is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 48, 05-12-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

‘Eindstation’

niet meer dan een compromis

Merkwaardige combinatie; een film met sterren (als Jennifer Jones en Montgomery Clift) en een regisseur als Vittorio de Sica. Zou uit een dergelijke samenwerking een harmonisch kunstwerk kunnen groeien? Het antwoord wordt door de film zelf, door „Eindstation”, gegeven. En dit antwoord valt méé en tégen.

Wie het nog niet weet, zal zo langzamerhand tot de overtuiging zijn gekomen, dat ook filmsterren een functionele betekenis hebben, zo gezegd: de functie, met hun mooie benen, stoere gezichten, smachtende ogen, brede schouders en vooral met him voor niets terugdeinzende ellebogen, de regisseur k.o. te slaan en de film te... verknoeien.

Neen, dat is Jones en Clift bepaald niet gelukt; hun tegenstander de Sica was te sterk. En zo kunnen wij in deze film die zich af speelt in anderhalf uur tijds, in het grote nieuwe Romeinse station, waar de getrouwde vrouw definitief afscheid neemt' van haar jonge vriend en naar Amerika terugkeert enkele flitsende taferelen, beelden en geluidsflarden, bewonderen, dié als uitmuntende montage van het „stationsleven”, de sfeer vasthouden en ons zullen bijblijven. Dit station is, dank zij de regisseur, niet slechts ’n beeld- en geluidscoulisse, doch veel meer: een wezenlijk deel van het afscheid der twee mensen. Het station speelt mee als symbool van een liefde, die, verleden en omstandigheden terugdringend, fel en plotseling is opgebloeid. Een stuk modern leven wordt in een flits weergegeven en gesymboliseerd. Hoe anders, hoe eenvoudiger en hoe veel minder „tief” is dit zinnebeeld dan diepzinnig onverteerbare

Duitse rolprenten met veel gefilosofeer!

De stationsopnamen zijn één stuk dynamiek; er is geen rust en er is geen houvast. Het lange begin van deze film met de lange gesprekken tussen de vertrekkende vrouw en de in wanhoop achterblijvende man, is het loon, dat de Sica voor wat vrijheid in het middenstuk en in de eindtaferelen van zijn film, moest betalen. In dit begin en ook in andere scènes zien wij geen de Sica, des te uitvoeriger en irriterender daarentegen Jones en Clift met hun allures en manietj es.

Men vergete deze fragmenten. Ik verzeker u: men zal ze vergeten. En overblijven zal een filmtorso van de Sica. Hetgeen inhoudt, dat „Eindstation” („Stazione Termini”) geen volmaakte eenheid vormt als Leans „Brief Encounter” (aan welk werk deze film even doet denken) of als de hoogtepunten uit de Sica’s werk, „Het wonder van Milaan”, „Umberto D.” en „Fietsendieven”.

H. 'WIELEK

BENTVELDNIEUWS

Weekend-cursus van 24-25 October 1953 HET BEDRIJF ALS GEMEENSCHAP

Wil dit een verslag van dit weekend zijn? Helemaal niet. Nog niet eens een indruk ervan. Waarom we er dan over willlen schrijven? Omdat het zo buitengewoon goed geslaagd is. Ruim honderd deelnemers waren er en nog tientallen moesten er worden afgeschreven! „We zullen er zo spoedig mogeiijk weer één beleggen,” zei Van Biemen. Loop niet te hard van stapel kerel, want die arbeidersdeelnemers ontbreekt het haast altijd aan de benodigde „ping-ping”. We zijn echter dankbaar voor hetgeen de ANMB doet op financieel gebied om het zijn leden mogelijk te maken naar Bentveld te gaan. Maar we kunnen je enthousiasme begrijpen; ook wij waren er weg van. En wat een prima gemengd gezelschap, bedrijfsleiders, chefs van sociale diensten, arbeiders enz. In het verleden waren deze bijeenkomsten altijd goed bezet, maar dat dit zo zou worden, nee, dat hadden we niet kunnen dromen. Om kort te gaan, hiermee is bewezen, welk een grote behoefte er aan dit soort cursussen bestaat. En dat het hard nodig is voor de goede gang van zaken in het bedrijfsieven is ook gebleken, dat konden we horen van vele deelnemers op deze bijeenkomst. Zeker, er wordt wel veel gedaan door een aantal bedrijven op dit gebied, maar er is nog heel veel op te voeden in deze richting, voordat wij aan een goede bedrijfsgemenschap toe zullen zijn. Zo lang er geproduceerd wordt om de winst, wordt de mens zo licht vergeten. En als we zo doorgaan, zal ook zo gemakkelijk de democratie worden ondermijnd. Er werden en worden nog al wat gewetens verknoeid en vertrapt, ook in de bedrijven.

