is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 34, 29-08-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zegt, is niet een ja tegen de oorlog en de oorlogstoerusting, niet tegen het oude liberalisme, niet tegen het kapitalisme, niet tegen het sociale onrecht, niet tegen het hele of halve fascisme in Spanje, Zuid-Korea en Duitsland, niet tegen de verworden democratie. Het is een ja tegen de mogelijkheden, die wij nog hebben, om tegen deze verschijnselen te strijden.

Nog anders: voor Europa zijn er twee gevaren, het communisme en het anticommunisme. Het gevaar van een anticommunistische houding van de kerk is, dat alle nadruk valt op het negatieve, op het neen tegen het communisme. Daarmee worden de grote fouten van het Westen niet onthuld, maar toegedekt. Het anticommunisme is een houding van onboetvaardigheid en onbekeerlijkheid. Aan beide kanten wordt onrecht bedreven en het is meer de roeping van de kerk, te strijden tegen het onrecht in het Westen dan om dat door het onrecht in het Oosten te rechtvaardigen.

In deze zin heeft de kerk van Jezus Christus te zijn en niet kerk van het Westen of het Oosten.

De kerk heeft wereldkerk te zijn. Zij mag en zij moet als kerk van Jezus Christus tegen het onrecht van het Russische communisme getuigen, maar niet als kerk van het Westen. Dan verloochent zij haar wezen. Omgekeerd mag zij niet als kerk van het Westen het onrecht van het Westen vergoelijken of verdedigen, maar moet zij als de kerk van Jezus Christus dit onrecht openlijk en eerlijk erkennen en bestrijden.

Haar boodschap wordt, als zij die brengt als kerk van het Westen of het Oosten, ongeloofwaardig. Niemöller heeft honderd maal gelijk, wanneer hij zegt, dat de kerk niet tegen het Oosten en voor het Westen kiezen mag, omdat zij als kerk van Jezus Christus zowel voor het Oosten als voor het Westen is, ook als zij tegen het Oosten of tegen het Westen getuigt.

En Het Parool zal niet mogen en niet kunnen ontkennen, dat de grote verzoeking voor de kerk in het Westen hierin bestaat, dat zij, vergetend, dat zij kerk van Jezus Christus is, uitsluitend kerk van het Westen wordt, opgenomen in het anticommunistische front.

Daarom was het goed, dat de kerk van Berlijn weigerde deel te nemen aan de Amerikaanse voedselactie, omdat deze dat heeft Het Parool zelf erkend ondanks de goede bedoeling van vele Amerikanen een zet op het politieke wereldschaakbord was. Aan dat politieke schaakspel kan de kerk alleen deelnemen door zich zelf als kerk van Jezus Christus te verloochenen en haar boodschap ongeloofwaardig te maken. En het getuigt van weinig begrip voor de kerk en haar wezen, wanneer men wat een man als Grüber, die in de strijd tegen de kerk in Oost-Duitsland geen vrees voor het communisme kende, over de Amerikaanse voedselactie schreef, tracht te verklaren op de wijze van Het Parool door te zeggen, dat zijn positie niet te benijden is en dat hij nu eenmaal door de klippen door moet zien te laveren, nog erger, wanneer men, zoals ook enkelen deden, hem in de hoek van de fellow-travellers tracht te duwen.

Men zal moeten aanvaarden, dat de kerk telkens weer non-conformist is, dat zij altijd in de oppositie is, en dat dit uiteindelijk meer in het belang van het Westen is dan wanneer zij een kerk is, op welke het Westen in alle omstandigheden kan rekenen.

J. J. BUSKES Jr

STENEN VOOR BROOD

n.a.v. ~Stenen voor stenen?” Gesprek over kerk en humanisme, Vier brieven van K. H. Kroon, uitgave Het Wereldvenster, Baarn 1953, 80 blz.

De vaderlandse discussies rondom het Humanistisch Verbond zijn voor ds Kroon aanleiding geweest om in de vorm van vier brieven een eigen bijdrage te leveren aan dit verward en verwarrend twistgesprek. Hij deed dat onder de provocerende titel „Stenen voor stenen?” Men zal zich herinneren, dat destijds minister Mulderije zich liet ontvallen, dat hij de geestelijke zorg van het Humanistisch Verbond voor gevangenen „stenen voor brood” achtte, in tegenstelling met de geestelijke zorg die door functionarissen van een christelijke kerk wordt geboden. In de gedachtengang van deze minister van christelijken huize zo heb ik het altijd begrepen betekende dit, dat hij de laatst genoemde soort verzorging zo hoog stelde, dat daarmee vergeleken een humanistische zorg in het niet viel. Het is goed in dat verband zich te herinneren, dat de uitdrukking aan de Bijbel ontleend is, (Mtth. 7 : 9 ondanks het woordenboek van Koenen, dat nog in zijn 23e druk van 1951 aantekent: „zegswijze van onbekende herkomst”!), maar een zelfstandige betekenis kreeg, die het woordenboek uitmuntend omschrijft: „het onbruikbare voor het bruikbare geven”. Het was te begrijpen, dat de humanisten zich door deze uitdrukking gekwetst voelden en men kan van oordeel zijn, dat een minister van Justitie, als zodanig, een dergelijke waardering voor zich moet houden. En zo kwam in Nederland de smeulende discussie weer op gang omtrent de verhouding christendom humanisme.

