is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 41, 17-10-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den Heer behoon de aarde en haar j volheid. V Psalm 24 :1

Tijd en Taak

ONAFHANKELgK WEEKBLAD VOOR EVANGELIE EN SOCIALISME VERSCHIJNT 50 MAAL PER JAAR SISTE JAARGANG VAN „DE BLIJDE WERELD”

Zaterdag 17 October 1953 Nr 41 Redactie: dsj. J. Buskesjr ds L. H. Ruitenberg dr J. G. Bomhofif Redactie-Secr.: Roerstraat 48* Amsterdam-Zuid Telefoon 724386 p/a dr J. G. Bomhoff Vaste medewerking van prof. dr W. Banning J. Hulsebosch H. van Veen dr M. V. d. Voet dsH-J.deWijs Mej. dr M. H. v. d. Zeyde e.a.

nement per jaarf 5,—; haljjaar f 2,75; kwartaal f 1,50 plusJo,ls incasso. Losse nrs f 0,15; Postgiro 21876; Gem. giro V 4500; Adm. N.V. De Arbeiderspers, Hekelveld 15, Amsterdam-C; Postbus 800

TROUW AAN HET VERZET

Er lopen nog te veel mensen in dit land met littekens van de vorige oorlog, dan dat het ons, de overlevenden, toegestaan is, de geschiedenis van het verzet te vergeten. En nu ik zo pas voor de tweede maal het boek van J. B. Charles „Volg het spoor terug”, beëindigd heb (zie Leestafelnieuws van deze week), laat de gedachte me niet los, dat ons denken en zorgen zich wat meer moest laten inspireren door wat wij toen ondervonden en geleerd hebben. Te meer omdat moet het nog gezegd worden? de sombere wolken van een volgende wereldoorlog nog steeds boven ons hoofd hangen. Het blijft verdacht, als men van de vorige oorlog niet meer horen wil, alsof die eens en voorgoed beëindigd was. Het kan dan zijn, dat het niet tactisch is om er vandaag over te reppen, nu Franco onze bondgenoot is en Duitsland zich weer gaat bewapenen, maar als er één belofte is, die we onder de oorlog aan elkaar en vooral die we aan de slachtoffers van de terreur gedaan hebben, dan is het toch deze; dat wij, de overlevenden, overlevenden vaak dank zij onze lafheid, uit dankbaarheid alles zouden doen om te voorkomen, dat deze ellende nog eens over onze kinderen zou losbreken.

Ik heb wel eens gedacht, dat het goed zou zijn en de atmosfeer der politiek aanmerkelijk zou verhelderen, als er in ieder land twee partijen zouden ontstaan, niet meer en niet minder, waarvan de ene partij de idee van vrijheid en onafhankelijkheid van eerbied voor de mens, van democratie en socialisme zou voorstaan en de andere partij kortweg de fascistische en autoritaire zou heten. We waren dan de misleidende termen, progressief en conservatief meteen ook kwijt. Want, vrienden, in de oorlog waren de besten van ons tegelijk progressief en conservatief. Ze waren sief, voor zover ze een nieuwe wereld wilden zonder rassenhoogmoed, zonder standenverwaandheid, maar mét gewetensvrijheid, mét eerbied voor de individuele mens. Ze waren conservatief, voor zover ze tegen de mannen van de nieuwe orde (Neuropa!) koppig verdedigden, wat er aan bovengenoemde waarden, hoe gebrekkig ook, bij ons reeds verwezenlijkt was.

Tot die democratische partij, waarvan ik droomde, zouden dan ook behoren mensen, die nu bijv. in Nederland lid zijn van een liberale of van een confessionele partij, ja

pok een enkele communist, maar die elkaar zouden vinden op basis van een diepe af keer van elke vorm van gezagsverheerlijking en fascisme, van rassenwaan, standenhoogmoed en klasse verheerlijking. En tot die andere partij zouden ook mensen behoren, die nu lid zijn van onze socialistische beweging, maar in de grond geweldaanbidders zijn, profiteurs, mannen tot elk compromis bereid en o zo graag de baas spelend over hun simpele partijgenoten, lieden, zoals de S.D.A.P. ze ook telde voor Mei 1940 en die na de Duitse invasie ineens hun ware gezicht toonden. Veel communisten zouden in die partij thuis horen, veel Elsevierlezers, veel reactionnaire lieden uit de confessionele partijen en... een heel groot aantal zgn. politiek-onverschilligen. Als we in het Europees parlement de partijen eens volgens bovenstaande formule opstelden...

