is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 36, 12-09-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

EEN ERNSTIGE ROMAN

n.a.v. „Engelen van mensen” roman door J. N. Hofstra, uitgeverij Leopold, Den Haag, 1952, 259 biz., ƒ 7,90.

Het hoort tot een van mijn eigenwijze overtuigingen, dat de romanschrijver Hofstra met zijn laatste boek „Engelen van mensen” een meesterwerk geschapen heeft, dat veel meer dan andere offlcieel-bekroonde boeken, op den duur blijken zal de aanwinst der laatste jaren te zijn in de Noordnederlandse letterkunde, een roman, die het rustig volhoudt naast de grote Vlaamse en buitenlandse romans. Ik schrijf het geringe gerucht rondom dit boek toe aan het feit, dat deze roman naar de vorm ouderwets is, en naar de inhoud een menselijk probleem aan de orde stelt, dat bij de quasi-officiële critiek in Nederland niet zo heel veel weerklank vindt.

Hofstra’s verhaaltrant is die van de goede, ouderwetse roman; laat ons zeggen: Couperus. Hij geeft een aandachtige en gevoelige sfeer- en mUieu-schildering; hij geeft in het eerste hoofdstuk een rustige uiteenzetting van de situatie, waarin zijn hoofdpersonen zich bij het begin van het verhaal bevinden; zijn roman speelt in gegoede, intellectuele en artistieke kringen, waar de conversatie en de innerlijke over-

peinzing een zekere ontwikkeling veronderstelt; hij hanteert geen nieuwe taalprocédé’s als verkorte beeldspraak, verschuiving der persoonsvormen, onverklaarde droomsymbolen; zijn figuren beleven geen hallucinaties. Als zijn mensen de tweede wereldoorlog niet meegemaakt hadden en niet over existentialisme hadden horen spreken, zou men menen met een roman uit de jaren ’2O te doen te hebben, een nabloei van Couperus, maar Couperus had geen nabloei! Het enige zeer moderne element in deze roman is, dat het psychologiserend element, ik bedoel de aandrift van de romanschrijver de wederwaardigheden van zijn personen te verklaren uit hun gegeven zielestructuur, teruggedrongen is ten bate van de levensproblematiek. Deze roman stelt een vraag aan de orde, dringend en onontwijkbaar: waar zijn wij, mensen, aan toe? En de hoofdpersoon slaat aan het einde van dit boek een weg in, eenzaam en verlaten, maar men voelt dat de schr. aarzelend suggereert, dat deze weg goed is, en niet alleen voor de hoofdpersoon! Niet alieen onder dit opzicht is deze roman zeer modern, want met fijne smaak heeft Hofstra alleen die nieuwe verworvenheden toegepast, welke bij zijn verhaaltrant passen; ik denk aan de voortreffelijke, hoewel toch hier en daar gekunstelde wijze, waarop hij zijn verhaal in de ikvorm voordraagt. Ik weet wel dat Dickens dit reeds deed, maar Dickens en ik geloof nog steeds dat hij gelijk had zorgde dat zijn ik-personen passief waren en de gebeurtelijkheden ondergingen. Moderne schrijvers zo ook Hofstra laten ons in de ik-figuur een geestelijke evolutie aanschouwen. Bezwaar van dit systeem is de steeds dreigende innerlijke onwaarschijnlijkheid. De al-wetende schrijver is zodoende aanwezig binnen in de hoofdpersoon en spreekt door zijn mond. Opvallend is ook bij Hofstra de moderne aandacht voor het bewustzijnsveld, die versmaadt naar onderbewuste driften te speuren, maar helder omschrijft, wat in één blik gezien wordt: situatie mét bewustzijnstoestand. (De deskundige lezer herkent de phaenomenologische benadering!)

Ik kom nu tot het thema van de roman. Er woont in een deftig Amsterdams grachtenhuis een rijke, ietwat eenzelvige, zeer ontwikkelde vrijgezel, oom Jont. Hij heeft zijn vriend, die weduwnaar is, met al zijn kinderen, twee zonen en een dochter, bij zich in huis genomen en leeft gezellig met hen samen. Hij is de goede oom, de vaderlijke vriend der welhaast volwassen kinderen, door een jeugdgebeurtenis eng verbonden met hun vader. Vanaf de eerste bladzijden staat deze oom Jont levensgroot voor ons, met zijn lichamelijke hebbelijkheden: hij heeft bijv. slechts één oog, met zijn manieren en maniertjes, met zijn inwendig leven. Wij zien hem overigens men vergete dit nooit zoals hij zich zelf ziet. Hij is en voelt zich de edele, zich zelf vergetende voogd over heel dit huisgezin, de belangeloze, met zich zelf tobbende intellectueel, de superieure geest. Er heerst in dit deftige milieu een prettige, enigszins gladde sfeer, nauwelijks verstoord door het feit, dat oom Jont agnosticus (ongelovig)