Ik ga in dit artikel mijn bezwaren tegen het boekje van ds Kroon duidelijk zeggen, omdat ik dit geschrift symptomatisch oordeel voor een trant van discussie, waarvan meer voorbeelden te noemen zijn en die ik meen te moeten afwijzen. Juist daarom wil ik vooraf verklaren, dat ik het eigenlijk in grote lijnen met de schrijver eens ben, dat hij menige juiste opmerking maakt en dat ik hem in staat acht om over deze moeilijke en delicate kwestie een uitmuntend en genuanceerd boek te schrijven, maar dan moet het heel wat uitvoeriger zijn dan dit te kleine boekje. Juist als men over deze zaak in kort bestek schrijft en voor een ondeskundig publiek, dat bijv. K. Barth slechts bij name kent, moet men op zijn tellen letten. Ik vernam van dit boekje voor het eerst uit een krantenbespreking, waarbij de indruk gewekt werd, dat ds Kroon de christelijke prediking en de humanistische prediking lood om oud ijzer achtte. Zijn titel en sommige passages uit zijn boekje geven daar gerechte aanleiding toe. Dat is mijn eerste grief! Met wat inlegkunde en met wat eruditie is wel te achterhalen, dat de schrijver het zo kras niet meent, maar het kwaad is alweer geschied: „Zie je wel, die moderne dominees beschouwen de prediking van hun eigen kerk als flauwe kul!” of, omgekeerd resultaat: „Wij, moderne christenen, zijn heus niet zo kleingeestig en onverdraagzaam! ”

Ds Kroon schrijft vanuit een visie die ik gemakshalve het Catacombenideaal noem:- de invloed van de kerk in het openbare

leven wordt dagelijks meer teruggedrongen en dat is maar goed ook. Ergens in zijn boekje staat: „In het volksleven is de tijd voorbij en dat is voor de zuiverheid van het geloof en het échte gezag der kerkelijke verkondiging gelukkig waarin het lidmaatschap van enig kerkgenootschap min of meer vanzelfsprekend was voor ieder fatsoenlijk mens, evenals een dienovereenkomstige geestelijke verzorging” (blz. 21). Wat Kroon hier als feit constateert, lijkt me onweerlegbaar juist, maar als hij die toestand in een tussenzin prijst, zeg ik hartgrondig neen! Een dergelijke uitspraak is gespeend van deernis voor de massa, gaat in tegen Jezus’ woord: „Ik heb medelijden met de schare”. Zeker, ik weet, dat God zijn wegen heeft om deze wereld te redden, ik weet ook van het misverstand tussen „de fatsoenlijke” mens, die zijn fatsoen als goddelijke uitverkiezing beleeft; ik weet ten slotte, dat in de gruwel der concentratiekampen „het zuivere geloof en het échte gezag der kerkelijke verkondiging” stralend doorbrak, maar vraag niet ten koste van wie of van wat?

Het is bij ds Kroon telkens hetzelfde: hij dwingt je voortdurend zijn eigen gewaagde uitdrukkingen zo welwillend mogelijk te verstaan en zelf gaat hij zijn kerk en zijn collega’s te lijf door hun uitspraken zo kwaadaardig mogelijk uit te leggen. Ik zal dit scherpe oordeel bewijzen. Op blz. 26 en 27 geeft hij een uitleg van de tekst, die ter discussie staat. Ik heb er straks al op gewezen, dat de Nederlandse uitdrukking zover verwijderd is van de originele tekst dat een bekend woordenboek n.b. verzorgd door een christelijke neerlandicus de oorsprong niet eens kent. Ds Kroon heeft dus maar half gelijk, als hij de uitdrukking naar de bron terugvoert. Maar typisch is nu dat hijzelf een even gewrongen verklaring geeft. Want wie de tekst naslaat in het evangelie, leest helder, dat Jezus iets anders bedoelde dan zowel min. Mulderije en het gewone spraakgebruik, maar ook dan ds Kroon.

Hij (Kroon) leest erin, dat Christus zijn volgelingen voorhield zich geestelijk te emanciperen. Ik ontken niet, dat Jezus in die geest gesproken heeft, maar niet op deze plaats. Deze uitspraken van Jezus in de geest van ds Kroon moeten toch waarachtig aangevuld worden door dat andere woord van Hem: „Doet naar hun woorden, maar niet naar hun daden”. Dat zei Jezus over de Farizeeën. En over zijn leerlingen sprak Hij: „Wie u hoort, hoort Mij”. Zijn deze woorden van toepassing op de geëmancipeerde christen van het hedendaags Europa, als hij geconfronteerd wordt met de boodschap der empirische kerk, ja of neen? En zo niet, dan begrijp ik de beroepskeuze niet van de Eerw. schrijver!

Over de „doorbraak” schrijft ds Kroon: „Ik kan die term niet precies uitleggen, want ik weet nauwelijks wat er mee bedoeld wordt. Voor zover ik zien kan, breekt er n.l. in de kringen, die men daarmee aanduidt, in het algemeen weinig door, behalve zo nu en dan een ruggegraat”. (blz. 30). Ik herin-