan zich te trekken. De Overheid allereerst heeft zich te hoeden voor het scheppen van de totalitaire Staat.

Maar als het economisch in hethonderd loopt of dreigt te lopen in de wereld en als dat tot internationale en nationale crises kan leiden, gelijk de geschiedenis bewijst, en als dat voor millioenen rampspoed met zich brengt en de Overheid kan door haar leiding in deze economische warwinkel een beetje orde stichten.

dan kan men toch niet beweren dat zulks niet mag? Wij zouden zeggen: Daar is de Overheid juist voor. Het is niet ideaal, zal men zeggen. Neen, waarlijk niet. De Overheid is er ook niet voor ideale situaties en de Overheid is op zichzelf al geen ideaal, als en voorzover zij er is om der zonde wil.

Van Riessen zegt: de Overheid heeft dat leven niet te ordenen of te leiden, want dan stelt zij haar gezag boven dat van de gezagsinstanties in het economische leven (d.w.z. het gezag in de ondernemingen). En hij voegt er aan toe, dat hij nog nooit een argument, laat staan een Bijbels heeft horen noemen, waarmee men dit standpunt zou kunnen ondersteunen.

Wij zouden omgekeerd willen zeggen: Wij moeten nog het eerste Bijbelse argument horen waarom de Overheid, als het economische leven in het honderd loopt of dreigt te lopen, zich aan de taak zou mogen onttrekken, om te trachten ervoor te zorgen dat het ook in dat leven met goede orde zou toegaan.

Dat is geen plan-ideologie. Maar dat kan meer betekenen dan correctie die geen directie mag zijn. Dat is geen streven naar een totalitaire staat. Hoe minder Overheidsbemoeiing, hoe liever. Maar het ligt in de aard van het ambt der Overheid, dat zij mag optreden om het anders in de war lopende leven mogelijk te blijven maken. Wij hebben het gevoel, dat Van Riessen door de conclusies, die hij trekt uit de nevenschikking der souvereiniteitskringen gelijk hij die als juist ziet, de Overheid berooft van de mogelijkheden om de taak te vervullen, waarvoor zij ingesteld is.”

De schrijver in Trouw geeft hier in eigen bewoordingen weer, wat van de zijde der Christenen in de P. v. d. A. steeds gesteld is, wanneer geopereerd wordt met het beginsel der souvereiniteit in eigen kring in zijn moderne gedaante. Wij hebben dat steeds weer een volstrekt onhanteerbaar geval genoemd, waarmee men komt tot consequenties, die onaanvaardbaar zijn voor elke Christen. Het tegenover en los van elkaar stellen van Staat en Maatschappij (door prof. Zijlstra destijds reeds een der „lege dozen” genoemd) kan slechts leiden tot een complete Staatsonthouding, die de roeping der Overheid om het recht te bestellen, krachteloos maakt.

In de artikelenreeks over het boek van Van Riessen kan de schrijver in Trouw het niet laten te zeggen, dat het socialisme der P. V. d. A. geen Staatsbeschouwing en geen mensbeschouwing heeft. In zekere zin is dit waar, mits men zich terdege realiseert, dat de socialisten der P.v.d.A. wel degelijk een mens- en staatsbeschouwing hebben. En nu blijkt in de practijk, dat zij ten minste elkaar hierin treffen:

1. Zij wantrouwen de goedheid van de mens.

2. De Overheid heeft het recht te handhaven, ook op economisch en sociaal terrein.

Deze practische aanrakingspunten lijken mij alsnog meer perspectief te bieden dan de aanzienlijke principiële verschillen binnen de A.R. partij, waarvan de hoofdredacteur van Trouw en de secretaris der A.R. partij de belangrijke zegslieden zijn. Het zou wel eens kunnen zijn, dat deze verschillen van geestelijk-structurele aard zijn, omdat zij te maken hebben met de (godsdienstige) vraag: „Wat dunkt u van de mens?”

Rotterdam.

J. G. VAN DER PLOEG