is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 49, 12-12-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

VRAGEN OVER STAAT EN OVERHEID

Nadat wij in ons vorig artikel over de oorsprong en de grond van de overheid enkele opmerkingen hebben gemaakt, willen wij in een tweede artikel op verschillende vragen meer in het bijzonder ingaan.

De roeping van de overheid

Waarin bestaan de roeping en opdracht van de overheid?

De vraag is van belang, omdat het zijn van de overheid alleen zin heeft, wanneer zij haar opdracht vervult. Wanneer zij haar opdracht verwaarloost, werpt zij haar zijn in de waagschaal.

Wanneer er inderdaad een relatie tussen de overheid en Christus bestaat, heeft de overheid de heerschappij van Christus op aarde te dienen, doordat zij op aarde een uiterlijke gerechtigheid in het leven roept en in stand houdt. Daartoe is haar het zwaard gegeven. Zij draagt het niet vergeefs, niet zonder zin en doel, niet zonder objectieve reden, niet zonder recht. Zij moet „de bozen straffen” en „de goeden beschermen”. Zij moet naar het woord van Karl Barth zorgen voor een uiterlijke, relatieve, voorlopige humanisering van het menselijke-leven.

In haar „Verklaring van Barmen” heeft de Belijdende Kerk het zo geformuleerd: de overheid heeft naar Gods ordening de opdracht, om in een nog niet verloste wereld, waarin ook de kerk staat, naar de mate van menselijk inzicht en kunnen, voor recht en vrede te zorgen.

Doet de overheid dat, dan dient zij Christus. Door voor recht en vrede te zorgen schept zij ruimte voor menselijk leven, persoonlijk menselijk leven en menselijk samenleven, ruimte ook voor de kerk en haar prediking.

Zij moet niet christelijk handelen de overheid is de kerk niet zij moet goed, juist, recht handelen. Paulus zegt in 1 Timotheüs 2: „Ik vermaan u, smekingen, gebeden, voorbeden en dankzeggingen te doen voor alle mensen, voor koningen en hooggeplaatsten, opdat wij een stil en rustig leven mogen leiden in alle godsvrucht en waardigheid, dat is goed en aangenaam voor God, onze Zaligmaker, die wil, dat alle mensen zalig worden en tot de erkentenis der waarheid komen.”

Men kan de vraag stellen, hoe de overheid weet, wat gerechtigheid is.

Voor ons land mag als antwoord zeker gelden: door de prediking van het evangelie. Maar ook waar geen kerk is en geen evangelie gepredikt wordt, blijkt er een de historie inwonende wet van goed en kwaad te zijn. Ik kan op deze moeilijke vraag in dit artikel niet verder ingaan. Voor ons gaat het er om, dat het menselijk leven be-

schermd wordt, zodat het open blijft voor Christus.

Het geloof van de overheidspersonen doet er niet toe. Natuurlijk is het op zichzelf van groot belang. De kerk roept ook de overheidspersonen op tot het geloof in Christus. Maar de dienst van de overheid is niet afhankelijk van het geloof der overheidspersonen. Zij is Gods dienares doordat zij een ordening van God is. Zij is dat altijd, overal en in alle omstandigheden. Zij dient het Rijk van Christus, ook wanneer zij dat niet erkent en niet wil. Zij doet het ook, wanneer zij haar opdracht niet vervult. Dan verliest zij wel haar zin, maar zij dient nochtans Christus en zijn Rijk. Zo hebben Herodes die Jezus wilde vermoorden, Pilatus, die Jezus ter dood veroordeelde, de Romeinse keizers, die de christenen voor de wilde beesten wierpen, Christus en zijn Rijk gediend. Wat zij ten kwade dachten, heeft God ten goede gedacht. Ook de overheid, die haar opdracht niet vervult, staat onder Christus. De dienst der overheid aan Christus moeten wij niet subjectief, maar objectief verstaan, al blijft het natuurlijk van het grootste belang, dat de overheid ook subjectief van deze dienst weet en deze dienst aanvaardt.

De gehoorzaamheid aan de overheid

Omdat de overheid in de door ons aangegeven zin een instelling van God is, hebben wij de roeping, haar te gehoorzamen.

Paulus zegt: „Om des gewetens wil”. Petrus: „Om des Heren wil”, maar zij bedoelen beiden hetzelfde. Jezus heeft niet anders gesproken: de overheid heeft „geen macht dan die haar van boven gegeven is.”

