is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 34, 29-08-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

ner me dat de naam van ds Kroon destijds prijkte op een brochure „Wat bezielt ze?” waarin zeven hervormde Amsterdamse predikanten meedeelden, dat ze tot de S.D.A.P. waren toegetreden. In de brochure werd de antithese-gedachte verworpen en de doorbraak naar idee én term (blz. 27) aanvaard. Ds Kroon weet dus over wat en over wie hij spreekt. Ik kan me voorstellen dat de doorwerking van de Doorbraak hem teleurgesteld heeft, maar ik noem het kortweg ontoelaatbaar, dat hij deze „Telegraaf-achtige” geestigheid zichzelf permitteert. 0f... laat hij namen noemen! Maar dat is het euvel bij ds Kroon. Hij plaatst een venijnige geestigheid, trekt ze in de volgende regel weer vlot in en holt verder. Ik heb in zijn boekje ettelijke passages aangetekend, waar hetzelfde procédé gevolgd wordt (kras voorbeeld: blz. 42; nare ironie: blz. 78; flauwe woordspeling: blz. 59; blz. 46: namen noemen, enz.).

Een volgende opmerking: als iedereen in de kring van ds Kroon' Karl Barth leest, gaat hij verder (blz. 42, daarentegen blz. 54) en ontdekt Bonhoeffer. Nu ik de prachtige brieven van deze Duitse geloofsmartelaar gelezen heb, kan ik zijn enthousiasme wel delen. „Widerstand und Ergebung” is mooi en treffend. Jammer, dat ds Kroon als hij citeert, nimmer de plaats aanhaalt. Ik meen nochtans zijn citaten thuisgebracht te hebben en weer moet ik de vervelende opmerking maken, dat hij eenzijdig, dus onjuist citeert. Een kras bewijs daarvoor is het volgende. De vierde brief van ds Kroon gaat

over de stormramp van 1.1. Weer valt hij de kerk aan, die haar gelovigen voorhield hierin Gods gericht te zien. Ik ben het eens met de schrijver als hij niet meer beweren wil dan dat dergelijke uitdrukkingen (bestemd voor het kerkvolk en niet voor de onkerkelijken!) makkelijk tot misverstand aanleiding geven. Prof. Berkhof heeft daar voortreffelijk over geschreven in „Wending” (April ’53. Laat ds Kroon dit artikel nu eens weerleggen!) Maar heel de Bijbel en juist het Oude Testament, waarvan Kroon vindt, dat de kerk het verwaarloost, spreekt telkens uit, dat onze God toch ook in de natuurrampen aanwezig is (De zondvloed, de plagen van Egypte, de geschiedenis van Elia, I Kon. 18, de Psalmen, enz. enz.) Bonhoeffer echter handelt ergens anders over: hij betoogt (t.a.p. blz. 217) dat de Apologetiek d.i. dus het gesprek met de humanisten niet uit kan gaan van Gods aanwezigheid, in de natuur en in het lijden. Daarmee is heel de vierde brief van Kroon een slag in de lucht, immers de synodale uitspraak, zo goed als de uitspraken der collega’s van ds Kroon, hoe gebrekkig ook, richtten zich niet tot de geestrijke humanisten die met Kroon corresponderen, maar tot het eenvoudige gelovende kerkvolk, waarmee de schrijver wel eens wat weinig solidariteit vertoont. Hij moge dan Jezus verstaan, die in de tempel met de zweep onder het kerkvolk huishield; het komt me voor dat de Jezus die medelijden had met de schare hem nog wel iets te leren heeft. J. G. B.

De nieuwe start van het massajeugdwerk

1

Men moet met woorden altijd voorzichtig zijn, omdat de mogelijkheid van misverstand aanwekig blijft. Maar soms moet men, vanwege de situatie, eenvoudigweg schrijven en praten en erop hopen dat men toch begrepen wordt.

Neem nu het woord: massajeugd. Het wordt steeds meer aangevochten. Intussen blijven we het gebruiken, omdat er geen ander is dat beter is en... omdat de toestand ons ertoe dwingt om allereerst en allermeest onder de bedoelde jeugd te wérken! En wellicht dat al werkende er te een of andere tijd ineens een andere, betere uitdrukking zich voordoet. Derhalve: ik ga over de massajeugd schrijven, in de hoop tóch begrepen te worden, omdat de situatie ons geen tijd laat om eerst allerlei mogelijke misverstanden te voorkomen. iets: de „nieuwe” start, staat hierboven. Dat betekent niet dat er ergens in ons land een helemaal nieuwe manier van werken zal worden geprobeerd. Het zegt alleen, en het bedoelt hier en nu ook werkelijk niet anders te zeggen dan dat er straks in September weer begonnen wordt met deze arbeid in de vele clubhuizen en jeugdhonken, die zo langzamerhand in ons land zijn verrezen. Daar waar men in de zomermaanden nog in kampen geprobeerd heeft deze jeugd te vatten, rust het werk nu toch wel even, vanwege het feit dat de leiding zélf dringend vacantie nodig heeft. Maar half September gaan de deuren weer open, het werk start, omdat de jeugd kómt.

