is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 36, 12-09-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De loonpolitiek

Het was wel een bijzonder onhandige zet op het schaakbord der economische en sociale politiek, de verklaring der werkgevers, die reeds zoveel stof heeft doen opwaaien. Het schijnt wel alsof de werkgevers na de oorlog in hun verklaringen naar buiten steeds weer op het verkeerde ogenblik komen. In de jaren vlak na 1945, toen een vrij sterk geleide economie met een drastische loon- en prijsbeheersing voor de hand lag en dus ook werd aanbevolen door een ieder, die zich niet wenste te begoochelen aan Burgerrechtromantiek, ageerden zij tegen deze geleide economie. Nu, ruim 5 jaar later, met het voorbeeld van België voor ogen, erkennen dezelfde werkgevers, dat deze politiek nuttig en vruchtdragend geweest is. Zij hebben dan ook aan België kunnen zien waartoe de zozeer geroemde „vrijheid” kan leiden. De lonen en prijzen zijn daar op hol geslagen en er zijn maar weinig lieden in België, die daarvan profiteren, zeker als men iets verder kijkt dan de schone schijn van een protserige slee in 1953.

De tijd van gapende tekorten op de Nederlandse betalingsbalans is overigens nu voorbij en eveneens is voorbij de tijd, waarin men nog kon dromen van een jarenlang aanhouden van de hoogconjunctuur. In plaats van een tendens tot inflatie komt er in ons land geleidelijk aan een tendens tot deflatie. Inflatie (stijgende prijzen) moge een groot gevaar zijn voor een gezonde economische situatie, vooral voor hen, die van een vast inkomen moeten rondkomen, vooral als dat inkomen aan de geringe kant is, deflatie (dalende prijzen) is een nog veel ernstiger gevaar. Immers deflatie verlamt de bedrijvigheid. Als men dalende prijzen verwacht, stelt men zijn aankopen uit, hetgeen lijdt tot productieverlaging en dus tot werkloosheid. Deze werkloosheid brengt weer verder consumptie- en dus productieverlaging met zich. De spaarders durven hun geld niet meer te steken in productiemiddelen (minder investeringen), waardoor de zo hoog nodige industrialisatie in gevaar wordt gebracht.

Van deze achtergrond uit moet men de verklaring der werkgevers zien, indien men hun recht wU doen. Zij beseffen, dat een deflatie dreigt en dat dus twee dingen moeten gebeuren:

1. Consumptie-uitbreiding.

2. Stimulering der investeringen.

Consumptie-uitbreiding kan bereikt worden door de lonen wat te laten stijgen. Elke loonstijging behoeft nog geen prijsstijging met zich te brengen en zeker gaan de prijzen niet evenredig mee met de lonen, omdat arbeid nu eenmaal niet de enige factor is in de kostprijs. Een andere manier om te komen tot consumptie-uitbreiding is het verlagen der belastingen, der schoolgelden en der andere verplichtingen, die op de burgers rusten. Het is goed zich voor ogen te houden, dat in de komende tijd deze consumptie-uitbreiding economische noodzaak is om een deflatie te voorkomen. Dat daarbij in het oog moet worden gehouden, dat de sociale gerechtigheid eist, dat alle kringen profiteren van deze consumptie-uitbreiding, ook de arbeiders en de befaamde middengroepen, is misschien in dit blad een overbodige opmerking, maar helaas geen overbodige opmerking in kringen, waarin men aan de borreltafel nog steeds fantaseert over de

luxe, waarin de „arbeiders” zich na de oorlog baden.

Stimulering der investeringen hangt nauw samen met consumptie-uitbreiding. Zodra de consumptie en dus ook de productie toeneemt, zal de spaarder (wie dat dan ook moge zijn) met vertrouwen zijn geld beleggen in productiemiddelen en daardoor Nederlanders aan werk helpen. Het dwaze vooroordeel in onze kringen tegen hoge investeringen staat op hetzelfde plan als de bovengenoemde borrelpraat. Men moet het de spaarders niet te moeilijk maken hun geld te investeren. Dit kan ook betekenen, dat men de dividendstop buiten werking stelt. Het is kinderachtig en kortzichtig indien in onze kringen daartegen zo geageerd wordt. Alleen: men vergete de consumptie-uitbreiding bij de arbeiders niet, want anders maakt men een economische, een sociale en een psychologische fout.

