is toegevoegd aan uw favorieten.

Tijd en taak; religieus-socialistisch weekblad, jrg 52, 1954, no 3, 16-01-1954

Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

„Ik zing den ondergang van d’eersten Wareldgrond, En ’t menschdom dat, met Hel en Duivlen in verbond,

In gruwelen verhard, Gods Hoogheid durfde trotsen En ’t aardsche Paradijs beklautren langs zijn rotsen. Tot de Almacht, worstlens moê met Adams zondig bloed.

Des aardrijks bodem sloopte en omkeerde in den vloed.

Wat adem haalde op ’t droog, van d’afgrond in deed zwelgen.

Eén huisgezin behield in ’t algemeen verdelgen. En, op ’t verbrijzeld puin in lager lucht verspreid. Het sterflijk kroost vernieuwde, en ’t zaad der eeuwigheid.

Wien smeek ik, die mijn oog, ten hemel opgeheven. Die wareld weer herbouw’ en weêr herroep’ in ’t leven.

Die, wat der waatren stroom in ’t denkbeeld achterliet.

In de eb der eeuwen met heur’ afloop dreef in ’t niet? Wie voert haar uit die nacht van ’t ondoordringbaar duister

Te rug? U roep ik aan, ó Gy, wier hemelluister Tot d’afgrond doordringt, en den dag voert in ’t gezicht.

Waarheen gy cl’opslag van uw Godlijk aanschijn richt! Gy, Dichtkunst, ’t zij ge omhoog aan ’t hoofd der Englenchoren Gods lofzang aanstemt, die geen’ weêrgalm schept in de ooren.

Maar eiken zenuwdraad en drupjen hemelsch bloed

Bezielt, en op zijn toon welluidend trillen doet.

En tot één’ enklen zang, één zangtoon samenvlieten. Waar alles by beweegt en wegsmelt in ’t genieten:

Het zij ge, uitdeelster van Gods weldadn aan ’t heelal.

De harten hier omlaag met d’ eigen hemelval

By dropplen laaft, en ’t heil der diamanten zalen Den stervling overbrengt in amethysten schalen:

Gy! schiet uw Godheid in een lichtstraal uit!...

Aldus Büderdijk in de aanhef van dat vreemde, maar indrukwekkende gedicht: „De ondergang der eerste wereld”.

Ter toelichting dient dat B. in deze verzen aankondigt, dat zijn gedicht zal gaan over de ondergang van de mensheid van vóór de zondvloed (v. 1-10). Naar Bilderdijks inzicht werd de aardbodem niet alleen door de zondvloed overdekt, maar ook verbrijzeld. Nu vraagt hij om bijstand om deze ontzaglijke catastrophe, in het geheugen der mensheid nagenoeg verdwenen, weer te vertonen (v. 11- 16). Hij verwacht dit van de goddelijke Inspiratie („Dichtkunst” geheten) (V. 11-19), die immers de Engelen rond Gods troon een hemels lied doet zingen (v. 19-25) en als troosteres der mensen de kunstenaar inspireert (25-28).

Het barre landschap, dat Aart van Dobbenburgh ons ter reproductie afstond, had wellicht kunnen dienen om dit wereldbeeld op te roepen. Het is de troosteloze wereld na de zondvloed, waar Büderdijk op zinspeelt, maar het licht der Inspiratie is aanwezig en doorgloeit het landschap.

J. G. B.

LITHO VAN AART VAN DOBBENBURGH