is, het verhoogt in tegendeel zijn vriendelijk zelfbewustzijn en de andere, gelovende, practiserende rooms-katholieken. De sfeer wordt ook slechts lichtelijk gestoord door het feit, dat de jongeren wel wat onstuimig leven en handelen, naar het inzicht van de wijze oom, die hun gangen overigens vergoelijkend gadeslaat. Maar nu gebeurt er, vlak naast dit vriendelijk milieu iets ongehoords: de vriend van juist degene der zonen, die oom Jont het liefst is, pleegt zelfmoord en deze daad veroorzaakt een geweldige kettingreactie. Met grote vindingrijkheid heeft Hofstra zijn roman zo vernuftig geconstrueerd, dat de Innerlijke noodzaak der feiten door ons, zijn lezers, geen moment betwijfeld wordt. En wat gebeurt? Een Couperus-achtig démasqué vindt plaats: deze beschaafde intelligente mensen blijken stuk voor stuk eribarmelijkte stakkers, voortgejaagd door rauwe instincten en hartstochten. Alle vernis van beschaving en fijne manieren en religieuze conventie bladdert af; het zijn me „de engelen van mensen” wel! Berooide en beroerde egoïsten! En oom Jont aanschouwt dit alies. Hij ziet dat degenen, die hem het naast waren en die hij jarenlang belangeloos gekoesterd had met zijn guUe voorkomendheid, volslagen onbekend naast hem leefden. Maar deze ontmaskering der anderen is tevens ontmaskering van hem zelf. Zijn zelfvoldane humaniteit breekt op de harde feiten van andermans en eigen egoïsme. Immers zijn door anderen, maar vooral door hem zelf hoog gewaardeerd jaltruïsme, blijkt natuur, instinct, onverdraaglijke bemoeizucht, geen deugd, geen cultuur. Doch staande voor de ruïne van eigen en andermans leven, wetend dat hij niet anders kan zijn dan hij is, ontdekt hij in zijn instinctmatig altruïsme, de mogelijkheid tot een nieuwe, thans religieuze dimensie: het offer. En dan gaat oom Jont het enge pad op.

Wanneer ik aldus de structuur van deze oorspronkelijke roman blootleg in ethische termen, dan moet ik toch de lezer voorhouden, dat de zelfbespiegeling van de hoofdpersoon, waarin we de bovengeschetste ontwikkeling volgen, prachtig afgestemd is op een boeiend en gevarieerd feitenspel, dat ook de bijfiguren markant voor ons oog bewegen, dat het slot een welhaast geniaal gevonden bekroning is van dit verhaal van innerlijke groei, geen hapy ending en geen troosteloos sluiten der horizonten maar een tegelijk droevig en inspirerend vergezicht. Afzonderlijk dient geprezen de rijke schakering der typen van gelovige mensen die we in deze roman ontmoeten; vanaf het conventionele type over de stoere, naïef-gelovende tot de mystiek-begenadigde en deze allen, gezien door het oog van een ongelovige.

Als ik me één critiek veroorloof, dan is het, dat het einde enigszins lijdt aan de juist in ons land welbekende logica der r.k. apologetiek, die in het buitenland door Mauriac en Barnanos en Graham Greene nog glanzender overwonnen werd. Maar dat deze namen, in verband met een Nederlandse roman genoemd dienen te worden, is in mijn mond een zeer hoge lofspraak.

Schrijnend is dit boek en niet voor onvolwassen lezers, maar het trieste gegeven wordt door Hofstra, anders dan Couperus of Oudshoorn het gedaan zouden hebben, geplaatst in een mild licht. Hofstra kent ’s mensen achtergrond en heeft er weet van, dat ook de mens van vandaag verlossing aangezegd is.

J. G. B.

en het ongedierte dat er in schuilt symboliseren de onoverkomelijke scheiding tussen de Arabische landen en Israël. Zo ongelukkig en onwijs als de universiteiten elk op eigen heuvel liggen en met hun inventaris, bibliotheek enz. in verval raken, zo liggen beide steden, delen van een stad, tegen elkaar aan, gescheiden van elkaar en slechts kunstmatig op het peil van vroegere betekenis gehouden, omdat de normale gang van zaken er gestremd is.

Niemand weet wat er geschieden zou, wanneer de UNO deze status quo niet handhaafde. Op een dag schieten politiemannen uit de oude stad op twee mensen, die blijkbaar in niemandsland zijn, twee Israëli. De volgende dag komt het antwoord: een salvo uit een mitrailleur van de overzijde, gericht op de Damascuspoort van de oude stad doodt 8 voorbijgangers en verwondt veertien anderen. Een incident zonder gevolgen, zoals zovele, maar vol betekenis. Er is bittere haat en onverzoenlijkheid.

800.000 dlsplaced persons, slachtoffers van de stichting van de staat Israël, verdreven, of uit angst gevlucht, of door eigen ;ieiders misleid, nu in de allerellendigste omstandigheden levende en slechts in het leven gehouden door de steun van de UNO, zijn een onuitputtelijke voorraad brandstof waarmede aan de ene zijde het vuur van de haat gestookt wordt.

Wie zal het recht op deze bergen doen herleven? Om te zien is dit bergland even liefelijk als vroeger. Maar wie er zich in waagt zonder de weg te kennen en te weten hoe de situatie is, die is een waaghals. Door beide partijen worden oplossingen aangeboden maar het is de vraag of men beseft, hoe het aan de andere zijde van de demarcatielijn is. Vrede schijnt verder weg te zijn dan ooit. H. J. F.