is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 35, 05-09-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De nieuwe start van het massajeugdwerk II

In het vorige nummer hebben we betoogd dat verbreding van de basis van belangstellenden, die het jeugdzorgwerk willen steunen, dringend noodzakelijk is. Er is evenwel iets dat met het werk als zodanig samenhangt en dat tot op heden toe nog nauwelijks kan worden gerealiseerd, juist omdat de daartoe vereiste middelen in volstrekt onvoldoende mate toevloeien. Maar dit laatste is slechts gedeeltelijk de oorzaak van het niet verwezenlijken van de bedoelde uitbreiding van de arbeid. Deze uitbreiding betreft de uitbouw van jeugdzorgwerk tot gezinswerk!

Nu is zo’n stelling gemakkelijk neergeschreven, maar niet zodra gaat men erover praten, of van verschillende kanten komen de vragen en de tegenwerpingen op. Vooral wanneer het jeugdzorgwerk uitgaat van protestants-kerkelijke zijde ontmoet men allerlei afweerhoudingen, die vaak terug te voeren zijn op de trieste werkelijkheid van een onvoldoend toegeruste kerk en van een gemeente die nog al te graag geïsoleerd in de wereld wenst te leven en niet haar taak verstaat om in die wereld te staan. Het is meer dan interessant, het is strikt noodzakelijk om de onlangs door prof. Hoekendijk geponeerde stellingen inzake de verhouding van kerk en apostolaat door te trekken op het gehele terrein van het jeugdwerk; en daarbij kon dan wel eens duidelijker aan de dag treden dan op andere gebieden hoe volstrekt on-toegerust de kerk is voor haar taak in jeugdland. Wanneer de discussie over de kerk als functie van het apostolaat goed op gang komt, zal ongetwijfeld ook gesproken moeten worden over de dienst der kerk aan de jongeren en dat kon wel eens ronduit revolutionnair wezen! Laten we in dit artikel ons bepalen tot een paar vraagpunten die samenhangen met de uitbreiding van jeugdzorgwerk tot gezinswerk en dat dan voornamelijk gezien „van de kerk uit”. Immers: deze dingen liggen bij de niet-confessionele organisaties totaal anders en in de rooms-katholieke kerk is het al geen vraag meer, ook al wordt daar vanzelfsprekend naar-de-wereld-toe-gewerkt omdat men... naar-dekerk-toe wil werken! Het karakter van apologetisch apostolaat treedt in het jeugdzorgwerk van de r.k. zijde wel heel duidelijk aan de dag. Als allereerste vraag rijst:, zal het mogelijk worden dat kerkelijke organen als bijv. wijkkerkeraden en wijkdiaconieën de aanvat van gezinswerk van het wijk-jeugdhonk uit zullen gaan zien als dienst-zonder-meer aan gezinnen die binnen hun rayon wonen? Met de formulering van deze vraag wil niet gezegd zijn dat bijv. de diaconieën geen „dienst” zouden verrichten; maar er is wel een verschil tussen diaconale dienst, althans zoals die thans nog gezien wordt, ook wanneer het meer van maatschappelijke aard is, en dienst-zondermeer op grond van het feit dat men via de jeugd in de jeugdhonken in aanraking komt met gezinsproblemen. Afgezien van de vraagstelling, die een paar jaar geleden nog aan de orde was; maar nu gelukkig langzamerhand op de achtergrond geraakt, of er onderscheid gemaakt moet worden

tussen diaconaat en apostolaat, de diaconieën in hun huidige oriëntering letten toch meer op een eventueel herstel van de band met de kerk dan het jeugdzorgwerk. Bovendien: de diaconieën bepalen zich hoofdzakelijk tot die gezinnen die nog enig contact met de kerk hebben. En nu zou men zo zeggen: derhalve werken diaconie en jeugdzorg nadst elkaar en in geen geval tegen elkaar; maar daarmede is de verhouding te simpel gesteld. Er schuilt nl. vaak

achter de wijze waarop de zgn. buitenkerkelijke gezinnen, ook en vooral in de volkswijken, beschouwd worden! Als deze gezinnen als „zendingsobject” worden bezien, zal de manier waarop er in deze gezinnen gewerkt wordt, op een bepaalde wijze worden beïnvloed. Laat ons zeggen: het draagt dan een meer diaconaal-pastoraal karakter! En dit karakter zal ten enenmale ontbreken aan het gezinswerk dat van jeugdzorg uitgaat. Dat wil zeggen: dit karakter zal er niet opzettelijk inhaerent aan zijn. Welnu: zal de kerkelijke instantie ertoe kunnen komen dit laatste werk als volwaardige kerkelijke arbeid te laten gelden en... te steunen?

