is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 47, 28-11-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Medezeggenschap

Bij de besprekingen over de toekomstige Nederlandse loonpolitiek komt ook telkens aan de dag het begrip medezeggenschap der arbeiders. Het fatale van het gebruik van dit woord is, dat een ieder een ander beeld voor zich ziet oprijzen, wanneer hij het woord hoort. Sommige ondernemers denken, dat zij voortaan hun „zetel” moeten delen met een arbeidersvertegenwoordiger en spreken onmiddellijk het „onmogelijk” uit. Sommige arbeiders denken aan een zoethouderijtje, waar ze alleen maar slechter van kunnen worden wat betreft de inhoud van het loonzakje.

Het woord is dus meerzinnig en daarom wordt het tijd, dat er in ons land enige orde geschapen wordt op het woordgebruik. Ik wil proberen aan te geven hoe op dit moment de medezeggenschap verwezenlijkt kan worden, waarbij ik de nadruk leg op het feit, dat het best mogelijk is, dat wij over 10 jaar veel verder kunnen voortschrijden op de weg der medezeggenschap.

Als wij in de geschiedenis terugkijken, dan zien we, dat voor 1700 een grote invloed van de arbeiders tegenover hun werkgever heel vaak voorkwam. In het ambacht overlegden baas en werklieden met elkaar op voet van gelijkheid. Resten daarvan treft men nog aan in vele kleine bedrijfjes en ook wel in het landbouwbedrijf. De invloed der arbeiders, dus de medezeggenschap (want wat zou medezeggenschap anders kunnen betekenen) was toen dus nog groot. Na 1700 begon er een kentering te komen. De voorloper van de fabriek, die wel manufactuur genoemd wordt, was een grote werkplaats, waar vele tientallen arbeiders werkten. Daar was de mogelijkheid van invloed door het grote aantal arbeiders reeds vrijwel nul, hetgeen nog erger werd toen het fabriekmatige grootbedrijf in de 19e eeuw een belangrijk deel der arbeiders trok. De invloed der arbeiders was geheel afwezig, hetgeen tot gevolg had, dat de arbeiders volkomen ontrecht waren en in het gunstigste geval onder de „vaderlijke” zorg van de ondernemer (paternalisme) stonden.

In deze sfeer kwamen de vakverenigingen tot ontwikkeling. Aanvankelijk als bijstandorganen om de ergste noden onderling te lenigen, later als strijdorganisatie tegen de ondernemers. Als zodanig kregen de arbeiders wel invloed op de ondernemers, maar het is de invloed van de gebalde vuist. Het verkeer tussen werkgevers en werknemers is wel eens getypeerd met de uitdrukking: „georganiseerd wantrouwen”. Men is bang voor elkaar, men haat elkaar, men bestrijdt elkaar. Zeker, dank zij deze strijd, die wel moest gestreden worden, hebben de arbeiders steeds meer hun rechtvaardige deel ontvangen. Het zal de smaad blijven van de liberale politiek in de 19e eeuw, dat de Staat in die tijd niet toekwam aan zijn eigenlijke taak: het recht bestellen, d.w.z. een ieder het zijne geven en doen geven.

Als gevolg van de overwinningen van de vakbonden en ook als gevolg van nieuwere inzichten in de wereld van ondernemers (wij mogen dit zeker niet verwaarlozen of bagatelliseren) kwam in deze eeuw eerst aarzelend en later zonder krampachtigheid het overleg tot stand tussen werkgevers en vakbonden. Eerst is het de C.A.0., (de collectieve arbeidsovereenkomst, d.w.z. de

overeenkomst, die gesloten wordt tussen een aantal werkgevers en een aantal arbeiders, in tegenstelling tot de individuele arbeidsovereenkomst, die is de overeenkomst tussen één werkgever en één arbeider) geweest, die de mogelijkheid bood tot overleg rondom een conferentietafel, later werden het tal van andere zaken. Na de oorlog is daarin een verheugende ontwikkeling gekomen toen in de Stichting van de Arbeid de werkgevers en de arbeiders elkaar voortdurend ontmoetten. De invloed via de gebalde vuist heeft plaats gemaakt voor de invloed van het redelijk overleg. En beide partijen beseffen, dat aan dit laatste de voorkeur moet worden gegeven.

De invloed, die dan aanwezig is, betreft echter dan de arbeiders via hun vakvereniging en dus niet de arbeiders binnen hun onderneming zelf. Ook de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, de P. 8.0.) bweegt zich

langs deze lijn. De bedrijfsschappen, d.w.z. de organisaties die omvatten de ondernemingen van dezelfde soort (dus alle schoenfabrieken bijv.) worden bestuurd door een organisatie, waarin werkgevers en werknemers zijn opgenomen, waarbij de werknemers vertegenwoordigd zijn door hun bonden. De invloed blijft dus indirect. Dit kan ook niet anders, want het is natuurlijk volstrekt onmogelijk, dat de arbeiders van verschillende bedrijven elkaar zo goed zouden kennen, dat zij tot een afvaardiging zouden kunnen komen. Bovendien zijn de vakbonden gespecialiseerd op deze taak van overleg. Zo goed als in het parlement niet willekeurige Nederlanders gekozen worden, maar zij, die hiervoor volgens hun politieke partij de meeste geschiktheid bezitten, zo goed is ook in de publiekrechtelijke bedrijfsorganen de enig juiste oplossing de hierboven geschetste.

Maar naast deze invloed via hun organisaties is het ook goed, dat er komt een invloed direct binnen hun eigen onderneming. Reeds vele jaren zijn in de meest vooruitstrevende ondernemingen fabriekskernen en -commissies, die invloed uitoefenen op de leiding. Maar zodra de ondernemingsraden overal zullen verschijnen is er sprake van een directe grote invloed op de leiding, omgeven door wettelijke voorschriften en dus niet afhankelijk van de al-of-

rWEE LIEFDESGEDICH7EN

Zijmijn inintieme woorden

zullen vleugels om je voeten vormen wetmatig als hladhloemen aangetrokken door een vruchtbeginsel

je zult rechtlijnig uit mijn liefde openschuiven en naast mij evenwijdig voortgaan

zo over en weer

stappend zullen wij het stolpunt van de dood van warmte vloeiend overleven.

De parelvissers:

de mensen zouden niet zeggen dat wij over de bodem van de zee lopen

alleen uit de duisterdiepte kotn ik boven

om een parel uit de nacht te plukken en in de kleine schelp van je handen te vouwen

de mensen geef ik glazen knikkers om in te kijken als er in hun ogen niets meer valt te zien

H. riKKEMEIJER