is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 2, 09-01-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BAARLIJKE ONZIN?

Eerlijk gezegd geloof ik wel dat zo’n kop het „doet” boven een artikel in een dagblad. Wat dat betreft kan men dus gerust zijn en d,e zaak waarover het gaat derhalve als afgedaan beschouwen. En die zaak betrof ... het Bronnenboek, behorende bij het rapport over de maatschappelijke verwildering der jeugd, dat in T. en T. al enige malen ter sprake is gebracht. Wat die kop betreft: het was een citaat! Ds. Fokkema, a.r. Kamerlid, heeft deze uitdrukking gebruikt bij de beschouwingen over de begroting van O.K.W. en de geachte afgevaardigde heeft allesbehalve mild en zacht zijn oordeel uitgesproken over dat Bronnenboek. Onze T. en T.-redacteur ds. Ruitenberg heeft er tegelijk ook van langs gekregen; hij had een artikeltje geschreven in het weekblad De Herv. Kerk en de lezers van het Bronnenboek aangeraden bij het lezen van het geschrift niet boos maar stil te worden. Deze vriendelijk-gegeven raad heeft ds. Fokkema naast zich neergelegd en hij is tóch boos geworden. Waarom ook niet? Hij had er z.i. alle aanleiding toe, want de opstellers van dat boek hadden blijk gegeven van kerken en kerkelijke zaken niets af te weten. En de gemeenteraad van Ede had de gegevens over zijn gemeente „gezwam in de ruimte” genoemd. En als een gemeenteraad zo iets zegt, zal het wél waar wezen. En de minister zou zich ten slotte voorzichtig achter ds. Fokkema geplaatst hebben en zich min of meer hebben gedistantieerd van de inhoud van het rapport. Zo stond het allemaal in een christelijk dagblad, dat natuurlijk niet de moeite kdn nemen om aan zijn lezers duidelijk te maken dat het „Rapport” en het „Bronnenboek” twee verschillende uitgaven

zijn en dat er terdege rekening gehouden moet worden met het feit, dat het Bronnenboek de basis heeft gevormd voor het Rapport! En dat het derhalve mogelijk is, dat allerlei dingen uit het Bronnenboek door de opstellers van het Rapport op hun juiste waarde zijn geschat! De zéér aandachtige lezer heeft dit dan ook geconstateerd en kunnen vaststellen, dat de terminologie van de ~bronnen” niet is overgenomen in het „Rapport”! Daar komt nog iets anders bij: gelijk bekend is het Rapport ongeveer li jaar eerder verschenen dan het „Bronnenboek” en ... over dat Rapport heeft men vrijwel gezwegen. Maar toen het Bronnenboek was gepubliceerd brak de toorn los. Ligt daarin al niet duidelijk opgesloten dat het Rapport, dat dan toch het belangrijkste Is, klaarblijkelijk niet direct tot verontwaardiging aanleiding gaf en dat dat Rapport dan toch wel „stil” heeft gemaakt? Of ... was dit de stilheid van de ... onverschilligheid ?

Men zou nu op z’n beurt weer boos kunnen worden op de boosheid van ds. Fokkema, die zelfs gesproken heeft van „belastering van het volk dat in de vreze des Heren leeft.” De letterlijkheid van dit citaat kan ik niet voor mijn rekening nemen, maar het kwam er in elk geval op neer. Maar... is nu heus het weergeven van onloochenbare feiten een „laster” die wordt uitgestrooid? Wil ds. Fokkema volhouden dat „het volk dat in de vreze des Heren leeft” geen zijpaden bewandelt en dat de jeugd van dit volk niet ook de kat in het donker knijpt? Weet hij er heus niets van dat de jeugd in zulke dorpen en streken eenvoudig met z’n vrije tijd geen raad weet en even goed slentert met alles wat daarbij

gebeurt, als de jeugd in de grote steden? Een dergelijke naïeveteit kan kwalijk worden verborgen achter welke boze uitdrukkingen ook! De naïeveteit breekt door de woorden van de geachte afgevaardigde heen en het enige wat hij helaas er mee bereiken kan, is... dat men nog niet wakker wordt en gerust door blijft slapen, terwijl de jeugd werkelijk andere wegen gaat!'

„De jeugd” ... en wellicht hebben we dadr één van de schrikwekkendste oorzaken van het langs elkaar heen praten! Men heeft telkens weer alleen... de eigen jeugd, die welke men bereikt, op het oog. Wanneer een predikant zich uitlaat over „de jeugd”, dan dient altijd gevraagd te worden: wélke jeugd bedoelt u? Die welke bij u op catechisatie komt? Dan heeft u een heel, heel klein gedeelte van een klein procentje op het oog! Maar er is meer en andere jeugd, dan die welke door u bereikt wordt!