Als tweede vraag veroorloof ik mij te stellen: zal men bereid zijn om allerlei para-kerkelijke vormen te aanvaarden, die noodzakelijkerwijs gezocht én gevonden zullen worden om inhoud te geven aan dit gezinswerk? Wanneer men grondig doordenkt over deze zaak, zal men eigenlijk het woord para-kerkelijk weer moeten laten vallen. Het is gesproken vanuit de handhaving van de kerkelijke vormen als enig juiste, waarbij men dan wel zo vriendelijk is om voorlopig de para-kerkelijke te aanvaarden! Maar laten wij niet overhaasten en daardoor te veel vragen misschien; para-

kerkelijke vormen zouden al met meer succes gebruikt kunnen worden wanneer men deze zonder enige restrictie zou erkennen. Om een voorbeeld te noemen; gesteld dat men door contact met enkele gezinnen er toe gebracht wordt om min of meer regelmatig deze gezinnen samen te brengen in een gesprek, is het dan niet volkomen onbelangrijk of deze gezinnen zich óók of daarna invoegen in een bestaande kerkelijke vorm van contact? Nog concreter: zou men een dergelijk „gesprek” niet evenzeer kunnen aanmerken als... „kerkbezoek”? Wanneer men althans per se van kerkbezoek wil blijven spreken! Immers: dan toch denkt men nog te veel van-de-kerk-uit en naar-de-kerk-toe in plaats van naar die gezinnen toe! Maar goed, er zou al veel gewonnen zijn indien men der gelijke parakerkelijke vormen geheel en volwaardig zou kunnen erkennen! De „traditionele rompslomp” waar prof. Hoekendijk over schreef, verdween dan met één slag en... maakt de weg vrij voor een werkelijk apostolair werken in de gezinnen.

In bet bovenstaande is naar mijn mening het een en ander neer gelegd dat de zozeer vereiste verbreding van jeugdzorgwerk tot gezinswerk kan verwerkelijken, Nog twee korte opmerkingen rnogen worden gemaakt: deze verbreding is in wezen ... verdieping! Immers: de jeugd wordt dan geheel gezien als behorend tot een zeker milieu en dat milieu wordt betrokken in wat nien voor de jeugd wil doen. En dan: het zou waarlijk iets geheel „nieuws” zijn als de kerkelijke lichamen ertoe konderi komen van de bovenomschreven gezichtspunten uit dit werk te erkennen, te dragen en te steunen. Erkentelijk voor wat er te constateren valt aan kerkelijk medeleven, moeten wij helaas zeggen, dat over het geheel gezien vele kerkelijke organen nog té traditioneel denken en handelen. Aan het eind van het vorige artikel schreven we dat het een voorwerp van hoop is. Hoop doet leven en wanneer wij cynisch zijn, kunnen we zeggen: dan zal de kerk nog wel heel lang leven! Maar... hoop zou ook de kerk doen léven, werkelijk apostolair léven, ind*en zij deze hoop baseerde op de strikte opdracht van Christus!

A. A. W.

Rondom Jeruzalem zijn bergen

3

Komende van het gebied van de Dode Zee klom ik over de ruggen van het gebergte ten oosten van Jeruzalem, totdat ik de voet van de Olijfberg bereikte, en even rustte op een steen voor de laatste klimtocht, welke een wijd uitzicht op de stad als beloning zou hebben. Gedurende de gehele tocht had de Russische toren op de top van de Olijfberg mij de weg gewezen door het ruige bergland. Die toren op de 800 meter hoge berg fungeert in het Judese bergland net als vroeger de hoge toren van Bellen

op de Drentse heide. Diep beneden de plaats waar ik zit slingert de weg naar Jericho door het dal. Ver in het oosten zijn de roodgekleurde bergwanden aan de oever van de Dode Zee zichtbaar. Geen enkele boom is er te vinden in het gehele tussenliggende gebied. Maar hier in de omstreken van Bethanië staan bomen, die aan het berglandschap ineens een geheel ander aanzien geven. Waar ik zit heeft men boompjes geplant, maar ze zijn zeker dood. ’t Is niet eenvoudig om een bos op een dooi