Als men op grond van het bovenstaande nu tot de conclusie komt, dat het dus gewenst is het loonplafond, zoals dat nu door de loonpolitiek der regering aanwezig is, te verhogen of zelfs af te schaffen, dan meen ik dat dit juist is. In brede kringen is er dan ook het gevoel, dat wij binnenkort de consumptie van arbeiders en anderen moeten stimuleren. Wij zullen daarmede (en tevens met belastingfaciliteiten voor andere groepen) de investeringen kunnen bevorderen. Het ziet er naar uit, dat de regering deze politiek dan ook had uitgestippeld en dat deze politiek de instemming van werkgevers en werknemers zou hebben. Bij de arbeiders zou men dan de moeite moeten nemen om de wijziging in loonpolitiek uit te leggen, opdat er geen vertrouwenscrisis tussen vakbonden en arbeiders zou ontstaan. Men zou daarbij tevens hebben duidelijk te maken, dat een opheffen van de maximum-lonen onherroepelijk zou leiden tot een doorbreking van de starheid der lonen, zodat in sommige bedrijfstakken meer en in andere minder loon zou worden betaald dan tot nu toe, hetgeen een sanering van bepaalde verziekte bedrijfstakken ten goede kan komen. Dat de overheid dan moet komen met een minimum-loonstelsel is een noodzakelijk complement van een economische

en sociale politiek, die voor ons, socialisten, te aanvaarden is.

De geleidelijke voorbereiding van één en ander is nu helaas op de reeds genoemde onhandige manier doorkruist door de verklaring der werkgevers. In een zo gecompliceerde en breekbare zaak, waar de sociale vrede in zo hoge mate bij betrokken is, moet men zich wel zeer bedenken alvorens tot zulke verklaringen over te gaan. Indien deze verklaring was afgelegd na jarenlange vergeefse strijd, dan was zij psychologisch verklaarbaar. Nu leidt zij slechts tot kortsluiting. Zij zal de actie van hen, die tot elke prijs een statische politiek willen voeren anno 1950 (en zij zijn er bij bosjes in onze kringen), vergemakkelijken. Zij zal het met name voor de vakbonden uitzonderlijk moeilijk maken zich accoord te verklaren met maatregelen die zakelijk bezien slechts voordelig voor de arbeiders kunnen zijn.

Nu kan men achter mijn redenering vraagtekens zetten. Men kan zeggen, dat ik te veel redeneer uit de huidige maatschappelijke laat-kapitalistische orde, waarin de overheid wel leiding geeft, maar niet alle touwtjes in handen heeft. Ik meen, dat mijn redenering toch juist is, omdat het voor een socialistische politiek onjuist zou zijn stukjes van de weg over te slaan. Wij dienen uit te gaan van de werkelijkheid, ook al critiseren wij deze werkelijkheid. Men moet enerzijds een klare visie hebben op de maatschappij, zoals wij die zouden wensen en op die, waarin wij nu leven. Wij mogen de huidige tijd niet opofferen aan het toekomstige ideaal.

Hier en nu is geboden: bestrijding van het deflatiegevaar, van de werkloosheid met al haar ellende. Dit betekent, dat consumptie-uitbreiding en stimulering der investeringen noodzakelijk zijn. Dat brengt met zich mede het ontdooien van de bevroren lonen. Dat kan niet door algemene loonronden, maar kan in onze maatschappij slechts door bedrijfstaksgewijs overleg. Met Banning zeg ik dan: zorg dat de overheid daarbij is, anders gaat dit alles ten koste van het algemeen belang.

De werkgeversverklaring heeft een reële achtergrond, maar zij zorgt ervoor, dat deze volkomen schuil gaat achter de reacties, die on voorwaardelijk moesten loskomen van hen, die nu eenmaal wat wantrouwig staan tegenover werkgevers. Het is daarom zeer te betreuren, dat men deze fout gemaakt heeft.

Rotterdam

J. G. V. d. PLOEG

Rondom Jeruzalem zijn bergen

4

Ten zuiden van Jeruzalem, op een heuvel, ligt de Arabische universiteit. Het werk is er gestaakt sinds jaren, het terrein is met prikkeldraad afgezet, het gebied staat onder controle van de United Nations, en het is levensgevaarlijk voor onbevoegden om zich op het terrein te begeven. Want de universiteit ligt in het door Israël bezette gebied. |

I Ten noorden van Jeruzalem op een heu-; vel ligt de Joodse universiteit. Het werk is' er gestaakt sinds jaren, het terrein is meti prikkeldraad af gezet, het gebied staat! onder controle van de United Nations, aü ligt er een kleine Joodse bezetting ih de ge-1 bouwea welke eens in de veertieTi_‘«*g^

over Jordaans gebied wordt afgelost. Het lopen op het terrein Is levensgevaarlijk. De unlversltelt ligt In door Jordanië bezet gehouden gebied. |

Tussen beide heuvels met hun nu verwaarloosde kostbare gebouwen in liggen twee steden, het oude Jeruzalem en het nieuwe, het Jordaanse en het Israëlische, van elkaar gescheiden door een smalle strook niemandsland. Wie zich in het niemandsland waagt kan verwachten dat er van twee kanten op hem geschoten wordt. De afstand tussen beide steden is groter, dan men op het eerste gezicht zou denken. Die paar honderd meter brede strook niemandsland met het wild groeiende gras