Er is dus een plicht tot gehoorzamen om Gods wil en die plicht bindt ons tot op het ogenblik, waarop de overheid ons zou dwingen tot ongehoorzaamheid aan Gods gebod en zo haar goddelijke opdracht verloochent. Doet zij dat, dan is weigeren van gehoorzaamheid plicht. Evenzeer om des gewetens en om des Heren wil. Naar het woord van Jezus: „Geef de keizer wat des keizers is, maar God wat Godes is”.

Bij Calvijn vinden wij deze merkwaardige uitlating: „Bij de gehoorzaamheid, die men de heerschappij der overheden verschuldigd is, moet altijd deze uitzondering gemaakt worden of veeleer hierop gelet worden, dat die gehoorzaamheid ons niet mag afvoeren van de gehoorzaamheid aan Hem, aan wiens wil alle begeerten der koningen behoren onderworpen te zijn, voor wiens besluiten hun bevelen moeten wijken en voor wiens majesteit hun scepters moeten buigen. En waarlijk, hoe verkeerd zou het zijn, dat men, om aan mensen genoegdoening te schenken. Hem zou beledigen, om wiens wil

'men de mensen gehoorzaamt. De Heer is dus de Koning der koningen: wanneer Hij zijn heilige mond geopend heeft, moet Hij alleen voor allen en boven allen gehoord worden; verder zijn wij onderworpen aan de mensen, die over ons staan, maar niet anders dan in Hem. Indien zij iets bevelen, dat tegen Hem ingaat, dan moet dat niet geteld worden. En wij moeten ons hier niet bekommeren om geheel die waardigheid, waarmee de overheden bekleed zijn: want haar geschiedt geen onrecht, wanneer zij bedwongen worden onder die bijzondere en waarlijk opperste macht van God”.

Deze ongehoorzaamheid om Gods wil is altijd een concrete beslissing in een concreet geval. Wij mogen haar niet verabsoluteren, tenzij de overheid zonder meer het beest uit het laatste bijbelboek wordt. Dat is een eschatologische mogelijkheid. Wanneer deze werkelijkheid wordt en wij dus met een overheid hebben te maken, die enkel beestachtig is, is totale ongehoorzaamheid geboden.

Karl Barth heeft er op gewezen, dat zowel de overheid uit Romeinen 13 als die uit Openbaring 13 een grensbegrip is. Wij hebben nooit te doen met een overheid, die haar opdracht voor honderd procent vervult, en evenmin met een overheid, die haar opdracht voor honderd procent verkracht. Zowel de volstrekt goede als de volstrekt slechte overheid bestaat in werkelijkheid niet. De werkelijke overheid beweegt zich altijd tussen Romeinen 13 en Openbaring 13. Het is ook mogelijk, dat de overheid in bepaalde opzichten trekken van Romeinen 13 (de overheid een ordening van God) en in andere opzichten trekken van Openbaring 13 (de overheid bedorven door mensen) vertoont.

Maar als dienares van God mag en moet zij van ons gehoorzaamheid vragen.

Kerk en overheid

In de staat is er ook de kerk, die haar leven leeft onder een bepaalde overheid. Zij ontvangt haar opdracht van Christus. Zij dient Christus bewust en vrijwillig. Christus is haar Heer en zij erkent Hem als haar Heer, haar enige Heer. Zij ontvangt haar opdracht in geen enkel opzicht van andere heren. De staat en de overheid hebben over haar als kerk geen zeggenschap.

De kerk roept allen op tot het geloof in Christus, ook de overheidspersonen. Dat betekent niet, dat de kerk de eis van een christelijke politiek stelt, maar dat zij, de overheidspersonen oproepend tot het geloof in Christus, tegelijkertijd oproept, de rechte en goede overheid te zijn. De kerk doet de overheid van uit het evangelie haar roeping verstaan, een roeping, die zij van zich uit nooit zo kan verstaan.

De kerk doet dat door haar prediking van het evangelie, de boodschap van de heerschappij van Christus en het komende Koninkrijk, de boodschap van Gods beloften en Gods geboden, een prediking, die zo niet altijd dan toch zeker in onze tijd een profetisch karakter moet dragen: „Gerechtigheid verhoogt een volk, maar de zonde is een schande voor de naties”, een prediking, waarin de kerk zeer concreet verkondigt, wat gerechtigheid en zonde in het volksleven en het leven van de volken betekenen.

De kerk doet dat ook door haar voorbede voor de overheid. De staat kan en mag nooit voorwerp van aanbidding worden, maar de overheid heeft wel nodig, dat voor haar gebeden wordt. Dat doet de kerk. Kan zij staat en overheid overtuigender aan hun grenzen en zichzelf overtuigender aan haar vrijheid tegenover staat en overheid herinneren dan daardoor dat zij zich op deze wijze voor beide inzet? J. J. BUSKES Jr.