Maar bedacht ik me dan het zou 'niet veel baten. Na de grote schiftingen en de nieuwe partij-opstelling, zouden al spoedig de grenzen der partijen toch weer verdoezeld worden. Ook onder de zuiveren en integralen zou bederf schuilen, er zouden spoedig leidende figuren naar voren dringen, wie het niet om het ideaal maar om macht en bezit te doen was; er zou een hopeloze spraakverwarring der beginselen ontstaan en aan de overzijde zouden blijken mensen te zijn, die het toch wel goed bedoelden, die iets zagen, wat men bij ons niet opgemerkt had, die meer zelfverloochening opbrachten, dan wij van onze vrienden hadden mogen verwachten. Het zal altijd wel zo zijn, dat vele mensen achter de verkeerde vlag door de wereld trekken en dat mooie itjealen besmeurd worden in de practijk van het compromis en vooral, dat macht bederft.

De erkenning dan ook van de diepe waarheid, dat ieder mens het recht en de plicht heeft te varen op het kompas van zijn eigen strikt individueel geweten, is het begin van elke politieke wijsheid. In die zin willen we liberaal en democraat heten. Maar de bevinding, dat gemeenschap gemeen maakt, mag pas als waarschuwing gebruikt worden, nadat eerst eerlijk erkend is, dat wij, van God geboden, binnen een menselijke gemeenschap leven, voor elkaar te zorgen hebben, elkander verdragen moeten zo goed als de anderen ons moeten helpen en dulden.

Omgang met anderen betekent compro-

mis, betekent prijsgeven van een bepaalde nuance van ons gewetensoordeel. Twee mensen denken niet eender, twee mensen bedoelen met hun woorden iets anders en gaan ze samenwerken, dan moet ieder een schakering van zijn eigen oordeel prijs geven. Het beste huwelijk ontkomt er niet aan. Waarom zouden we verwachten dat het in de grote gemeenschappen anders toeging, waar het misverstand der woorden, de onenigheid der bedoeling, de onvrijwilligheid van het samengaan zo veel erger is dan tussen twee mensen, die elkaar gekozen hebben? Men zal dit moeten leren verdragen. En het is mogelijk op grond van twee overwegingen.

Ergens schrijft ook Charles over de „redelijke betrekkelijkheid van wat mensen zo zeggen”. Men kan zeer hardnekkig vasthouden aan het eigen gewetensoordeel en deze vasthoudendheid kan op kritieke momenten de laatste en enige bestendigheid zijn voor een goed en beproefd mens, nochtans zal het veilig zijn om steeds te denken, dat ook het eigen standpunt, hoe vast verankerd in eigen gewetensdiktaat toch nog betrekkelijk is. „Hier sta ik en ik kan niet anders”, moet Luther gezegd hebben, en we prijzen hem er voor. Is het helemaal zeker, dat de rechters van Worms wel anders konden?

En ook deze overweging is gebaseerd op een nog diepere grond: het smartelijke erkennen van ’s mensen gebrekkigheid. En zie nu eens, hoe ver dit inzicht voert: enerzijds tot het besef, dat niet alleen de anderen te kort schieten, maar ik zelf ook. Vervolgens, dat de anderen evenzeer tot een compromis genoodzaakt zijn als ik zelf. Daarom stem ik zo diep in met Charles, als hij schrijft:

„Anders dan de optimisten onder de sociahsten, die van de Mens uiteindelijk wel een Heilstaat verwachten, ben ik alleen socialist op aandrang van mijn actuele verantwoordelijkheidsgevoel.” (blz. 325). Gelukkig dat het nog niet mijn hele waarheid is. Ik weet wel, dat de mens het met zijn verantwoordelijkheidsgevoel moet wagen. Ik deel met velen de angst, dat zelfs dat woord nog te zwaar is, te log, te onduidelijk, ja te pathetisch en dus onwaarachtig. Ik vind het best om te zeggen, nuchter en voorzichtig: „Het voornaamste doel van het leven is om zo fatsoenlijk mogelijk te sterven” (blz. 325). Maar er mag bij doorklinken de gefluisterde overtuiging, dat het niet de hele waarheid is. Verantwoordelijkheidsgevoel... Ja, maar verantwoordelijkheid aan wie? Toch niet aan mijn wankelzelf? „Fatsoenlijk sterven”. Ten overstaan van wie: fatsoenlijk?

Bewijzen en overtuigen laat zich hier niets. Het is een genade te weten van een oneindige horizon achter dit leven. Geen horizon! Een Gezicht! Een Persoon!

J. G. B.