is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 1, 02-01-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Het grote debat

„Tweespalt der wereldrijken’”) is een uitermate leerzaam boek, dat ik graag iedereen ter lezing aanbeveel. Er is al meer op gewezen: de belangstelling voor de buitenlandse politiek, speciaal betreffende het conflict Oost-West is in ons land uiterst gering. De vaak oppervlakkige berichtgeving in onze grote kranten is daar misschien minder oorzaak dan gevolg van. Men weet het nu wel: de koude oorlog duurt onverminderd voort. Wij hebben eens voor goed partij gekozen en het besef, dat we er toch niets aan kunnen veranderen, voert tot de blinde beamingen van de Amerikaanse buitenlandse politiek. Salvador de Madariaga wees er onlangs op, hoezeer in het Westen een blind vertrouwen leeft, dat als er nu maar eens een bespreking plaats vindt van de vier „grote mannen” op het hoogste niveau, de zaken vanzelf wel in het reine zullen komen. Terwijl in Rusland, na de lange bestuursperiode van Stalin, er blijkbaar, ook al uit jaloersheid t.o.v. het Westen, een meer onpersoonlijke regering bezig is te ontstaan, een meer collectief bestuur zonder eenzijdige overheersing van één dictatoriale figuur, gaat de democratische wereld ook in dit opzicht overstag, dat ze meent politieke problemen op te kunnen lossen, zodra vier grote mannen om een tafel zitten. De ervaring evenwel heeft ge-

leerd, dat allerlei miseries van vandaag hun verre oorsprong hebben juist in de improviserende bijeenkomsten van super-mensen. Voor wie een beetje geschiedenis kent, zeggen de namen van Teheran, Jalta en Potsdam genoeg.

„Voor wie een beetje geschiedenis kent...” En hier juist ligt de betekenis van dr. Vlekke’s boek, dat het de lezer in staat stelt zich een overzicht te vormen omtrent de ontwikkeling van het wereldwijde conflict, dat op het ogenblik de twee grote wereldmachten gescheiden houdt; dat het hem helpt afstand te nemen van de „sensationele” feiten van de dag, om ze in een ruimer tijdsverband te zien. Het is niet nodig hier de lof van dit boek breed uit te meten. Terecht heeft prof. Geyl onlangs geschreven, dat het boek van dr. Vlekke verdient vertaald te worden en op de wereldmarkt te verschijnen. Uitstekend gedocumenteerd, zakelijk zonder droog te zijn, overzichtelijk opgebouwd, is dit een ideaal studieboek.

Wat ik als een bijzonder voordeel van deze wetenschappelijke studie beschouw, is de serene onpartijdigheid, het niet opdringen van voorbarige conclusies, waardoor de lezer ruimte en adem krijgt om zelf door te denken.

Liever dan het boek na te vertellen wil ik dan ook enige gedachten en zorgen mee-

delen, waartoe het boek een lezer inspireerde, wellicht tegen de bedoeling van de schrijver in, die immers zijn verhaal afsluit vóór het rampzalig avontuur van Korea, een lezer nl., die zich vandaag zorgen maakt over wat te gebeuren staat in 1954.

Over de politiek van Sowjet Rusland bestaan in grote lijnen twee tegenstrijdige theorieën. De ene beweert, dat ze de consequente toepassing is van de marxistischleninistische theorie, die immers leert dat de overwinning van het communisme aanstaande is, omdat de zgn. kapitalistische wereld gedoemd is aan eigen tweedracht te gronde te gaan. Deze theorie brengt mee, dat waar het communisme gevestigd is, het zich innerlijk zo sterk mogelijk moet maken, het moet zorgen, niet overrompeld te worden door „imperialistische” expansiedrang, „de stuiptrekkingen van het hoogontwikkeld kapitalisme,” en dat het dan, zonder het risico van een expansiepolitiek, rustig af kan wachten, dat ten gevolge van innerlijke spanningen de kapitalistische wereld als een rijpe vrucht aan het wereldcommunisme toevalt.

De andere theorie, in ons land vurig verdedigd o.a. door J. de Kadt, beschouwt heel deze leer als een voze propaganda en ziet in Moskou weinig anders dan een complot van internationale samenzweerders, die door een mateloze en roekeloze machtsbegeerte bezeten, heel de wereld aan zich poogt te onderwerpen. Moskou heeft daarbij volgens deze theorie klakkeloos de traditie overgenomen van de zgn. nationalistische Russische expansiedrift, die zo tjqjisch was voor het tsaristische regime, en die zonder aarzeling op wereldheerschappij aanstuurt.