Zó eenvoudig ligt de zaak evenwel niet. Want er zal moedeloosheid overwonnen en teleurstelling verwerkt moeten worden door

menigeen die z’n liefde en toewijding gedurende vele maanden gegeven heeft. Er zal gebedeld en bezuiriigd moeten worden, omdat de begroting niet sluit en er grote kapltaalsuitgavèn moeten worden gedaan. Er zal geselecteerd moeten worden, omdat de her-ingerichte lokalen niet weer künnen worden blootgesteld aan de vernielzucht van de onstuimige jongeren. En vooral... er zal gepraat en overlegd moeten worden over de methodiek en over de vraag bijv. wat er nu gedaan moet worden met dat groepje van oudere meisjes, die terecht gekomen zijn in werkkringen waar het beetje belangstelling dat er nog was, helemaal dreigt te worden weggezogen, en met die club van zestienjarige jongens, die zo sterk gebonden is aan de éne belhamel. Zal de fantasie opgebracht kunnen worden om mee te gaan met de steeds wisselende stemmingen van deze jonge mensen, en... zal die fantasie aanwezig zijn bij de nieuwe leider of leidster, die de wel zeer stoute schoenen heeft aangetrokken en het gewaagd heeft om te gaan staan op de plaats van de getapte voorganger? Werkelijk: eenvoudig is dit werk niet en nooit, behalve dan voor de „geheide”, die met één zin de hele zaak af doet: „je moet ze de bijbel voorleggen” of iets dergelijks, zoals ik dezer dagen nog las in een geschrift dat me gratis werd toegezonden en waarin „op eenvoudige manier” werd gezegd hoe „het Evangelie” gebracht moet worden aan de „massa-mens” van tegenwoordig. Ongetwijfeld is dit goed bedoeld en oprecht gemeend. Het is alleen een slag in de lucht omdat die zgn. „massamens” soms nauwelijks meer het orgaan schijnt te bezitten om het Evangelie te

hóren! Maar dit voor nu daargelaten: menige jeugdleider en menig bestuur heeft zich in deze weken het hoofd suf geprakkizeerd over allerlei dingen, die met de nieuwe start half September samenhangen en in sommige opzichten zal er straks wel weer geïmproviseerd moeten worden! Vooral ook omdat velen die in dit werk staan zich soms zo hopeloos... verlaten gevoelen! Verlaten door hen, die eigenlijk dit werk moesten meedragen in hun verantwoordelijkheid en die aan de kant blijven staan. Natuurlijk: er is in de laatste jaren een groeiende belangstelling te constateren in kringen, wier medeleven, mededenken en mededragen dankbaar wordt aanvaard. Maar op de keper beschouwd is de basis waarop dit werk rust, gezien naar de kant van de meelevenden, nog maar uiterst smal. En daarom moet er worden geïmproviseerd met materialen van allerlei aard, met lokalen en onderkomens en wat dies meer zij. En ten einde die improvisatie enigszins te beperken, worden er de laatste jaren in Amsterdam in de eerste helft van September zgn. Jeugdzorgdagen gehouden, waarop het werk en de problemen die er omheen liggen, worden voorgelegd aan personen en instanties, van wie verwacht mag worden dat zij het belang van deze arbeid begrijpen.

Deze Jeugdzorgdagen zijn nu reeds uitgegroeid tot een zekere traditie en als de voortekenen niet bedriegen, dan kon dit wel eens worden tot een jaarlijks terugkerend groots appèl op kringen en personen in ons maatschappelijke leven die met deze arbeid geconfronteerd móeten worden.

En nu is dit inderdaad iets geheel „nieuws” in de start van het massajeugdwerk te Amsterdam, dat dit jaar die Jeugdzorgdagen uitgaan van de samenwerkende jeugdzorginstellingen! Deze treffen elkaar in de sectie Jeugdzorg van de Amsterdamse Jeugdraad en nadat een paar jaar alleen de Herv. Jeugdraad dergelijke dagen had georganiseerd, is het nu overgegaan naar genoemde sectie. Dat is iets nieuws en... iets zeer verblijdends. Immers: hiermede treden alle jeugdzorgen van de hoofdstad nu voor het forum van allerlei personen en instanties, die op grond van hun plaats in het maatschappelijke en het overheidsbestel in elk geval voor dit werk interesse zullen hebben. Op zeer concrete wijze zal hun worden getoond wat dit werk inhoudt, hoe het is geoutilleerd, welke problemen er zijn van methodologische én van financiële, van technische én van psychologische aard en er kan getracht worden o.a. via een vraaggesprek hun belangstelling zozeer te wekken, dat het draagvlak van deze arbeid kan worden verbreed. Want dat is dringend noodzakelijk. De tijd dat dit massajeugdwerk beschouwd werd als een soort liefhebberij, is nu wel voorbij. En de dagen dat vanuit de jeugdorganisaties het jeugdzorgwerk als concurrentie werd aangemerkt, zullen ook spoedig geteld zijn. De voortgaande vernihilisering, de toenemende criminaliteit, de ont-normalisering en de gezinsontwrichting zijn nu langzamerhand wel zo overduidelijk geworden dat men de ogen niet meer kan sluiten voor de hoge en dringende urgentie van dit werk, dat zo’n sterk preventief karakter draagt. En voor wie het nog niet mocht inzien: het „Bronnenboek”, verschenen bij de landsdrukkerij als aanvulling van het regeringsrapport over de maatschappelijke verwildering der jeugd, is voor iedereen verkrijgbaar! Neem en lees!

Maar... tot het „nieuwe” van de start moest eigenlijk ook iets behoren, dat voorshands nog slechts voorwerp van hoop is. Daarover iets in een volgend artikel.

A. A. W.