is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 51, 1953, no 49, 12-12-1953

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bedrijf en Maatschappij

4

Wanneer wij dan nu op grond van de beschouwingen In de voorgaande 'artikelen willen trachten enkele conclusies te trekken, dan komen wij tot het volgende vijftal:

1. Het vraagstuk van de verhouding tussen bedrijf (onderneming) en maatschappij kan alleen op de juiste wijze worden benaderd, wanneer wij ons weten los te maken van een denken In geïsoleerde grootheden. De verschillende levensverbanden en organen, die bij het vraagstuk betrokken zijn, dienen er zich voldoende van bewust te zijn, dat zij, elk op zijn terrein, een bepaald aspect vertegenwoordigen van de samenleving In haar problemen en dat zij samen staan voor een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid ten opzichte van deze samenleving.

Voor elk van deze verbanden en organen geldt, dat deze verantwoordelijkheid zich niet beperkt tot een puur Interne functie. In deze zin Is de In de voorgaande artikelen besproken stelling van minister Van Thlel stellig juist.

Zeer belangrijk is daarbij het besef, dat men zich samen bevindt In een veranderende samenleving, waarin tal van oude vormen en mogelijkheden verloren zijn gegaan en waarin wij gemeenschappelijk voor de taak staan nieuwe vormen en wegen te vinden. Dit laatste kan uiteraard ook Inhouden: verloren gegane waarden uit het verleden te hervinden.

Dit besef moet de bereidheid met zich meebrengen om waar dat nodig Is, opvattingen en houdingen te herzien. Men vergete daarbij niet, dat er een sterke interdependentie bestaat: de moderne onderneming Is een zeer belangrijk verschijnsel In de huidige maatschappij, waarvan de andere levensverbanden terdege de Invloed ondervinden; omgekeerd heeft de algemene maatschappelijke problematiek zijn directe Invloed op bedrijf en onderneming.

2. Voor de vraag, welke functie de diverse samenlevingsverbanden allereerst zorg dienen te dragen, welke hulp zij In eerste Instantie hebben te bieden, verdient het aanbeveling uit te gaan van de vraag naar de primaire doelstelling der onderscheidene verbanden. Hierin ligt, naar wij menen, een zeer bruikbare werkhypothese.

3. Daarbij dient aan het personalistisch element de volle aandacht te worden geschonken. Waar men waarschijnlijk terecht de „ontpersoonlljklng” en het verloren gaan van verbanden, die als waarde volle menselijke relaties moeten worden beschouwd, als het (of althans: één der belangrijkste) probleem van onze tijd mag zien, dient ook met kracht naar oplossingen hiervoor te worden gezocht.

Alle grote, massale organisaties zullen zich af moeten vragen, of zij door hun massaliteit wel voldoende dit personalistisch karakter kunnen dragen. Kwantiteit als zodanig kan de mens misschien wel een zeker gevoel van macht en zekerheid verschaffen, maar niet die relatie, waarin het persoonlijke domineert. Evenmin als bijv. de aan vertegenwoordigers van een grote orga-

nisatie overgedragen verantwoordelijkheid de persoonlijke verantwoordelijkheid kan vervangen of zelfs maar bevorderen.

Ook om deze reden zullen juist het gezins- en arbeidsmilieu waarschijnlijk de beste mogelijkheden bieden. Met de kerk, wanneer deze er althans in slaagt door oude vormen heen te breken en nieuwe vormen van daadwerkelijke, persoonlijke gemeenschap te vinden.

4. Tot een juiste verhouding zal men niet komen, wanneer er ook niet bij alle er bij betrokken organen en instanties een nuchter aanvaarden is van mogelijke ontoereikendheid. Elk dogmatisch getheoretiseer is hier schadelijk en onvruchtbaar. ’t Belangrijkste is, dat de dingen gebeuren. Secundair, door wie ze gebeuren. Om op het terrein te blijven, waarop deze artikelen betrekking hebben; in onze maatschappij, waarin aan ontwrichting en desintegratie individuen en gezinnen in groten getale ten onder dreigen te gaan, waarin ook in veel gevallen individuen en gezinnen maatschappelijk in nood verkeren, is het noodzakelijk, dat er op ruime schaal en deskundig en met adequate middelen door maatschappelijk werk, gezinszorg, voorlichting, opvoeding en vormingswerk geholpen en gehandeld wordt. Daarbij zal heel nuchter de vraag moeten worden gesteld: wie heeft hier de mogelijkheden? Is het zo, dat die instantie, tot wiens taak men primair een bepaalde vorm van hulpver-

lening of vorming moet rekenen, ook inderdaad over de reële mogelijkheden daartoe beschikt, des te beter. Is dit echter niet het geval, dan mag er niet alleen geen bezwaar tegen bestaan, dat een andere organisatie plaatsvervangend deze hulpverlening of vorming overneemt, maar ligt hier zelfs, omdat het uiteindelijk gaat om een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid tegenover een gemeenschappelijke opgave, een taak voor die andere instanties.

5. De voorgaande conclusies dwingen tot een goed functionnerende samenwerking van de hierbij betrokken organen. Voorbeelden van een dergelijke samenwerking zijn er gelukkig wel. We noemden er in een vorig artikel reeds enkele. We voegen daar nu nog een aan toe, nl. de samenwerking, die Jiier en daar is bij de vestiging van een industrie in een niet-industriële omgeving. Een dergelijke vestiging brengt niet alleen economische, maar ook tal van andere problemen met zich mee. Op dit terrein is samenwerking bekend van industrie met maatschappelijke, kerkelijke, culturele en andere instanties voor een gemeenschappelijk doordenken van deze problemen en een gecoördineerde aanpak ervan.

Wat bij een der gelijke industrie-vestiging incidenteel gebeurt, dient, naar wij menen, op veel grotere schaal en systematisch plaats te vinden, overal waar de moderne onderneming mee de structuur van de samenleving bepaalt. Wie hiertoe het initiatief neemt, is ook al weer een punt van ondergeschikt belang. Als deze initiatieven maar genomen worden. Alleen zo namelijk kan een juiste aanpak met een verantwoorde taakverdeling vanuit een gemeenschappelijke verantwoordelijkheid gerealiseerd worden. J. H.

TUSSEN NACHT EN DAG

wakker geschud door demonen betrok ik bij ’t raam de wacht buiten lag stil gaan en komen

’t was ochtend niet en geen nacht Venus werd langzaam verschoven boven bos dat dreef naderbij vogels vaarden ondersteboven

raaklings mijn venster voorbij toen steeg boven afgro?id licht ongebroken als eeuwen te voor

in mijn handen viel m’n gezicht en de wereld maalde weer door.

GERRir KOLKMAN