is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 49, 12-12-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HET NIEUWE TELEVISIEBESTEL

De minister heeft de televisie-nota aan de Tweede Kamer ingediend. Nu weten wij, wat ons te wachten staat. Ik merk uit gesprekken, dat slechts weinigen zich er over opwinden. Begrijpelijk: het aantal toestelbezitters is gering en zij, die zich verdiepen in de problemen rondom de televisie zijn weinigen.

Dat is overigens jammer. Het gehele geval is interessant, ofschoon niet opwekkend. Men is er in ieder geval bij betrokken. Want straks staan in al onze huiskamers zulke kasten en leven wij in de ban van wat men ons voor wenst te zetten.

Wij weten nu al, wie die „men” wordt. Het zijn de omroepverenigingen.

De minister is nl. van plan om het televisiebestel te enten op het omroepbestel. Precies als in de radio zullen vier, vijf omroepverenigingen apart en slechts soms vereend, wanneer er een gezamenlijk programma wordt geboden, waar geen enkel der participanten bezwaar tegen maakt de zendtijd gebruiken. De regering ziet toe. Passief. Zeker, er zullen natuurlijk fatsoensnormen zijn. Maar verder zal men ieder op zijn eigen wijze het Nederlandse volk toespreken en toelonken.

Er zijn geruchten in de pers verschenen, dat oorspronkelijk de minister voor de televisie een ander stelsel wilde. Een stelsel, waarbij de overheid meer betrokken was, zij het dan op een afstand. Maar toch zo, dat wat verdeelt minder de nadruk kreeg dan wat vereent. Ten slotte is iets uit de bus gekomen, dat geheel in de lijn ligt van de wensen der omroepverenigingen en dan nog in die van de meest isolationistische onder hen. Scheen de Vara wel bereid te zijn een gezamenlijk programma voor zijn rekening te nemen, waarbij niet één het recht van veto heeft, „Trouw” juichte, dat wat nu voorgesteld werd, precies was, dat de NCRV wenste. Nochtans is de behandeling in de Tweede Kamer opgehouden. Niet, naar verluidt, op aandrang van de Tweede Kamer zelf, maar er schijnen omroepkringen te zijn, die ook nu nog de toestand niet gunstig vinden. Er kleven nóg te veel heen wij zen naar een gemeenschappelijke ver antwoordelij kheid aan.

Nu kan men somber denken over de omroepverenigingen en daar is wel enige aanleiding toe. Die aanleiding moet men niet zoeken In wat zij brengen, op dat punt zijn lof en blaam beide mogelijk maar in him houding in het geheel van het Nederlandse volk. Zij voelen zich exponenten van een macht. En als alle machten voelen zij zich bedreigd. En daarom moeten zij altijd weer méér macht hebben. En zijn zij benauwd om maar iets af te staan van hun zelfstandigheid. Nu ligt dat bij de ene omroep anders, dan bij de ander. De VPRO neemt een uitzonderingspositie in. En de Vara draagt steeds de herinnering met zich mee, dat bij haar geboorte waarlijk niet elke SDAP-er en-

thousiast was en dat na de oorlog tot de PvdA velen zijn toegetreden, die over het omroepbestel minder verzuild dachten dan de leiding van de SDAP allengs was gaan doen, mede door de domme houding, die de Avro in de jaren 30 jegens de arbeidersbeweging innam.

Zo is ons Nederlands omroepbestel het spiegelbeeld geworden van ons onderwijssysteem, dat dr. A. Kuyper zich gewenst had: de „vrije” omroep.

Er is een fanatieke angst bij alles wat confessioneel en conservatief denkt (zie ook de reactie van „De Haagse Post” op de TV-nota of liever: zie deze niet, want zij laat zich wel denken) jegens overheidsbemoeienis. Het lijkt wel, of de overheid geen andere verantwoordelijkheid in geestelijk opzicht heeft, dan te zorgen, dat de zaak technisch goed loopt. In dit opzicht vervult de overheid de rol van nachtwaker, naar het woord van Lassalle. En van tollenaar. De overheid mag de gelden ter beschikking stellen. Zij mag de verkeersregels opstellen. Zij mag toezien, of de afspraken worden nagekomen en of er niets te zien en te horen valt, dat bloot of vies of kwetsend is voor de rest: in je hok!

De theorie is: het moet van onder-op komen. Het volk moet zelf, in zijn geledingen, deel hebben, aan de cultuur. Wat leeft, moet tot uiting komen. Daarvoor moet het, voor de verschillende gebieden, zijn organen hebben.

Hoe democratisch dat klinkt, ergens klopt het niet.

