is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 34, 29-08-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

/ den Heef I behoort de aarde l en haar i \ volheid. Psalm 24 ; 1 f

fyd en Taah

ONAFHANKELIJK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME

VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR SISTE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 29 Augustus 1953 Nr 34 Redactie: dsJ.J. Buskesjr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. Bomhoflf Redactie-Secr.: Roerstraat 48* Amsterdam-Zuid .Telefoon 724386 p/a dr J. G. Bomhoflf Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet ds H.J.deWijs Mej. dr M. H. v. d. Zeyde e.a.

onnement per jaarfs,—; halfjaar f 2,75; kwartaalf 1,50 plus f 0,15 incasso. Losse nrs f 0,15; Postgiro 21876; Gem. giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

' DE KERK TUSSEN OOST EN WEST

Het Parool verzet zich tegen wat de Berlijnse Propst Grüber en ik zeiiden over de Amerikaanse voedselactie over Oost-Duitsland: de kerk dient zich van medewerking aan deze actie te onthouden, omdat deze weldadigheid een politiek doel heeft! Dat duizenden Oost-Duitsers niet veel begrip voor onze afwijzing gehad zullen hebben en dat ons woord koren op de communistische molen is, zijn zeker geen zakelijke argumenten tegen wat wij betoogden.

Belangrijk evenwel is naar mijn overtuiging het bezwaar, dat Het Parool inbrengt tegen mijn uitspraak, dat de kerk als kerk van Jezus Christus noch tot het Westen noch tot het Oosten behoort. Zo’n kerk immers loopt gevaar in luchtledigheid op te gaan. Het is waarschijnlijk niet overbodig, dat ik mijn door Het Parool gedisqualificeerde uitspraak toelicht.

Zowel het Oosten als het Westen wil de kerk als bondgenoot. Het Westen tracht de kerk te overtuigen, dat verzet tegen het Oosten in haar eigen belang is, dat het Avondland haar schepping is, waarmee zij staat of valt.

Het Oosten prijst zichzelf bij de kerk aan als het leger van de vooruitgang op weg naar een menselijke wereld, herinnert de kerk aan haar roeping, op te komen voor de ontrechte mens, wijst haar op haar tekort en schuld en roept haar op, om met haar verleden te breken.

Gollwitzer zegt: beide zoeken zij het onze, maar niet ons, zij hebben hun eigen belang in het oog, als zij naar het bondgenootschap van de kerk dingen. Er zijn kerken, die naar deze oproep luisteren. Het Vaticaan heeft voor het Westen, het Moskouse Patriarchaat voor het Oosten gekozen.

Nu heeft Het Parool zeker gelijk: de kerk mag niet in luchtledigheid opgaan. Zij staat niet boven de tegenstelling Oost-West, maar er in. De beslissende vraag is, hoe zij in deze tegenstelling staat. Met eigen woorden geef ik enkele gedachten van Gollwitzer weer.

Een christen ziet de tegenstelling ontdaan van zijn scherpe kanten. Hij behoort tot het Westen of het Oosten, maar hij behoort tot geen van beide met lichaam en ziel. Hij heeft zijn broeders ook aan de andere zij. Hij kan niet werken met het schema: wit-zwart, vriend-vijand. Dat is het schema van de jungle.

Een christen ziet de tegenstelling zeer nuchter. Hij kent de mooie woorden, die aan beide zijden gesproken worden, maar hij kent ook de materiële belangen, die achter de mooie woorden schuil gaan. Noch het Westen noch het Oosten strijdt onbaatzuchtig voor de overwinning van gerechtigheid en liefde. Een christen staat onbevangen in de tegenstelling. Hij staat in de vrijheid, om te erkennen wat recht aan de andere kant en wat onrecht aan deze kant is.

De kerk zal daarom altijd een lastig en onbetrouwbaar element in de wereld der volken zijn. Prof. Iwand zei eens: de Belijdende Kerk staat altijd in de oppositie. En Barth schreef in zijn Dogmatiek: de staat mag nooit zonder meer op de kerk kunnen rekenen.

De kerk zal daarom altijd een instantie van verzoening zijn. Zij zal recht recht en onrecht onrecht noemen. Zij zal tegen het onrecht strijden. Niet de strijd, maar de vrede is echter haar doel. Daarom ook niet de vernietiging vandevijandenzijnonvoorwaardelijke onderwerping. De tegenstander is voor haar nooit de vijand, die vernietigd moet worden en tegen wie elk middel geoorloofd is, maar de mens, met wie Tvij moeten samenleven en tegen wie wij vandaag slechts die middelen mogen gebruiken, die ons samenleven morgen niet reeds nu onmogelijk maken.

Dit betekent intussen volstrekt niet, dat wij tussen Oost en West staan in een houding van onverschillige neutraliteit. Wij leven nu eenmaal in het Oosten of het Westen. Deze gebondenheid betekent een grens, die wij over en weer moeten erkennen. De politieke verantwoordelijkheid van een christen in het Oosten concretiseert

zich anders dan die van een christen in het Westen. Laten wij vragen naar onze politieke verantwoordelijkheid in het Westen.

Wij mogen niet zeggen: Oost en West zijn beide even goddeloos. Evenmin: Het Oosten heeft sociale gerechtigheid, maar verkracht de vrijheid, het Westen heeft de vrijheid, maar verkracht de sociale gerechtigheid. Wie de vrijheid verkracht, geeft ook de gerechtigheid prijs. Er bestaan verschillen tussen Oost en West, die wij niet mogen vergeten of bagatelliseren. In het Westen is er nog een rechtsbasis voor de enkele mens, de vrijheid der persoonlijkheid als onafhankelijkheid van de willekeur van andere mensen. De principiële persoonlijke verantwoordelijkheid wordt niemand principieel ontzegd. Voor sociale gerechtigheid kan gestreden worden.

Daarom kunnen en mogen wij niet wensen, dat het Oosten in het Westen de baas wordt. Als God dat zou toelaten, zouden wij geen reden hebben om te protesteren tegen God. Het zou een rechtvaardig oordeel zijn over de schandelijke wijze, waarop wij met Gods goede gaven zijn omgesprongen. Wij mogen echter niet naar dit gericht verlangen.

In zekere zin kan men zeggen, dat de kerk van het Westen voor het Westen kiest. Wij zeggen ja tegen het Westen, maar zó, dat wij ja zeggen tegen de gaven, die ons door Gods geduld nog gebleven zijn. Wij zeggen echter niet ja tegen het Westen zonder meer, niet ja tegen het Westen, zoals het is, en wij willen ook niet, dat het Westen blijft zoals het is. Wij staan met een onverbiddelijke critiek tegenover het Westen zoals het is, maar deze critiek brengt ons niet op de weg naar het Oosten. Daarom kan de kerk ook niet ieder middel en elke bondgenoot in de verdediging van het Westen accepteren.

Gollwitzer zegt het zo: het verschil is, dat de kerk in het Oosten onvoorwaardelijk ja tegen het Oosten moet zeggen, terwijl dat in het Westen niet het geval is. Het ja, dat de kerk tegen het Westen