is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 3, 16-01-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Model 1954

Het hoofdartikel van vorige week sneed het probleem aan van het socialistisch levensgedrag. Ik heb het een paar keer gelezen en heb er wat over zitten denken. Veel verder heeft me dat niet gebracht. Dat wil zeggen: ik weet geen oplossing voor dat probleem. En wel vanwege het feit, dat levensgedrag en levensstijl, als Ik het goed zie, vrijwel synoniemen zijn en stijl rechtstreeks te maken heeft met een bepaalde waardering van het leven en met een bepaald ideaalbeeld van de mens, dat men zich vormt.

Uit die waardering en uit dat beeld kristalliseert zich het levensgedrag, ’t Is verleidelijk om dat beeld nog even door te trekken: zoals verschillende stoffen, wanneer ze kristalliseren, verschillende, specifieke kristal-structuren vertonen, zo zullen ook verschillende waarderingen van het leven, verschillende „ideaaltypen” van de mens uitkristalliseren in verschillende vormen van levensgedrag.

En als de stijl van de voortrekkers van vroeger, gevormd door de AJC, niet die was van „een cabaretavond op Nieuwjaarsdag en van wijnglazen”, maar die van „Haardvuur en van licht-mythologie, van soberheid in levensgewoonten en van verwarmend-grote woorden over de toekomst en de strijd”, dan kon dat alleen, omdat de levenswaardering van deze mensen berustte op een aantal grote verwachtingen en een aantal grote, warmgekleurde begrippen. Zo een wonderlijk mixtumr van realisme en utopistische hunkering, van zuivere menselijkheid en romantiek.

Hun „ideaaltype”: de gemoderniseerde Graalridder, strijdend en zwervend naar het land der toekomst, waar de gerechtigheid, de vrede, de broederschap aller mensen en het onbeduimelde geluk gevonden zouden worden.

Levenswaardering en ideaaltype, model 1954, zien er echter anders uit. Men zou die kunnen aanduiden met de woorden: gestroomlijnd evenwicht. Men hale daar niet te snel z’n schouders voor op. Er zit heel wat prijzenswaardig in. ’t Is de waardering voor de aangepaste mens in een doelmatig-geordende samenleving.

Aan beide aspecten wordt terecht grote zorg besteed.

Aan de doelmatige en rechtvaardige ordening der samenleving: onze politiek houdt er zich dag aan dag onvermoeid mee bezig.

Aan de aanpassing van de mens in deze samenleving: heel het indrukwekkende apparaat der moderne psychologie, van sociale en sociaal-paedagogische activiteiten enz. enz. staat hiervoor ter beschikking.

Bij dit alles worden we geholpen door een steeds indrukwekkender techniek, die mogelijkheden biedt, waarvan men in het verleden zelfs niet heeft gedroomd.

Nogmaals: men onderschatte de waarde hiervan niet. Wij leven in een land en in een tijd, die niet alleen voor de grote massa

der bevolking ten aanzien van materiële welvaart, levenspeil, comfort, hygiëne veel en veel meer biedt dan enige periode in het verleden, maar die ook ten aanzien van ontplooiings- en ontspanningsmogelijkheden en ten aanzien van de beveiliging van het bestaan (men denke aan onze sociale wetgeving, verzekeringswezen, enz., bijna een utopistisch tijdperk mag worden genoemd in vergelijking met achter ons liggende tijden.

Alleen: er wordt nu van de mens ook verwacht, dat hij in deze zo voortreffelijk uitgeruste en georganiseerde „beste van aUe werelden” aangepast en evenwichtig, soepel en plezierig zal leven. Dat zijn waardering voor het leven allereerst de waardering zal zijn voor de techniek waarmee wij hem voorzien; voor het comfort, de hygiëne, de ontspanning, de zekerheid, waarmee wij zijn leven omringen. Dat hij zich te midden van dat alles gezond, bruikbaar en „gestroomlijnd” zal bewegen.

Dit alles zal zich dan moeten kristalliseren in een levensgedrag, dat gekenmerkt wordt door een on-problematische soepelheid, een niet te sterk accentueren van het persoonlijke, een kunnen genieten van niet te diep gravende ontspanning. Het „ideaaltype”, model 1954, is een wezen, dat het midden vormt tussen de solide mens van de burgerlijke cultuur en de wezens uit Huxley’s „Brave New World”.

Bij deze mens past de stijl van cabaret en wijnglas perfect.

Plezierige verstrooiing, een zekere welvaart, comfort, evenwicht. De vraag, of dit socialistisch levensgedrag genoemd mag worden, is niet zonder meer te beantwoorden. Dat antwoord hangt namelijk af van de vraag, of het socialistisch doel is: een

perfect-geordende, sociaal-verantwoorde, materieel welvarende, technlsch-perfecte, comfortabele, hygiënische en plezierige samenleving, of nog iets anders en iets meer.