Want, ten eerste: de overheid is toch niet alleen een verzameling samenzweerders, die het op knechting van het volk gemunt hebben. Er is geen macht in Nederland, die zó in een glazen huisje werkt, die zo op de vingers gekeken wordt, die zo gevoelig is voor wat uit het volk opkomt, als juist de overheid. Wie zo bang zijn voor overheidsinvloed, doen, alsof wij in 1750 in Frankrijk leven. Alsof er geen democratie is. En alsof deze democratie niet in de Grondwet verankerd is. Alsof de overheid het altijd mis gedaan heeft, zowel bij alle vormen van onderwijs als bij cultuurverschaffing, bijv. door de activiteit van musea. Wij zeggen alleen, dat op dit gebied te weinig geschied is, niet te veel.

En, ten tweede, hoe staat het met de medewerking van het volk aan de omroepverenigingen?

Er zijn 2.200.000 toestelbezitters. Met kunst- en vliegwerk, met lepeltjes, en goochelaars en zwarte verhalen over bedreigd-worden èn met een tot het laatste bot uitbenen van de machtspositie, is het gelukt om ruim 1.300.000, dat is hooguit 60% van de toestelbezitters te bewegen een programmablad te nemen, dat men op monopolitische wijze uitgeeft. Terwijl men ondertussen de programma’s door de overheid laat betalen.

En hoeveel van deze leden-abonné’s zijn nu werkelijk betrokken bij de besluitvor-

ming in de omroepverenigingen? Zeker, de Vara is democratisch opgebouwd. Men kan naar een afdelingsvergadering gaan en men kan zijn afgevaardigden naar de verenigingsraad stemmen. Maar hoeveel procent van de leden neemt werkelijk deel aan het leven van de vereniging?

Nu ligt dat bij de Vara nog gunstig. Wij bezitten de statuten van de andere verenigingen niet. Maar wij hebben niet de indruk, dat daar de medewerking van de leden erg geactiveerd wordt. Behalve dan bij de onvermijdelijke en grootscheepse jubilea, die uit reclametechnisch oogpunt knappe prestaties zijn wat wil men ook, wanneer men prachtig reclamemedium beschikt maar die wat de democratische doorstroming betreft toch weinig om het lijf hebben.

Terwijl nu, volgens mijn gevoel, een in wezen fout schema wordt gebruikt voor de radio, gaat men ditzelfde schema toepassen op de televisie, alsof radio en televisie hetzelfde zijn. Men doet dat, zonder acht te slaan op het eigen karakter van de televisie en zonder er rekening mee te houden, dat wij niet meer in 1925 leven, maar in 1953.

Nu moet men uit deze woorden niet begrijpen, dat mijn sympathie uit zou gaan naar een overheidsomroep. Ik juich het toe, dat er instanties zijn, die, van verschillende gezichtspunten uit, medewerken aan ook deze culturele vormgeving. Maar de som van deze instanties vertegenwoordigt nog niet het totaal van het geestelijke en culturele leven van ons volk. Zonder een algemeen gezichtspunt, zonder besef, dat men samen met anderen, die anders of niet speciaal georganiseerd zijn, met medewerking van de overheid dit geheel heeft te dienen, ontstaat er een sfeer van concurrentie, die het doel schaadt en een scheef beeld geeft van wat werkelijk aan culturele en geestelijke mogelijkheden leeft en geboden moet worden.

Nu wordt dat alles doorgezet, omdat men volhoudt, dat de „neuzen geteld” zijn. D.w.z. dat er in de Tweede Kamer geen meerderheid voor enig ander stelsel te vinden is. Die mededeling maakt nooit veel indruk op mij. Want de omroepverenigingen laten niets na om er voor te zorgen, dat in de Tweede Kamer de neuzen zich in hün richting bewegen. Anders is het een raadsel, hoe ’t komt dat twee van de vier grote omroepverenigingen onder hun ruim 300.000 leden geen andere voorzitter kunnen vinden dan een Tweede-Kamerlid. Laat men zich dan niet verontschuldigen, dat de neuzen nu eenmaal geteld zijn. Bovendien: ik geloof dat niet. Behalve in de a.r. fractie, die nu eenmaal een bepaald principe heeft, dat samenhangt met de daar levende opvatting over de verhouding tussen staat en gemeenschap, liggen er bij alle andere fracties zoveel mogelijkheden om het anders te doen, dat men zich verbaast, dat minister na minister zich aan deze suggestie gewonnen geeft. Kennelijk met niet al te veel innerlijke voldaanheid overigens.

En zo gaan wij dan de behandeliiig van de Televisienota tegemoet.

Het is te hopen, dat in de verschillende fracties de zaak niet onder de druk van de suggestie van de machtscomplexen worden bekeken. Die van de PvdA heeft hier een eretaak. Het kon wel eens zijn, dat zijn ware progressiviteit bij velen juist op dit punt getoetst zal worden. Men onderschatte een teleurstelling bij velen van haar aanhangers niet, wanneer het uiteindelijk televisiebestel niet enigermate In de richting wordt omgebogen, die een V. d. Leeuw voor de geest stond.

L. H. R.