Als gezonde reactie op een overmatige Russophilie (vriendelijke gezindheid jegens de Russen) kan men de laatste theorie wel waarderen. Men kan bij Vlekke nalezen, wat een rampen in het internationaal verkeer veroorzaakt zijn door het dwepen met Rusland, juist ook bij de leidende Amerikaanse politici in en vlak na de tweede wereldoorlog en dan zelf van daaruit begrijpen (niet goedkeuren!) de huidige reactie van het Mac Carthyisme.

Maar juist het boek van Vlekke heeft me weer meer bevestigd in mijn mening, dat de eerste theorie de juiste is, omdat ze, als werkhypothese gehanteerd, een veel betere verklaring der buitenlandse Sowjetpolitiek van tussen en na de wereldoorlogen geeft, en als methode tot benadering van de Sowjet-mentaliteit veel betere resultaten toont.

Grof gezegd, kan men beweren, dat de grenslijn tussen voor- en tegenstanders van de EDG loopt overeenkomstig de mening die men heeft omtrent de vraag of de USSR agressieve bedoelingen heeft t.o.v. Europa, ja of neen. Wie het laatste ontkennen, gaan niet per se uit van de edele bedoelingen of het pacifisme der Russen, noch van het zgn. humanistisch marxisme, noch van allerlei toevallige feiten, maar van de leer, die de Russische leiding aanhangt, en die inhoudt (geheel volgens de eerste theorie), dat oorlog een kapitalistisch verschijnsel is, dat, normaal gesproken, slechts kan ontstaan tussen twee kapitalistische staten of tussen een kapitalistische staat en een gekoloniseerd volk. De marxistische tactiek brengt mee zich ten uiterste in te spannen zulke oorlogen uit te lokken en te bevorderen. Maar er kan, in gewone omstandigheden, geen oorlog uitbreken tussen een kapitalistisch land en een communistisch land, tenzij wanneer dit laatste aangevallen wordt door een kapitalistische staat of wanneer er een laatste stoot nodig is tot het spontaan ineenstorten van een reeds in staat van ontbinding verkerend kapitalistisch regime. USSR heeft immers

Een majestueuze beeldreportage

Waartoe menselijk vernuft en uithoudingsvermogen in staat zijn, werd door de expeditie bewezen, die enkele maanden geleden in opdracht van de „Royal Geographical Society” en onder leiding van de Britse kolonel John Hunt, de hoogste berg ter wereld, de 8800 meter hoge Mount Everest besteeg en van wie de Nieuw-Zeelander, de bijenhouder Edmund Hillary en de Sherpa Tensing de top bereikten. Waartoe de moderne cameraman met zijn apparaat in staat is, blijkt uit de film „De verovering van de Mount Everest”.

Gedurende dertig jaar hadden elf expedities geprobeerd het geheim van de Mount Everest (die oorspronkelijk „Piek 15” heette) te doorgronden. Pas de groep van Hunt met zijn twaalf voortreffelijke bergbeklimmers en 35 mannen van het ISherpa-bergvolkj ei, slaagde erin, de berg te „overwinnen”.

Van enkele episoden dezer grootse overwinning die er een van de wetenschap op de materie en vooral een zelfoverwinning is geweest worden wij getuige dank zij deze film, vervaardigd door Tom Stobart, die ons meeneemt naar een „landschap”, een vlakte, die ons voorstellingsvermogen te boven gaat, die on wezenlijk aandoet en die tot een andere orde, tot een andere wereld behoort. Niets is er boven, behalve ijs en sneeuw en wind. Met alle eventualiteiten hebben geleerden rekening moeten houden: de leden van de expeditie, die van het begin van de vallei tot 300 meter onder de top van de Mount Everest negen kampen moesten opslaan, werden van alles voor-

zien, wat voor hun bestaan gedurende deze weken onmisbaar zou kunnen zijn en onmisbaar was; hun zuurstofapparaten, hun kleren, hun eten, hun diverse toestellen en gereedschappen waren erop berekend, de gevaren van de reus Mount Everest te doorstaan. En daar gingen zij, nietige mensen, zwarte stipjes, te midden van een witte woestijn, waarin dier noch plant kan leven. Wij volgen hun tocht met ontroering en ontzag.

Met bewondering zien wij de filmbeelden en beseffen, dat de kleur hier een niet te onderschaten functie heeft. Wij luisteren geboeid naar het opvallend suggestieve commentaar van de Engelse dichter Louis MacNeice; alleen de muziek is soms wat opdringerig en bereikt zodoende het tegendeel van wat zij moeten bereiken: zij verbreekt de sfeer.

Zwarte stipj es in een witte oceaan ... maar zij weten wat zij willen, en deze wil maakt hen groot. Doch waarom hebben zij eigenlijk deze Mount Everest beklommen? „Omdat Mj er is

Deze majestueuze beeldreportage van een historische gebeurtenis zal ook voor het nageslacht belangrijk blijven. H. WIELEK