„Wat bedoelen we met gemeenschap?” Zo begon Zaterdagavond onze vriend v. Biemen z’n babbeltje. Klaar en duidelijk gaf spreker een rondje „bedoelde gemeenschap” weg. Wat heeft die inleider de te behandelen stof onder de knie. Dat de mens heel hard een gemeenschap nodig heeft, daarover waren we het toen wel eens. Er werd natuurlijk nog geweldig over nageboomd, zo erg, dat de leiding om twee uur in de nacht aanstalten ging maken om naar bed te gaan. (Is dat geoorloofd in een goede gemeenschap, leider?)

Zondagmorgen moesten we weer op tijd aanwezig zijn, al waren we niet uitgeslapen. Rechten en plichten in een goede gemeenschap en dus om half negen aan het ontbijt. Alle waardering voor de huishouding, die, ondanks deze„massa-bijeenkomst”, toch alles keurig voor elkaar had.

Waren we Zaterdagavond al getracteerd op goede zang. Zondagmorgen kregen we deze nogmaals bij de morgenwijding.

Na deze wijding was dr. Horringa aan de beurt, die ons de vraag voorlegde: „Kan een bedrijf een gemeenschap worden?” Bij de arbeiders waren er verschillenden, bij wie het wantrouwen toch weer even om de hoek kwam gluren, want enkelen vroegen: „Is die knaap (dr. Horringa) niet van het bureau Berenschot?” Met andere woorden: ,daar hebben we het niet zo erg op begrepen.” Maar dr. Horringa vertelde precies waar hij vandaan kwam en wat zijn taak aan bovengenoemd bureau is. Het is ook hier weer zo, als men maar met elkaar gaat praten, dan leert men elkaar beter waarderen en verstaan.

Ook deze inleider beheerste zijn gebrachte stof volkomen. Zelfs had hij als handarbeider in de bedrijven wat practijk gehad en dat is wel belangrijk als er, zoals in dit geval, vele handarbeiderstoehoorders zijn. Dat er nog heel veel te verbeteren is, is ook hier wel gebleken. AVat te denken van het volgende geval, dat spreker in de practijk had meegemaakt. Een chef van een groep van 25 meisjes kende er slechts twee van. Elke week werd de groep zo door elkaar geschud, dat eigenlijk geen van allen elkaar maar bij benadering leerde kennen. 'Van groepsvorming gesproken.

Enfin, we hebben in groepsverband veel gediscussieerd. Het blijkt altijd weer, dat de verschillende lagen van mensen, ook in de bedrijven, elkaar toch zo slecht verstaan. Het ergste is dit wel bij de lagen, welke boven de handarbeiders liggen, om het op deze manier te zeggen. Er zijn daarbij mensen, die de geest van de handarbeider dan ook helemaal niet verstaan, anders zouden er toch niet zulke studies nodig zijn om te weten, dat, als je een groep arbeiders in een bedrijf door elkaar gooit, dus verstoort, de productie omlaag gaat. Dit merkten enkele arbeiders op, en m.i. terecht.

Klaar komen doe je op zo’n weekend nooit, zo was het ook hier. 'Van Biemen gaf een goed slot en toch zouden we dit slot nog anders willen. Laten we nl. voor de toekomst uit ons gesprek een goede conclusie trekken en bijv. zeggen: nu gaan wij zus en zo handelen. Laten we enige goede concrete punten vastleggen. Mij dunkt, dit zal de deebiemers nog meer bevrediging geven.

Tot slot mogen we onze waardering uitspreken, dat wij dit werk te Bentveld mogen doen. Tot heil van de gemeenschap.

P. SPARREBOOM

DE GOEDE OUDE TIJD!

Uit een brief van een 68-jarige gepensionneerde gemeentebode:

Wijlen mijn vader en moeder waren afkomstig uit een orthodox gezin, maar gingen tijdens onze jeugd nooit ter kerke. Vader verdiende 5 gulden per week, waarvan ons gezin bestaande uit 7 personen moest leven. Maar hoe arm wij waren, het dagblad „Het Volk” werd gelezen, al was het met zijn vijven, en ook „de Blijde Wereld”. Ondergetekende is nog aangenomen bij ds. S. K. Bakker.

Zondagsmorgens was het een komen en gaan van arbeiders, die dit of dat hadden

en mijn vader advies vroegen, wat te doen. Mijn vader was nl. voorzitter van de Werkmansvereniging, waarvan toen de landelijke leider was een mijnheer Heldt. Zo weet ik mij te herinneren, dat deze vereniging eens een advies aan de gemeenteraad van B. zond, waarin gevraagd werd het loon van de gemeentereinigers van ƒ 5.50 op ƒ 6. te brengen. Het gehele bestuur van deze Werkmansvereniging plaatste om een cirkel hun handtekeningen, opdat niet één voor de broodvraag werd gesteld. De burgemeester wist wel, dat mijn vader voorzitter was en liet hem ontbieden. Voor zijn ogen gooide toen die burgemeester dat adres in de papiermand met de woorden: „Wat denken jullie, dat de gemeenteraad zich daarmee zal bemoeien!” Waarop mijn vader zei: „Ik hoop de tijd nog te beleven, dat u zoiets niet meer kan doen.” De patroon van mijn vader was toen wel zo „liberaal” dat hij hem niet met ontslag bedreigde voor deze handeling.