Nu geldt dat natuurlijk niet alleen van predikanten! Men leze de artikelen van Rogier van Eerde in Elsevier er maar grondig op na om daar hetzelfde verschijnsel te constateren. Maar... zouden wij nu niet eens eindelijk ertoe kunnen komen enige objectiviteit op te brengen bij het praten over de jeugd? In zoverre is het „Rapport” toch inderdaad wel heel duidelijk geweest, dat het met nadruk ook spreekt van de „gepolijste massa jeugd”, waarbij het gaat om de middelbare scholieren uit de betere sociale milieu’s. En deze objectiviteit was bij ds. Fokkema zeker niet aanwezig, omdat hij dan toch wel overduidelijk alleen op het oog had de jeugd, die via catechisatie en dergelijke bereikt wordt en die dan in elk geval behoort tot de gezinnen van het „volk dat leeft in de vreze des Heren.” Dan blijft nog wel bestaan de vraag of deze jeugd niet dnders is dan men vermoedt en of er bij de beoordeling van de mentaliteit van deze jongeren niet nog volkomen andere factoren in rekening moeten worden gebracht dan alleen maar die van trouw catechisatie- en kerkbezoek. Maar... dan weet men ten minste over welke jeugd gesproken wordt. En doet men dit niet, dé,n spreekt men „baarlijke onzin”! Dan zou het inderdaad beter zijn om maar eerst eens stil te worden en zich af te vragen: waarom word ik toch boos als ik dingen lees, die onaangenaam zijn? Kan ik er niet tegen dat heilige huisjes worden aangetast? Wil ik liever blijven leven met oogkleppen voor? Wens ik misschien alleen te vernemen wat mij aangenaam is? Wil ik niet geconfronteerd worden met harde feiten en met de ruwe werkeiijkheid?

Want... de werkelijkheid is ruw en de feiten zijn hard! Het staat er met onze Nederlandse jeugd, ook met de „georganiseerde,” veel en veel erger voor dan men gelieft te denken. Wie dit uitlegt als een uiting van pessimisme, is er volkomen naast. Het is een uiting van werkeiijkheidszin. Men kdn nu eenmaal niet gaan spreken over de middelen tot jeugdvorming, als men niet weet hoe de te vormen jeugd is!

En overigens ... wanneer men vast blijft houden aan de traditionele methodieken, dan zal het einde de last dragen. Een last... die, financieel gesproken, honderdmaal zwaarder is dan wat nu uitgegeven wordt aan preventieve arbeid.

Vanzelfsprekend is ook dit laatste in geen enkel opzicht een motief om ons intensief bezig te houden met het jeugdvraagstuk. Ware het dit... we zouden alle jeugdwerk verlagen tot een zakelijke aangelegenheid. En dat is het niet. Jeugdwerk ... het is niet anders dan: gehoorzaamheid aan een opdracht! Een opdracht die z’n zwaarste en schoonste accent krijgt... die eigenlijk zijn enig-juiste inhoud ontvangt doordat Hogere Macht haar geeft. A. A. W.

(Vervolg van pag. 5) keuze van gezagsdragers en de keuze der politieke gedragslijn. Deze volkssouvereiniteit is het beginsei der eenheid, dat meerderheid en minderheid in een democratisch bestel overkoepelt. Op deze eenheid, die zeif berust, niet allereerst op „bloed en bodem” en taal, maar veeleer op een gemeenschappelijk voelen en denken, op een lotsverbondenheid, is opgebouwd het grondwettig mechanisme van democratische rechten en plichten, van passief en actief stemrecht, van partijen en minderheden. In deze laatste zin kan men zo maar niet een stuk souvereiniteit opofferen aan de grotere gemeenschap van het nieuwe Europa. Zo’n nieuwe gemeenschap immers kan men niet verordenen. Er is tot nu toe in dit geprojecteerde Europa niet die eenheid van denken en voelen, die solidariteit en lotsverbondenheid, waarop men een grondwet en democratische rechten en plichten en partijen kan enten. Men kan wel zeggingsmacht over steenkool en staalprijzen overdragen, maar geen vaderlandsliefde, geen politiek vertrouwen, geen militaire toewijding.

Een Europees parlement in deze omstandigheden wordt een farce; verkiezingen, partijen, meerderheden, alles wordt trucwerk en bij het nemen van beslissingen zal men niet anders dan gespecificeerde meerderheden kunnen gebruiken, wat steeds weer neerkomt op de tirannie der minderheden. En weer op ander gebied: ik moet ze nog zien, de Franse soldaten, die enthousiast exerceren bij een parade, afgenomen door een Duitse generaal.

Een argument der voorstanders van de EDG bleef onbesproken, nl. er zou geen alternatief zijn. In zoverre dit betekenen moet, dat West-Duitsland toch bewapenen gaat en dan met een eigen leger in NATOverband gemakkelijker op avontuur zou gaan (Aldus bijv. Patijn in „Wending” Oct. ’53, blz. 527), is dit je reinste chantage, en moet als zodanig onder ogen gezien worden. Voor zover men bedoelt, dat men anders West-Europa niet beveiligen kan tegen een mogelijke agressie vanuit het oosten, moet ik nuchter constateren, dat er in de internationale pers telkens weer andere voorstellen opduiken. Ik herinner aan het idee der neutralisering, dat m.i. wel bezwaren heeft (zie wederom Patijn blz. 526), maar heeft de EDG die dan niet? Of het voorstel, dat men in Franse bladen vaak tegenkomt, van een nationale taakverdeling der West-Europese-defensie, enz., enz. Is men eenmaal van de ondeugdelijkheid der EDG overtuigd, dan is het een kwestie van fantasie en deskundigheid om iets beters te ontwerpen. Daar lees ik dat een Amerikaans militair deskundige (Hanson Baldwin in de New York Times) van oordeel is, dat een verdediging aan de rand van Europa (de zgn. perifere strategie) door middel van vliegtuigen nog niet behoeft te betekenen, dat de V.S. Europa prijsgeven en in de steek laten. Kort en goed: de EDG is niet de enige oplossing.”

Toen ik zover was, profiteerde mijn vriend van een adempauze en besloot het gesprek: „Laat me hierover eerst eens nadenken. Maar overtuigd heb je me niet.”

En ik: „Was ik zelf maar overtuigd!” J. G. B.