Wordt in het socialisme dat „andere” en dat „meer” van weinig betekenis, laten we dan ook niet schromen dat levensgedrag socialistisch te noemen, waarin het ideaal van welvaart en comfort, van gestroomlijnd evenwicht tot uiting komt. ’t Betekent alleen, dat een paar begrippen dan niet bruikbaar meer zijn.

Zo zullen we de profeet, die verontrust, omdat hij gedreven wordt door het visioen van een andere wereld en een andere mensheid, moeten vervangen door de planoloog; de priester door de soclaal-econoom; vrij veel uitingen van het mensenhart zullen we onder moeten brengen onder „neurosen” en andere evenwichtsstoringen.

Waarschijnlijk zijn we er dan wel.

We kunnen de vraag ook zo formuleren: wanneer wij al de noodzakelijke, waardevolle sociale en economische dingen, waarvoor wij ons in onze politiek inspannen, bereikt hebben, zal dan een ander levensgedrag en een ander ideaal een plaats kunnen hebben dan dat van de „technische burger”?

Ik zou zelf deze vraag bevestigend willen beantwoorden. Ja, dat kan, wanneer niet het mensbeeld van de „beste aller werelden” denken en handelen gaat beheersen, maar het mensbeeld van het Evangelie. Dat betekent dus ook, dat ik me geen socialisme in kan denken, dat aan de geschetste verschraling en aan dit gestroomlijnde evenwicht ontkomt, tenzij het de weg vindt naar de bronnen van het Evangelie. J. H.

VONKJES

Op 19 December vertrok een groep 14— 16-jarige meisjes, die een cursus van tien weken op de Vonk hadden meegemaakt. Na tien weken lief en leed te hebben gedeeld, samen te hebben gewerkt en gespeeld, samen de verantwoordelijkheid voor een goede gang van zaken te hebben gedragen), is een afscheid iets, dat je wat doet. Ook al verlang je naar huis en verheug je je op een weerzien In de zomer. Bij het laatste samenzijn in onze „grote huiskamer”, vlak voor het vertrek, wordt er ernstig geluisterd naar het afscheidswoord en wordt het lied, dat we tot slot zullen zingen heel beslist gekozen. Wat voor betekenis heeft de cursus voor de meisjes? We vragen dat altijd een van de laatste dagen aan ze. Ze krijgen dan een lijstje met schriftelijk te beantwoorden vragen. Een ervan is: wat heeft in deze cursus het meest voor je betekend? Vaak is het antwoord: de test, of: dat ik nu weet, wat ik worden zal. Het drukt deze meisjes vaak, dat ze het niet weten. Er zijn zoveel meer mogelijkheden, dan in de tijd, toen hun ouders jong waren. Een wens is vele malen: kinderverzorgster. Hoe je dat wordt en aan welke eisen j e dan moet voldoen, daarvan hebben ze slechts een zeer vage voorstelling. Als ze dan horen, dat je dan eerst nog een paar jaar naar school moet, verdwijnt de animo weer gauw. Niet altijd natuurlijk. iEr zijn er ook, die dat er graag voor over hebben, als ze hun weg maar zien. Kapster is ook een geliefd beroep. En

verkoopster. Maar welke eisen zowel lichamelijk als intellectueel elk beroep stelt, dat weten ze niet en dat komen ze ook vrij moeilijk aan de weet. Het is allemaal zo veel, en de een zegt dit en de ander dat en de weg naar het gewestelijk arbeidsbureau of het bureau voor beroepskeuze is nog lang niet platgetreden!

Om al deze redenen zijn we blij, dat we nogal eens een richting kunnen aangeven, geholpen door het psychologisch onderzoek. Voor het einde van de cursus hadden de ouders een klein rapportje over hun dochters. Hier volgen er een paar. Anneke A. heeft een goed verstand. Wat dat betreft is ze op de grens tussen normaal en vlug. Ze heeft niet zoveel fantasie en ze kan zich niet zo makkelijk concentreren. Ook kan ze zich niet zo makkelijk geven. Ze heeft normale contactmogelijkheden met anderen. Ze kan in het huishoudelijk werk behoorlijk met anderen samenwerken. Ze ziet het werk natuurlijk nog niet altijd, maar ze is tamelijk netjes en nogal vlug. Ook is ze hulpvaardig en doet ze, wat ze doen moet wel met toewijding. Ze is nog speels bij het werk, waardoor ze niet altijd even goed opschiet. Het beste beroep voor haar lijkt: een kantoor. Dat vindt ze zelf ook prettig en ze stelt zich voor, eerst avondlessen in typen en steno te nemen, later misschien de avondulo te volgen, als ze ziet, dat het niet-bezitten van het MULO-diploma haar handicapt in haar carrière. Ze heeft geen echte leerbelangstelling, maar wat haar